15 MAART 1968. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
[BS 28.03.1968]

Hoofdstuk VI: Constructie

Artikel 32bis. Afmetingen en massa's van voertuigen waarvan de aanvraag tot goedkeuring ingediend is vanaf 1 januari 1985 (1/4)

1. Algemene specificaties

1.1. Klassen
1.2. Afmetingen
1.3. Wielbasis
1.4. Massa's
1.5. Andere bepalingen
1.6. Referentiemassa's

1.1. In dit artikel worden de voertuigen ingedeeld in 3 klassen.

1.1.1. Klasse I: Deze klasse betreft de voertuigen bestemd voor het vervoer van personen;

1.1.2. Klasse II: Deze klasse betreft de voertuigen of combinaties van voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa, de 44 ton niet overschrijdt;

1.1.3. Klasse III: Deze klasse betreft:

  • hetzij de afzonderlijke voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale massa en/of afmetingen die deze voorzien voor de afzonderlijke voertuigen, overschrijden;
  • hetzij de combinaties van voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale massa en/of afmetingen die deze voorzien in klasse II, overschrijden.

Om op de openbare weg te rijden moeten deze voertuigen een vervoerstoelating hebben, afgeleverd door de Minister van Openbare Werken, of zijn afgevaardigde, en die voldoet aan de voorwaarden die hij vaststelt.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt de zinsnede “ de Minister van Openbare Werken, of zijn afgevaardigde,” vervangen door de woorden “het Agentschap”.

1.2. Afmetingen.

1.2.1. De afmetingen van een voertuig of combinatie van voertuigen, de voertuigen uitgerust met afneembaar(bare) koetswerk(en) inbegrepen, worden gemeten met alle uitstekende delen inbegrepen. De lengte van de dissel van de aanhangwagen is begrepen in de lengte van de aanhangwagen.

1.2.2. Voor het meten van de afmetingen worden volgende onderdelen niet in aanmerking genomen:

1.2.2.1. Voor het meten van de breedte:

  • de voorzieningen voor douaneverzegelingen en de afscherming daarvan;
  • de voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming daarvan;
  • de verklikkerinrichtingen voor lekke banden;
  • de uitstekende flexibele delen van een opspatafscherming;
  • de verlichtingsuitrusting;
  • voor voertuigen van categorie M2 of M3, oprijplaten in bedrijfsklare toestand, de hefplatforms en soortgelijke uitrustingen in bedrijfsklare toestand, mits zij minder dan 10 mm buiten de zijkant van het voertuig uitsteken en de hoeken van de naar voren of naar achteren gerichte oprijplaten zijn afgerond tot een straal van niet minder dan 5 mm; de randen moeten afgerond zijn tot een straal van ten minste 2,5 mm;
  • de achteruitkijkspiegels en vooruitkijkspiegels;
  • de bandspanningsmeters;
  • de opklapbare treden;
  • het bolle gedeelte van de zijkant van de banden, net boven het contactpunt met de grond.

1.2.2.2. Voor het meten van de lengte:

  • de wis- en sproeiinrichtingen;
  • de nummerplaten voor en achter;
  • de voorzieningen voor douaneverzegelingen en de afscherming daarvan;
  • de voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming daarvan;
  • de verlichtingsuitrusting;
  • de achteruitkijkspiegels en vooruitkijkspiegels;
  • de voorzieningen voor het waarnemen van de ruimte achter het voertuig;
  • de luchtinlaatpijpen;
  • de langsaanslagen voor afneembare carrosserieën;
  • de voetsteunen;
  • de stootrubbers;
  • de hefplatforms, de oprijplaten en soortgelijke uitrusting in bedrijfsklare toestand ten hoogste 300 mm uitstekend, mits het laadvermogen van het voertuig niet wordt verhoogd;
  • de koppelinrichtingen voor motorvoertuigen.

1.2.2.3. Voor het meten van de hoogte:

  • de antennes;
  • de stroomafnemers in uitgeschoven stand.

Bij voertuigen met een ashefinrichting wordt rekening gehouden met het effect van die inrichting.

