Let op: de inhoud van de berichten weerspiegelt de situatie zoals ze op het ogenblik van publicatie van toepassing was. Het is dus mogelijk dat sommige berichten ondertussen verouderd zijn.

Overzicht recente wijzigingen (samenvatting)

op .

1. Vanaf 30 december 2008

Wijziging KB 23-03-1998 betreffende het rijbewijs

  • In de voertuigen van de categorie B of BE, bestemd voor de scholing, moet er géén parkeerrem meer aanwezig zijn die gemakkelijk bereikbaar is voor de begeleider.
  • Hij die een verval van het recht tot sturen heeft opgelopen moet ook het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid waarvan hij houder is (bedoeld in het KB van 4 mei 2007) binnen 4 dagen na de betekening van het rijverbod inleveren bij de griffie van de rechtbank die de beslissing heeft uitgesproken.

2. Vanaf 1 januari 2009

1. Inwerkingtreding van de wet van 4 juni 2007 tot wijziging van artikel 33 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

Gevolg: hij die een ongeval met doden of gewonden heeft veroorzaakt en vluchtmisdrijf pleegde kan zijn door de rechter ingetrokken rijbewijs slechts terugkrijgen na het slagen voor het theoretisch examen, het praktisch examen en het psychologisch onderzoek.

2. Inwerkingtreding van de wet van 4 juni 2007 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer teneinde recidive voor vluchtmisdrijven strenger te bestraffen, met uitzondering van artikel 3, 2°.

Gevolg: zwaardere straffen voor vluchtmisdrijven

a) Bij verkeersongeval met stoffelijke schade en herhaling binnen de drie jaar :

Gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en/of geldboete van 2 200 euro tot 27 500 euro

b) Bij verkeersongeval met gewonden of doden en herhaling binnen de drie jaar :

  • Gevangenisstraf van een maand tot vier jaar en/of een geldboete van 4 400 tot 55 000 euro;
  • Verval van het recht om een motorvoertuig te besturen voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of voorgoed;
  • Het herstel van het recht tot sturen is afhankelijk van het slagen voor het theoretisch en praktisch examen en het psychologisch onderzoek.

3. Vanaf 1 januari 2009

Solidariteitsbijdrage voor terugbetaalde verkeersboetes

Artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt aangevuld met een paragraaf 3decies, luidende :

§ 3decies. De werkgever is een solidariteitsbijdrage van 33% verschuldigd op het bedrag dat hij in plaats van zijn werknemer betaalt of aan zijn werknemer terugbetaalt, als betaling van een door de werknemer opgelopen verkeersboete tijdens de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst.

Onder de verkeersboete, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan :

verkeersboetes voortvloeiend uit een zware verkeersovertreding (overtredingen van de derde en vierde graad) en verkeersboetes van minimaal 150 euro voortvloeiend uit een snelheidsovertreding;

verkeersboetes voortvloeiend uit een lichte verkeersovertreding (overtredingen van de eerste en tweede graad) en verkeersboetes van minder dan 150 euro voortvloeiend uit een snelheidsovertreding. Een bedrag van 150 euro op jaarbasis wordt in dit geval vrijgesteld van de solidariteitsbijdrage.

Op verkeersboetes voortvloeiend uit de toestand van het rijdend materiaal en de conformiteit van de lading is de solidariteitsbijdrage niet verschuldigd.

De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemers.

De opbrengst van de bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering, zijn van toepassing.


4. Vanaf 8 januari 2009

Wijziging van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan, parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren.

In deze wet werden twee artikels toegevoegd die de problemen moeten oplossen die ontstonden naar aanleiding van discussies over de wettelijkheid van het opvragen van de houders van kentekenplaten door parkeerbedrijven.

Artikel 2
Met het oog op de inning van de in artikel 1 bedoelde retributies, belastingen of parkeergelden, zijn de steden en gemeenten en haar concessiehouders en de autonome gemeentebedrijven gemachtigd om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 3
De in artikel 1 bedoelde retributies, belastingen of parkeergelden worden ten laste gelegd van de houder van de nummerplaat.


5. Vanaf 1 februari 2009

Wijziging art. 32bis, KB 15-03-1968 (technisch reglement): 45' containers

Punt 3.1.3.3 wordt aangevuld met een lid c)

3.1.3.  De maximale lengte is vastgesteld als volgt:

3.1.3.3. voor de opleggers :

a. de horizontale afstand tussen het middelpunt van de koppelpen en een willekeurig punt aan de voorzijde van de oplegger : 2,04 m;
b. de afstand tussen het middelpunt van de koppelpen en de achterkant van de oplegger bij voertuigen in dienst gesteld vanaf 1 januari 1991 : 12 m.
c. de afstand tussen het
middelpunt van de koppelpen en de achterkant van een uitschuifbare oplegger bij gebruik van een stapelbare, gestandaardiseerde laadstructuur onder vorm van een 45' container : 12,77 m.

Punt 3.1.3.4 wordt aangevuld met twee leden :

3.1.3.4. voor de gelede voertuigen (trekker en oplegger) : 15,50 m.

Indien de oplegger beantwoordt aan de bepalingen van punt 3.1.3.3. van dit artikel, wordt de maximale lengte op 16,50 m. gebracht.

Indien de oplegger beantwoordt aan de bepalingen van punt 3.1.3.3. a) en b) van dit artikel, wordt de maximale lengte op 16,50 m gebracht. In dit geval mag bij gebruik van een stapelbare, gestandaardiseerde laadstructuur onder vorm van een 45' container, met een maximale lengte van 13,72 m en een maximale breedte van 2,55 m, deze container niet meer dan 0,77 m over het achtereinde van de oplegger steken. In alle omstandigheden moeten de voorschriften van art. 55, § 1, ten opzichte van de achterzijde van de container beschouwd als zijnde de achterkant van het voertuig nageleefd worden.

Indien de oplegger beantwoordt aan de bepalingen van punt 3.1.3.3 a) en c) van dit artikel en bij gebruik van een stapelbare, gestandaardiseerde laadstructuur onder vorm van een 45' container, met een maximale lengte van 13,72 m en een maximale breedte van 2,55 m, wordt de maximale lengte, de container inbegrepen, op 17,27 m gebracht. Het voertuig verplaatst zich enkel voor nationaal en binnenlands wegverkeer met oorsprong, traject en bestemming in België en dit van of naar een intermodale terminal.

<< Terug naar inhoud