Hoofdstuk III. Strafbepalingen (art. 35-37)
3 MEI 1999. - Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg.
(B.S. 30.06.1999)
Titel VI. Sancties
Hoofdstuk III. Strafbepalingen
Artikel 35
§1. De in artikel 36 bedoelde inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, vermeerderd met de opdeciemen, of met één van die straffen alleen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder ook hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op die inbreuken van toepassing.
§2. Onverminderd de bepalingen van artikel 56 van het Strafwetboek, mag de straf in geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling echter niet lager zijn dan het dubbele van de straf die vroeger wegens dezelfde inbreuk werd uitgesproken.
§3. Bij veroordeling wegens vervoer van zaken tegen vergoeding verricht met een voertuig waarvoor geen vervoervergunning werd afgegeven overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten :
1° kan de rechter de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het voertuig bevelen; bij tijdelijke vastlegging stelt de rechter vast hoe lang deze zal duren en op welke plaats het voertuig, op kosten en op risico van de eigenaar, aan de ketting zal worden gelegd;
2° worden de schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij, bevoorrecht op het voertuig dat voor het plegen van de inbreuk heeft gediend. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in artikel 20, 5° van de hypotheekwet van 16 december 1851.
§4. In afwijking van artikel 43, eerste lid van het Strafwetboek kan de verbeurdverklaring van het voertuig wegens inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten slechts in het in § 3 bepaalde geval worden uitgesproken.
§5. De politierechtbanken zijn bevoegd voor de in artikel 36 bedoelde inbreuken.
Artikel 36
De schending van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt strafbaar gesteld wanneer zij de bepalingen betreft inzake :
1° de verplichting houder te zijn van een geldige vervoersvergunning overeenkomstig de artikelen 5, §§ 1 en 6 evenals, in de door de Koning bepaalde gevallen, krachtens artikel 22, § 1, 2°;
2° de krachtens de artikelen 9, 2° en 12, § 1, 10°, a) door de Koning vastgestelde termijnen inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid;
3° de verplichting tot daadwerkelijke en permanente leiding van de werkzaamheden van de onderneming door de persoon die werd aangeduid om er, overeenkomstig artikel 10, zijn vakbekwaamheid te doen gelden;
4° de krachtens artikel 14, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen;
5° de krachtens artikel 22, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichting de vervoersvergunningen terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;
6° de krachtens artikel 22, § 1, 7° door de Koning vastgestelde voorschriften inzake de geldigheid van de vervoervergunningen;
7° de krachtens artikel 22, § 1, 8° en 9° door de Koning vastgestelde verplichtingen inzake de betaling van de retributies;
8° de eventueel krachtens artikel 22, § 1, 12° door de Koning vastgestelde verplichting tot het verstrekken van statistische gegevens;
9° de door artikel 23 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken, alsook de daarmee gepaard gaande verplichtingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 24;
10° de toegang van de in artikel 25 bedoelde ambtenaren tot de voertuigen en het onroerend goed, overeenkomstig artikel 26, § 1;
11° het bijhouden en het overleggen aan de in artikel 25 bedoelde ambtenaren van welbepaalde informatie en documenten, alsook de oproeping door deze ambtenaren, overeenkomstig de artikelen 26, §§ 2, 3 et 4 en artikel 28.
Artikel 37
§1. Worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2 bedoelde strafbepalingen gestraft :
1° volgens het geval, de opdrachtgever, de vervoercommissionair of de commissionair-expediteur indien zij, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst voor het vervoer van zaken waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, hebben nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de kopie van de vervoervergunning voor het gebruikte motorvoertuig werd afgegeven;
2° de verlader indien hij, vóór de uitvoering van een vervoer van zaken waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, heeft nagelaten, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zich ervan te vergewissen dat de vereiste vrachtbrief werd opgemaakt.
§2. De opdrachtgever, de verlader, de vervoercommissionair of de commissionair-expediteur worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2, bedoelde strafbepalingen, gestraft indien zij instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot :
1° de overschrijding van de toegelaten massa’s en afmetingen van de voertuigen;
2° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de veiligheid van de lading van de voertuigen;
3° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;
4° de overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen.
5° de niet-naleving van de beperkingen inzake cabotage over de weg.
§3. De houder van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid die, zelfs door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming niet daadwerkelijk en permanent heeft geleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, wordt gestraft overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2, bedoelde strafbepalingen.
§4. De vervoerder, de opdrachtgever of de vervoercommissionair worden, overeenkomstig de in artikel 35, §§ 1 en 2, bedoelde strafbepalingen, gestraft indien zij een vervoer hebben aangeboden, verricht of laten verrichten, tegen een ongeoorloofd lage prijs.
Onder « ongeoorloofd lage prijs » dient te worden verstaan een prijs die onvoldoende is om tegelijkertijd te dekken :
- de niet te vermijden posten van de kostprijs van het voertuig, in het bijzonder de afschrijving of de huur van het voertuig, het onderhoud ervan en de brandstof;
- de kosten voortvloeiende uit wettelijke of reglementaire verplichtingen, in het bijzonder sociale, fiscale en veiligheidskosten;
- de kosten voortvloeiende uit het bestuur en de leiding van de onderneming.