1.2.3. Bij voertuigen in dienst gesteld vóór 17 september 1997 worden daarenboven, en dit tot 31 december 2006, volgende onderdelen niet in aanmerking genomen :

1.2.3.1. Voor het meten van de breedte :

a) de slijkweerders en spatschermen in soepel materiaal met een maximum overschrijding van 5 cm aan elke zijde;
b) de scharnieren en de sluitingsinrichtingen van de deuren met een maximum overschrijding van 2,5 cm aan elke zijde;
c) de inrichtingen voor het oprollen van de dekzeilen met een maximum overschrijding van 2,5 cm aan elke zijde.

1.2.3.2. Voor het meten van de lengte :

a) de beschermingsvoorzieningen voor en achter, hun bevestigingen inbegrepen;
b) de achterste aërodynamische windgeleiders;
c) de scharnieren en de sluitingsinrichtingen van de deuren;
d) de inrichtingen voor het oprollen van de dekzeilen;
e) de hefinrichtingen voor de achterste hefplatforms. De lengte van deze inrichtingen mag echter 2 % van de maximale lengte van het voertuig niet overschrijden, met uitzondering van de achterste beschermingsvoorzieningen van voertuigen gebruikt voor het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, waarbij de toegestane afwijking van 2 % op 3 % gebracht wordt.

1.2.4. Toleranties :

1.2.4.1. bij het keuren van voertuigen bedoeld onder 1.2.3., wordt een meettolerantie ten opzichte van de maximale waarde toegestaan van :

a) hoogte : 1 %;
b) breedte : 2 %;
c) lengte : 1 %.

De toegestane tolerantie op de breedte is niet van toepassing op de voertuigen bedoeld in punt 3.1.1., tweede zin.

Voor de voertuigen in dienst gesteld vanaf 17 september 1997 wordt er enkel een tolerantie van 1% toegestaan op de hoogte.

1.2.4.2. Geen enkele tolerantie is toegestaan bij voertuigen van de klasse I.

1.2.5. Het nazicht van de afmetingen heeft plaats met het voertuig in rijklare toestand zonder lading.

Voor de combinaties van voertuigen moet de meting van de lengte geschieden met de twee voertuigen opgesteld in rechte lijn.

1.3. Wielbasis.

1.3.1. De geometrische wielbasis is:

  • voor motorvoertuigen en aanhangwagens, de afstand tussen het hart van de meest naar voor geplaatste stuuras en de achterste vaste as of de resultante van de massaberekening van de achterste vaste assen;
  • voor de opleggers en de aanhangwagens met centrale as(sen) met vaste as(sen), de afstand tussen de koppelingspen en het hart van de achterste vaste as, of de resultante van de massaberekening van de achterste vaste assen;
  • voor de opleggers en de aanhangwagens met centrale as(sen) zonder vaste as(sen), de afstand tussen de koppelingspen en het snijpunt van de draaistraal met het middenlangsvlak van de oplegger;
  • voor de opleggers en de aanhangwagens met centrale as(sen) met één of meerdere ophaalbare assen, de afstand tussen de koppelinspen en het hart van de achterste niet ophaalbare as, of de resultaten van de massaberekening van de achterste niet ophaalbare assen.

De geometrische wielbasis is van toepassing voor het berekenen van de bestreken baan;

1.3.2. Een tolerantie van 2% mag worden toegekend bij het meten van de wielbasissen alsook bij de interassen afstanden (E, E1, E2) voor tandem en tridem.

1.4. Massa's.

1.4.1. Elk voertuig of combinatie van voertuigen moet aan de volgende voorschriften voldoen indien zij erop toepasselijk zijn:

1.4.1.1. De maximale toegelaten massa mag niet hoger zijn dan de massa vastgelegd door de hiernavermelde formules, in dewelke A de afstand is, uitgedrukt in meters, tussen de eerste as en het middenpunt van de achteras of groep achterassen.
M < 12.000 + 4.330 A
voor A < 3 m of M < 25.000 kg.
M < 17.000 + 2.700 A
voor A > 3 m of M > 25.000 kg.

Bij motorvoertuigen voor internationaal vervoer met vier assen waarvan twee gestuurde voorassen mag de maximale toegelaten massa in ton niet hoger zijn dan vijf maal het maatgetal van de afstand in meter tussen de voorste en de achterste as van het voertuig.

