12 OKTOBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de goedkeuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten.
[BS 25.10.2010]

Bijlage 1

TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR ALLE TOESTELLEN

1. Toepassingsgebied

De onderhavige technische voorschriften zijn van toepassing op alle toestellen.

2. Regels voor een correcte werking

2.1. Gebruikers - en installatiehandboek

De toestellen moeten geïnstalleerd en gebruikt worden in overeenstemming met de handboeken die aangeleverd worden door de constructeur en die goedgekeurd zijn samen met het toestel, ter gelegenheid van de modelgoedkeuring.

2.2. Zekerheid van de identificatie van het voertuig, in voorkomend geval

De constructie van het toestel, met inbegrip van de interne logica van het meetproces, moet zo zijn dat, bij het gebruik van het toestel volgens het handboek, de inbreuk nooit kan toegewezen worden aan het verkeerde voertuig, zelfs in het geval van inhalen of kruisen van voertuigen.

2.3. Registratieapparatuur, in voorkomend geval

Het toestel moet de meetresultaten registreren en de registratie zal de volgende gegevens bevatten : de identificatie (serienummer en modelgoedkeuringsnummer) en de lokalisatie van het toestel, de datum en het tijdstip van de meting, de gemeten snelheid (indien van toepassing) en de rijzin van het voertuig (indien van toepassing).

De digitale registratie moet conform zijn aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de beveiliging van de opslag, de verwerking en de verzending van elektronische gegevens van meetwerktuigen.

Indien bepaalde parameters instelbaar zijn en de meting kunnen beïnvloeden, moet het mogelijk zijn op basis van de registraties de ingestelde parameters te kennen.

2.4 Kwaliteit van beelden, in voorkomend geval

De opnemingstoestellen moeten adequate beelden waarborgen, wanneer zij worden afgeregeld en worden ingesteld overeenkomstig de instructies van de handboeken van gebruik en van installatie.

De beelden, al of niet gedigitaliseerd, moeten toelaten om :

de kentekenplaat duidelijk af te lezen voor zover ze zich in de vereiste staat bevindt;

type van het voertuig en eventueel het merk en het model te herkennen.

2.5. Automatisch verwijderen van resultaten in geval van grote variaties van de voedingsspanning

De werking van het toestel moet worden verhinderd, indien de voedingsspanning zodanige variaties vertoont, waardoor de maximaal toelaatbare fout dreigt overschreden te worden.

2.6. Controlevoorzieningen voor de globale werking

Het toestel moet uitgerust zijn met een voorziening waardoor een globale controle van de werking van het meettoestel wordt gevisualiseerd en dit bij iedere start van het meettoestel en bijkomend op verzoek van de operator.

3. Constructie

3.1. Mechanische stevigheid

De toestellen moeten goed en stevig gemaakt zijn. De gebruikte materialen moeten een voldoende weerstand en bestendigheid verzekeren bij normaal te verwachten gebruik.

3.2. Weerstand tegen klimatologische omstandigheden

3.2.1. De toestellen die niet in werking zijn, moeten weerstaan aan omgevingstemperaturen zoals opgegeven door de constructeur. De constructeur moet de uiterste temperatuursgrenzen opgeven, waartussen het toestel kan functioneren volgens de eisen van dit besluit. Indien deze uiterste temperatuursgrenzen overschreden worden, moeten de toestellen die autonoom werken, zichzelf buiten werking stellen. Deze uiterste temperatuursgrenzen moeten minimaal 0°C en +50°C begrijpen (zie punt 7.2).

3.2.2. Het toestel moet ongevoelig zijn voor de relatieve vochtigheid van de omgevingslucht en dit zowel in de statische voorwaarden van opberging als tijdens het gebruik, zoals beschreven in punt 3.2.1 (voor ongevoeligheid aan condensatie zie, punt 9.2.2).

3.2.3. De gedeelten van het toestel, alsook de aangesloten hulpstukken, die blootgesteld worden aan de weersomstandigheden zullen bescherming bieden tegen het indringen van stof en opspattend water.

3.3. Betrouwbaarheid van de elektronische componenten en van de interne logica

3.3.1. Reactie op storingen

De toestellen moeten proeven ondergaan die de reactie aantonen op :

variaties van de voedingsspanning;

storingen op de voedingsspanning;

uitwendige elektromagnetische velden.

De aangepaste proeven, de graad van gestrengheid en de criteria van aanvaarding moeten in overeenstemming zijn met punt 9.

3.3.2. Beveiliging tegen elektronische gebreken

De betrouwbaarheid van de resultaten voortgebracht door digitale signalen (overdrachten, logische bewerkingen, geheugenopslag, aanduidingen, enz.) moet verzekerd zijn, zowel individueel (stap voor stap) als gegroepeerd (in zijn geheel), door middel van bijkomende controlebewerkingen. Elke fout vastgesteld door deze bewerkingen moet de lopende meting blokkeren.

