25.1.
Het is verboden een voertuig te parkeren :
1° op minder dan 1 meter zowel voor als achter een
ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het
voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou
verhinderen;
2° op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;
3° voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;
4°
op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van
tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een
hindernis te gaan of te rijden;
5° op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
6° op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
7° wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;
8° buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
B9
9° op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;
E9a
E9b
10° op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2.°;
11°
op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of
geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar
moeilijk zouden kunnen kruisen;
12° op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
13° buiten de bebouwde kommen, langs de
linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op
de middenste berm die deze rijbanen scheidt.
14° op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c,
behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die
in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3.