1 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende invoering van de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die ingeschreven zijn in België of in het buitenland.
[BS 01.09.2006]

Artikel 1

§ 1. In toepassing van richtlijn 2000/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2000 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Gemeenschap deelnemen aan het verkeer, gewijzigd bij de richtlijn 2003/26/EG van 3 april 2003, zijn de controlebeambten, belast met een mandaat van gerechtelijke politie en behorende tot de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en de personeelsleden van het operationeel kader van de federale en lokale politie, hierna “controleurs” genoemd, belast met het uitvoeren van technische controles langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in België of in het buitenland zijn ingeschreven.

§ 2. De constructievoorschriften en de voorwaarden waaraan de apparatuur en de controletoestellen moeten voldoen, worden goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

De apparatuur en controletoestellen worden minstens één keer per jaar nagezien door een erkende controle-instelling, aangeduid door de Minister die bevoegd is voor mobiliteit of zijn gemachtigde.

Zie M.B. van 12 oktober 2007 tot aanduiding van de controle-instelling bedoeld in artikel 1, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 1 september 2006 houdende invoering van de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die ingeschreven zijn in België of in het buitenland.

Artikel 2

De technische controles langs de weg, bedoeld in artikel 1 van dit besluit, hebben betrekking op:

a) de voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;

b) de voor het vervoer van goederen bestemde motorvoertuigen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en

c) de aanhangwagens, met inbegrip van opleggers, met een maximale massa van meer dan 3,5 ton.

Zij worden uitgevoerd zonder discriminatie op grond van de nationaliteit van de bestuurder of van het land waar het bedrijfsvoertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht en rekening houdend met de noodzaak om de kosten en de vertraging van de bestuurders en de ondernemingen tot een minimum te beperken.

Artikel 3

§ 1. De technische controle bestaat uit één of meerdere van de volgende elementen:

de visuele inspectie van de staat van onderhoud van het bedrijfsvoertuig in stilstand;

de controle, hetzij van het rapport van de technische controle langs de weg, zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit en opgesteld in de loop van de drie voorafgaande maanden, hetzij van de documenten waaruit overeenstemming blijkt met de technische voorschriften welke op het voertuig van toepassing zijn, en meer bepaald, voor in een lidstaat ingeschreven of in het verkeer gebrachte voertuigen, de controle van het document waaruit blijkt dat het bedrijfsvoertuig de verplichte technische controle van Richtlijn 96/96/EG van de Raad van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens heeft ondergaan;

de inspectie om onderhoudsgebreken op te sporen. Deze inspectie heeft betrekking op één of meerdere van de in bijlage 1, punt 10, van dit besluit, vermelde punten. De inspectie van de remmen en van de uitlaatemissies wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage 2 van dit besluit.

§ 2. Vooraleer de controleurs de punten vermeld in bijlage 1, punt 10, van dit besluit controleren, nemen zij het laatste document waaruit blijkt dat het bedrijfsvoertuig de verplichte technische controle van Richtlijn 96/96/EG van de Raad van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens heeft ondergaan, en/of een recent rapport van technische controle langs de weg of enig ander door een erkende instelling afgegeven veiligheidsdocument die (dat) eventueel door de bestuurder word(t)(en) voorgelegd, in overweging.

Wanneer er blijkens deze documenten in de loop van de laatste drie maanden reeds een inspectie is verricht over een van de punten van bijlage 1, punt 10, wordt dit punt niet opnieuw gecontroleerd, tenzij een nieuwe controle gerechtvaardigd is, met name wanneer visueel een of meerdere gebreken worden vastgesteld of de algemene staat van het voertuig doet vermoeden dat het voertuig niet voldoet aan de voorschriften welke op het voertuig van toepassing zijn.

Kan geen enkel van de hierboven bedoelde documenten worden voorgelegd, dan wordt in elk geval de in § 1, 3°, bedoelde inspectie uitgevoerd.

Artikel 4

§ 1. Het rapport van de technische controle langs de weg, betreffende de in artikel 3, § 1, 3°, van dit besluit, bedoelde inspectie, wordt opgesteld door de controleur die de inspectie heeft uitgevoerd of op wiens vraag de controle werd uitgevoerd.

Het model van dit rapport is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit en bevat in punt 10 een lijst van de punten die kunnen worden gecontroleerd.

De controleur kruist de overeenstemmende vakjes aan.

Het ingevulde rapport wordt overhandigd aan de bestuurder van het voertuig.