4. Gebruikers - en installatiehandboek

De constructeur zal elk toestel voorzien van een gebruikers - en installatiehandboek (zie punt 2.1) die samen met het model worden goedgekeurd.

Deze handboeken bevatten ten minste volgende onderwerpen :

de theoretische uitleg over de werking van het toestel;

de verklaring van het algemene schema;

de nauwkeurige opgave van de normale werkingsvoorwaarden;

de werkingswijzen;

de inlichtingen over de voornaamste oorzaken van fouten;

een overzicht van de ordegrootte van de verschillende meetinvloeden en hun overeenkomstige gedeeltelijke fouten;

de installatievoorschriften

de onderhoudsvoorschriften.

5. Bescherming tegen ongeoorloofde beïnvloeding

Het moet mogelijk zijn die elementen te verzegelen of te beschermen, waarvan de wijziging aanleiding kan geven tot meetfouten of tot een beperking van de metrologische zekerheid.

6. Identificatie van het toestel

Het toestel en elk, in een aparte behuizing ondergebracht onderdeel, moeten de volgende onuitwisbare opschriften bevatten :

naam (of commerciële benaming) en adres van de constructeur of zijn vertegenwoordiger;

model en serienummer van het toestel;

de opgave van de voor de werking noodzakelijke randapparatuur door middel van het modelnummer ofwel, in geval van niet verwisselbaarheid, het serienummer

goedkeuringsteken;

meetbereik.

In het bijzonder moet elk programma of elk geheugen dat een programma bevat duidelijk voor elk model geïdentificeerd zijn.

Bij gebrek aan kopie van de programma's, zal de constructeur een middel geven om te controleren dat deze programma's niet ten opzichte van het goedgekeurde model werden gewijzigd.

7. Proeven voor de modelgoedkeuring

7.1. Technische documentatie

De aanvraag voor de modelgoedkeuring (in drievoud) dient, ten behoeve van de proeven, volgende documenten te bevatten :

een beschrijvende nota met nodige bijzonderheden aangaande de constructie en de werking, de veiligheidsvoorzieningen die de goede werking verzekeren, de voorzieningen voor regeling en afstelling, de beschrijvende inlichtingen, de plaatsen voorzien voor de ijkmerken en de eventuele verzegelingen;

de montageschema's en, in voorkomend geval, de plannen die metrologisch van belang zijn;

een principeschema en fotografische reproducties, bestemd voor het dossier van de modelgoedkeuring.

7.2. Metrologische proeven in het laboratorium

7.2.1. Testvoorwaarden

Referentiewaarde Bereik
Omgevingstemperatuur + 20 °C Opgegeven door de constructeur
(0 °C tot 50 °C inbegrepen)
Relatieve vochtigheid 50 % - 70 % alle waarden, zonder condensatie
Voedingsspanning nominale minimum -10 % en + 20 % van de nominale waarde
Frequentie van de voeding
(indien toepasbaar)
nominale nominale waarde + 3 %
Tijdsspanne vanaf het aanschakelen alle waarden

De proeven moeten uitgevoerd worden bij + 20 °C en bij de minimale en maximale temperatuur voor verschillende voedingsspanningen; de relatieve vochtigheid en de frequentie van de voedingsspanning moeten enkel gewijzigd worden indien zij een betekenisvolle invloed hebben.

Voor elke hierboven vermelde invloedsfactor zullen de variaties over het volledige meetbereik geen variaties in de aanduiding veroorzaken die groter zijn dan de helft van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fouten (zie 8.3).

7.2.2. Voorafgaande proeven

De proeven overeenkomstig de voorschriften voorzien in punt 2 van bijlage 1, en bepaling van de fouten van het toestel in het meetbereik, in de referentiecondities.

7.2.3 Proeven aangaande de effecten van invloedsfactoren en storingen

De uit te voeren proeven en de bijhorende criteria voor aanvaarding zijn beschreven in punt 9.

7.3. Metrologische proeven op de weg (uit te voeren volgend op de voorziene metrologische proeven voorzien in het laboratorium)

De metrologische proeven moeten aangevuld worden met proeven in omstandigheden die overeenkomen met het werkelijke verkeer.

8. Eerste ijk, periodieke ijk en technische controle

8.1. Overeenstemming met het goedgekeurde model

Het goedgekeurde model wordt bepaald door karakteristieken van het meettoestel, die de metrologische zekerheid bieden.