1.4.1.2. De massa, gemeten onder de aandrijfas(sen) moet ten minste gelijk zijn aan 25% van de totale massa van de combinatie van voertuigen, of van het voertuig wanneer dit geen aanhangwagen trekt.

1.4.1.3. De massa, gemeten onder de voorste as(sen) van het motorvoertuig moet steeds minstens gelijk zijn aan 20% van de massa van dit voertuig, in alle beladingstoestanden.

In afwijking van het eerste lid, in het geval van een voertuig van speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, moet de door de wielen van de gestuurde as op de weg overgebrachte belasting minstens gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van het voertuig, en dit in alle beladingstoestanden.

1.4.1.4. In het geval van een groep assen, waarvan één of twee ophefbaar zijn, moet de gemeten massa onder de vaste as(sen) binnen de perken blijven voor de maximale toegelaten massa per enkel as, wanneer men tracht de ophefbare as(sen) op te heffen of wanneer men deze opheft.

De voertuigen van speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, met uitsluiting van voertuigen van de categorie R, en waarvan de nominale snelheid niet meer dan 30 km/u bedraagt, mogen worden uitgerust met een hefbare as om de massa op de gestuurde as van het motorvoertuig te verhogen, voor zover alle onderstaande voorwaarden worden nageleefd :

  • de massa die met de overblijvende belasting op de gestuurde as overeenstemt, moet minstens gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van het voertuig;
  • de hefbare as moet altijd op de grond worden neergelaten wanneer het voertuig op de openbare weg rijdt.

1.4.1.5. In het geval van een groep assen, waarvan er één van de assen rust op een oppervlakte die 6 cm hoger ligt dan de oppervlakte waarop de andere as(sen) rust(en), mag de op de grond overgedragen massa door elk van de andere assen, het gedeelte van de maximale toegelaten massa op de grond onder de assengroep dat door elk van hen wordt gedragen, met niet meer dan 25% overschrijden.

1.4.2. Bijzondere voorschriften

1.4.2.1. De massa's, met inbegrip van de maximale toegelaten massa's van voertuigen uitgerust met een vertrager, kunnen verhoogd worden met de massa van deze vertrager, met een maximum van 500 kg, indien de constructeur de aanvraag ingediend heeft tijdens de goedkeuring van het voertuig, of achteraf;

1.4.2.2. De massa's, met inbegrip van de maximale toegelaten massa's, voor gelede voertuigen met oplegger uitgerust met speciale aanpassingen of met een versterkte chassis voor het gecombineerd vervoer weg-spoor, kunnen verhoogd worden met deze bijkomende massa's, met een maximum van 500 kg, indien de constructeur de aanvraag ingediend heeft bij goedkeuring van het voertuig, of achteraf.

1.4.3. Voor het meten van de massa's van voertuigen in gebruik, mag een meettolerantie van 2% toegestaan worden op de maximale massa en van 5% op de verdeling van de massa's op de assen.

1.5. Andere bepalingen.

1.5.1. Geen enkel punt vóór het center van de koppelingspen van een oplegger, indien deze vast is, mag zich bevinden buiten een denkbeeldige cilinder met een verticale as, welke door het center van de koppelingspen gaat, en een straal van 2,05 m heeft.

In het geval dat de koppelingspen tijdens de draaibeweging van het voertuig zich verplaatst, dient de constructeur te bewijzen dat de in vorige alinea vastgestelde regel tijdens de draaibeweging nageleeft wordt;

1.5.2. Bij een aslijn bestaande uit meerdere gedeelde assen (pendel assen) is de maximale toegelaten verdraaiing in het verticale dwarsvlak 25° per as;

1.5.3. De vertikale last onder de koppeling van een zich in rust en in horizontale stand bevindende éénassige aanhangwagen dient onder alle toegestane beladingsomstandigheden:

  • als resultante een neerwaarts gerichte vertikale kracht te doen optreden in de koppeling;
  • niet minder te bedragen dan één percent van de massa van de aanhangwagen, doch behoeft niet meer te zijn dan vijftig kilo;
  • niet meer te bedragen dan tien percent van de maximum toelaatbare massa van de aanhangwagen met een maximum van duizend kilo.

