2 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.
[BS 21.06.2010]
Hoofdstuk 5. Voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting
Afdeling 2. Bijzondere voorschriften
Artikel 19
Onverminderd de algemene voorschriften van artikelen 16 tot 18 en de bepalingen van artikel 28, § 5 van het technische reglement, zijn de volgende bijzondere voorschriften van toepassing :
1° voor een uitzonderlijk voertuig langer dan 22,00 meter wordt de retroreflecterende markering aan beide zijden over de gehele lengte van het geladen uitzonderlijk voertuig aangebracht;
2° Met uitzondering van de kraanauto, als de breedte van het uitzonderlijk voertuig meer bedraagt dan 2,55 meter, worden vier panelen geplaatst, twee vooraan en twee achteraan, om de uiterste breedte van het uitzonderlijk voertuig af te bakenen. Zij worden zodanig bevestigd dat zij op zichzelf geen hindernis vormen;
De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen minimum 0,40 meter en maximum 2 meter gemeten van op de grond. Indien, om technische redenen, de maximum hoogte niet kan geëerbiedigd worden, kan een grotere hoogte toegelaten worden.
De panelen beantwoorden aan artikel 47.1 van de Wegcode met dien verstande dat de witte strepen op de panelen vooraan en de rode strepen op de panelen achteraan retroreflecterend zijn.
De panelen vooraan zijn bovendien uitgerust met minstens een wit licht en deze achteraan met minstens een rood licht. Deze lichten zijn voortdurend in werking;
3° voor een uitzonderlijk voertuig breder dan 4,50 meter wordt de retroreflecterende markering vooraan en achteraan over de gehele breedte van het uitzonderlijk voertuig aangebracht.