Indien bij een toestel componenten van een andere leverancier worden gebruikt dan bij de goedkeuring, blijft deze goedkeuring geldig voor zover de bekomen resultaten gegarandeerd worden door de interne logica van het toestel. De structuur van de controlekringen, de werking ervan en de controleprogramma's moeten identiek zijn aan deze van het toestel dat volgens de modelgoedkeuring werd gemaakt. Om aan dit voorschrift te voldoen moet :

de constructeur voor de goedkeuring alle inlichtingen voorleggen aangaande de interne logica van het toestel;

de constructeur elke voorgenomen wijziging van de bestaande modelgoedkeuring voorleggen aan de Dienst Metrologie;

de Dienst Metrologie de bewaring van deze informatie verzekeren.

8.2. Proeven

De proeven omvatten reeksen van metingen, regelmatig gespreid over het meetbereik. Deze proeven moeten uitgevoerd worden zoals beschreven in het modelgoedkeuringsdossier onder artikel 7, derde lid.

8.3. De maximaal toelaatbare fout

De maximaal toegelaten fouten zijn vastgelegd in de specifieke bijlagen van dit besluit. Bij ontstentenis zal + 3 % gebruikt worden. Voor weging in beweging zal + 10 % gebruikt worden.

8.4. Metrologisch boekje

Het toestel moet altijd vergezeld zijn van het metrologische boekje dat moet voorgelegd worden ter gelegenheid van elke metrologische controle samen met het toestel.

Dit boekje bevat alle ingrepen en alle resultaten van alle metrologische controles. Bovendien moet er melding gemaakt worden van onderhoud - en herstellingswerkzaamheden evenals van ieder vastgestelde onregelmatigheid.

9. Proeven aangaande de effecten van de invloedsfactoren en storingen

De proeven moeten in de hierna vermelde volgorde worden uitgevoerd.

9.1. Proeven op mechanische stevigheid : mechanische schokken (zie punt 3.1)

Het toestel wordt gekanteld rond één kant van de basis, zodat de tegenovergestelde kant ongeveer 50 mm omhoog gelicht wordt, en daarna losgelaten. De proef bestaat in een val rond elke kant van de basis.

9.2. Proeven op klimatologische weerstand (zie punt 3.2)

9.2.1. Warmte - koude in droge omstandigheden

De proef simuleert de voorwaarden van opberging (toestellen buiten dienst).

De proef bij droge warmte moet twee uren duren bij de max. temperatuur zoals opgegeven door de constructeur, deze bij droge koude twee uren bij de min. temperatuur zoals opgegeven door de constructeur, het toestel buiten werking.

Na elke proef moeten het toestel en de bijkomende hulpmiddelen correct werken en de maximaal toelaatbare fouten eerbiedigen.

9.2.2. Vochtige warmte

Onmiddellijk na de koude proef worden die elementen, die bij het toestel het risico lopen blootgesteld te worden aan koude (de andere elementen mogen afgeschermd worden met gesloten plastiekfolie), overgebracht naar een lokaal waar de temperatuur + 20 °C bedraagt en de relatieve vochtigheid ongeveer 70 %. Het toestel wordt vervolgens in werking gesteld en gehouden gedurende een uur te rekenen vanaf het verlaten van de koude proef.

Gedurende de proef moet het toestel en de bijkomende hulpmiddelen correct werken en de maximaal toelaatbare fouten eerbiedigen.

9.2.3. Opspattend water

De inhoud van een emmer water van ongeveer 10 liter wordt van op een afstand van drie meter tegen elke zijde van het toestel geworpen, eenmaal van onderuit, een andere maal van bovenuit, terwijl het toestel in werking is.

Nazicht moet aantonen dat het water niet is binnengedrongen in het toestel. De proeven moeten aantonen dat het water geen effect heeft gehad op de correcte werking.

9.3. Proeven aangaande de betrouwbaarheid van de elektronische componenten en de interne logica (zie punt 3.3)

9.3.1. Veranderingen van de voedingsspanning voor toestellen op batterij : zie punt 7.2.1.

9.3.2. Storingen

Spanningspieken worden gesuperponeerd op de netspanning (OIML D11 testen 13.4 en 13.5 gestrengheidniveau 2).

Gedurende de proef moet het toestel correct werken en de maximaal toelaatbare fouten eerbiedigen, ofwel moet de aanduiding verdwijnen. In dit laatste geval, moet het toestel tot de normale toestand terugkeren na de proef.

9.3.3. Elektromagnetische compatibiliteit

De proeven worden uitgevoerd volgens OIML D11 (testen 12.1.1/1 gestrengheidniveau 3, 12.1.2 gestrengheidniveau 3, 12.2 gestrengheidniveau 3 en 12.4 gestrengheidniveau 2).

Deze proeven moeten in de referentiecondities worden uitgevoerd

9.4. Eindproeven

Na het beëindigen van alle proeven aangaande de effecten van de invloedsfactoren en de storingen moeten de proef voorzien onder punt 7.2.2 herhaald worden om de afwijking ten opzichte van de intrinsieke initiële fout te bepalen.