§ 2. De controleurs kunnen, indien zij van mening zijn dat het onderhoudsgebrek van het bedrijfsvoertuig, of de aan het voertuig aangebrachte aanpassing of wijziging een veiligheidsrisico kan inhouden :

1) voorzover een nader onderzoek niet gerechtvaardigd is, het gebruik van dit voertuig, eventueel door inhouding van de boorddocumenten, met inbegrip van de eventueel vereiste vervoersvergunningen, tijdelijk opschorten. Aan deze opschorting komt een einde wanneer de controleur vaststelt dat aan het hierboven bedoelde risico werd verholpen;

2) voorzover een nader onderzoek gerechtvaardigd is, het bedrijfsvoertuig onderwerpen aan een nadere controle in een nabijgelegen keuringstation van een erkende instelling, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen. Indien bij deze controle duidelijk wordt dat het voertuig gebreken vertoont die een ernstig risico inhouden voor de inzittenden of andere weggebruikers, kan, op initiatief van de controleur worden overgegaan tot de tijdelijke opschorting zoals bedoeld in 1.

§ 3. Indien bij deze controle duidelijk wordt dat het voertuig gebreken vertoont die een ernstig risico inhouden voor de inzittenden of andere weggebruikers, kan het gebruik van dit voertuig, op initiatief van de controleur, eventueel door inhouding van de boorddocumenten, met inbegrip van de eventueel vereiste vervoersvergunningen, tijdelijk worden opgeschort. Aan deze opschorting komt een einde wanneer de controleur vaststelt dat aan het hiervoor bedoelde risico werd verholpen.

Artikel 5

Iedere twee jaar, vóór 31 maart, deelt het Directoraat-generaal Vervoer te Land van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer de Europese Commissie de gegevens mee die het met betrekking tot de twee voorgaande jaren over de gecontroleerde bedrijfsvoertuigen heeft ingewonnen, uitgesplitst naar voertuigklasse, overeenkomstig bijlage 1, punt 6, van dit besluit, en naar het land van inschrijving, evenals de gecontroleerde punten en de geconstateerde gebreken op basis van bijlage 1, punt 10, van dit besluit.

De eerste verstrekking van gegevens bestrijkt een periode van twee jaar die ingaat op 1 juli 2006.

Artikel 6

§ 1. Het Directoraat-generaal Vervoer te Land van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer verleent de andere lidstaten de nodige bijstand en deelt hen de, overeenkomstig artikel 7 van vermelde richtlijn 2000/30/EG, vereiste gegevens mee.

Ernstige gebreken aan bedrijfsvoertuigen met een buitenlandse kentekenplaat, inzonderheid die welke tot opschorting van gebruik hebben geleid, worden gemeld aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar het bedrijfsvoertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, aan de hand van het controlerapport, waarvan het model is bepaald in bijlage 1 van dit besluit.

§ 2. Indien overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van voormelde richtlijn een bevoegde buitenlandse instantie of controleur van een andere lidstaat van mening is dat het aan een in België ingeschreven bedrijfsvoertuig vastgestelde onderhoudsgebrek een ernstig veiligheidsrisico inhoudt en dringend nader onderzoek rechtvaardigt, kan het bedrijfsvoertuig in België aan een technische keuring worden onderworpen. Behoudens hetgeen hierna is bepaald, gelden voor deze keuring dezelfde regels als voor de keuringen bedoeld in artikel 23sexies, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Het niet aanbieden van het voertuig binnen de gestelde termijn heeft tot gevolg dat het voertuig niet langer gedekt is door een geldig keuringsbewijs.

§ 3. Het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer evalueert elk verzoek dat hem door een buitenlandse instantie wordt overgezonden en maakt dit verzoek indien nodig over aan een, overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen, erkende instelling.

Het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer stelt de bevoegde instantie van de lidstaat die de gebreken heeft vastgesteld in kennis van de genomen maatregelen.

§ 4. Wanneer het verzoek aan een, overeenkomstig voormeld besluit, erkende instelling wordt overgemaakt, roept het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer de titularis van het voertuig op, per aangetekende brief, om binnen de vijftien dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van deze brief, een volledige keuring van het voertuig te laten uitvoeren. De instelling deelt het resultaat van deze keuring mee aan het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op 8 september 2006.

Artikel 8

Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Mobiliteit zijn belast, ieder wat haar/hem betreft, met de uitvoering van dit besluit.