De toegepaste koppeling en de bevestigingsdelen aan de voertuigen dienen geschikt te zijn voor de opvang van de hierboven genoemde krachten;

1.5.4. De afstand gemeten in de lengterichting van het voertuig tussen het meest vooruitgelegen deel van een motorvoertuig met twee of meer assen en het middelpunt van het stuur mag niet meer dan 3,50 m bedragen.

1.6. Referentiemassa's.

1.6.1. De massa per wiel wordt beperkt door de capaciteit van de banden, maar mag echter niet hoger zijn dan:

  • 5 ton voor de banden waarvan de verhouding tussen de hoogte (H) van de band en de breedte (B) van de band groter dan of gelijk is aan 70%;
  • 6,5 ton voor de banden waarvan de verhouding tussen de hoogte (H) van de band en de breedte (B) van de band kleiner is dan 70%.

1.6.2. Massa per enkele as.

De massa wordt bepaald door de totale massa overgebracht op de grond door alle wielen, waarvan het middelpunt gelegen is in één en hetzelfde verticaal dwars vlak over de ganse breedte van het voertuig.

De maximale toegelaten massa voor een aangedreven as is 12.000 kg.

De maximale toegelaten massa voor een dragende as is 10.000 kg;

1.6.3. Massa per tandem.

Men verstaat onder tandem, een groep van twee opeenvolgende assen die na elkaar geplaatst zijn en waarvan de afstand tussen het middel van beide assen (E) kleiner is dan 1,8 m.

Bij een afstand van meer of gelijk aan 1,8 m worden de assen beschouwd als afzonderlijke assen.

1.6.3.1. Aangedreven tandem (1 of 2 aangedreven assen).

De maximale massa van elk der assen mag niet meer bedragen dan 12.000 kg.

De maximale massa van de tandem mag niet meer bedragen dan 19.000 kg indien de afstand E kleiner is dan 1,3 m.

De maximale massa van de tandem mag niet meer bedragen dan 20.000 kg indien de afstand E gelijk of groter is dan 1,3 m doch kleiner is dan 1,8 m;

1.6.3.2. Dragende tandem.

De maximale massa van elk der assen mag niet meer bedragen dan 10.000 kg.

De maximale massa's van de dragende tandem, in functie van de afstand tussen de assen E, en volgens het type van ophanging zijn:

Asafstand (E) Mechanische ophanging Pneumatische ophanging
mm kg kg
E < 1.000 11.000 11.000
1.000 < E < 1.200 16.000 17.000
1.200 < E < 1.300 17.000 18.000
1.300 < E < 1.800 18.000 20.000
1.800 < E 20.000 20.000

1.6.4. Massa per tridem.

Men verstaat onder tridem, een groep van drie opeenvolgende assen die na elkaar geplaatst zijn en waarvan de afstand tussen het midden van de assen van de eerste en van de tweede as, alsook de afstand tussen het midden van de tweede as en van de derde as, respectievelijk E1 en E2, kleiner zijn dan 1,8 m.

Indien één van de afstanden, E1 of E2, groter of gelijk is dan 1,8 m wordt de groep assen beschouwd als een tandem en een enkele as, de enkele as zijnde de buitenste van de groep van drie opeenvolgende assen met een afstand E groter of gelijk aan 1,8 m, in verhouding tot de meest nabijgelegen as.

Indien de afstanden, E1 en E2, groter of gelijk zijn aan 1,8 m, wordt de groep van assen gelijkgesteld met drie afzonderlijke assen.

De maximale massa op één van de assen van de tridem mag niet meer bedragen dan 10.000 kg. De maximale massa's van de tridem in functie van de kleinste afstand tussen de assen E1 of E2 en volgens het type van de ophanging zijn:

Asafstand (E, E2) Mechanische ophanging Pneumatische ophanging
mm kg kg
E1, E2 < 1.140 21.000 22.000
1.140 < E1, E2 < 1.300 21.000 24.000
1.300 < E1, E2 < 1.800 24.000 27.000

1.6.5. Aslijn bestaande uit meerdere afzonderlijke assen (pendelassen).

De maximale massa per as is bepaald volgens de regels vastgesteld in punten 1.6.1. en 1.6.2.