12 OKTOBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de goedkeuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten.
[BS 25.10.2010]

Bijlage 2

TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR DE SNELHEIDSMETERS

1. Toepassingsgebied

De onderhavige technische voorschriften zijn van toepassing op alle toestellen die de mogelijkheid bieden de snelheid van voertuigen in het verkeer of de gemiddelde snelheid van voertuigen op een specifiek traject te meten, evenals voor de rollentestbanken (de algemene voorschriften, de maximaal toelaatbare fouten en proeven op beïnvloedingsfactoren en storingen die van toepassing kunnen zijn), die indirect een snelheid meten teneinde de klasse van tweewielige voertuigen te bepalen.

2. Regels voor een correcte werking

2.1. Zekerheid bij de identificatie van het voertuig

De snelheidsmeter moet uitgerust zijn met een onderscheidingsvermogen voor de rijzin.

2.2. Onbemande werking

De toestellen die bestemd zijn om te werken in omstandigheden waarbij de goede werking onmogelijk voortdurend door een bevoegde agent kan worden gecontroleerd, moeten een betrouwbaarheidsniveau verzekeren dicht bij de aan « zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" dat de fout van elk resultaat binnen de tolerantiegrenzen gelegen is. Daartoe moet een onafhankelijke controlemethode van de meting door de fabrikant worden voorzien, als de technologie het toelaat. Deze methode kan automatisch zijn en moet een foutenmarge toelaten die niet hoger is dan 10% van de werkelijke snelheid. Elke verkeerde meting moet duidelijk als nul geïdentificeerd of geannuleerd worden.

Het betrouwbaarheidsniveau moet rekening houden met de meetonzekerheden en elke monocausale tekortkoming van het meettoestel in zijn geheel. Dit niveau moet door de goedkeurende overheid bevestigd worden. Indien het bepaald wordt op basis van statistische methoden, moet tenminste 99,8 % bereikt worden.

2.3. Hulpmiddel van simulatie voor de metrologische proeven in laboratorium

De fabrikant moet een simulatiemogelijkheid (interne kalibratie) voorzien die het mogelijk maakt om de metrologische proeven in het laboratorium uit te voeren. De nauwkeurigheid van de snelheden die hiermee worden gesimuleerd, moeten kunnen gemeten worden en moeten de best mogelijke zijn : de fout moet minstens lager zijn dan 1/10 van de waarde van de maximaal toelaatbare fout die voor de proef in kwestie wordt getolereerd.

In het geval dat de fabrikant deze simulatiemogelijkheid niet kan voorzien om technische redenen, dan moet een testmethode voor de ijkingen voorzien worden bij de goedkeuring van het model en deze zal gevoegd worden bij de documentatie voorzien in punt 7.1 van bijlage 1.

3. Constructie

3.1. Aanduiding en meetbereik

Het meetbereik wordt vastgesteld door de constructeur.

Volgens het meetbereik worden de toestellen als volgt onderverdeeld :

behorend tot klasse A voor een meetbereik gaande van 30* tot 150 km/h;

behorend tot klasse B voor een meetbereik gaande van 30* tot 199 km/h;

behorend tot klasse C voor een meetbereik gaande van 30* tot 250 km/h;

behorend tot klasse D voor een meetbereik gaande van 30* tot 300 km/h.

* Een lagere snelheid is toegestaan voor zover het is opgenomen in het modelgoedkeuringsdossier.

Voor snelheden boven de maximumsnelheid, zoals bepaald door de constructeur, moet het toestel eventueel door middel van een code aangeven dat de gemeten snelheid groter is dan het maximale meetbereik.

4. Proeven

4.1 Overeenstemmingproeven aan de voorschriften voorzien in punt 2 van bijlage 1

4.2 Metrologische proeven in het laboratorium, om het volgende te bepalen :

de foutenkromme in functie van de snelheid;

de nauwkeurigheid van de waarde van de gesimuleerde snelheden, via de interne kalibratie indien van toepassing

voor snelheidsmeters gebaseerd op het Doppler-effect, de nauwkeurigheid van het vizier, het stralingsdiagram van de antenne en de stabiliteit van de frequentie van de uitgezonden golven, met eerbiediging van de voorschriften van de aanbeveling OIML R 91.

Voor de proeven in laboratorium, zijn de maximaal toelaatbare fouten :

+10% voor snelheden onder de 30 km/h;

+3 km/h voor snelheden van 30 km/h tot 100 km/h;

+3 % voor snelheden boven de 100 km/h.

4.3 Proeven aangaande de effecten van invloedsfactoren en storingen

De uit te voeren proeven en de bijhorende criteria voor aanvaarding zijn beschreven in punt 9 van bijlage 1.

4.4. Metrologische proeven op de weg (uit te voeren na de metrologische proeven voorzien in het laboratorium)

De metrologische proeven moeten aangevuld worden met een proef in omstandigheden die overeenkomen met het werkelijke verkeer.

De foutverdeling moet opgemaakt worden voor veranderlijke snelheden, veranderlijke dichtheden van het verkeer en indien mogelijk voor verschillende temperaturen.

De gemiddelde fout van alle resultaten mag de + 3 km/h niet overschrijden.

Voor een modelgoedkeuring moeten 500 metingen worden uitgevoerd, waarbij geen enkele positieve fout groter mag zijn dan :

20 % voor snelheden onder de 30 km/h;

6 km/h voor snelheden van 30 km/h tot 100 km/h;

6 % voor snelheden boven de 100 km/h.

Het systeem dat gebruikt wordt voor de vergelijkingsmetingen moet een meetonzekerheid hebben die minstens drie maal beter is, dan deze van de snelheidsmeter die wordt getest.

4.5 Bijkomende proef voor rollentestbanken voor tweewielige voertuigen

Een bijkomende proef met betrekking tot het nullastkoppel van de rollen wordt vastgelegd bij de modelgoedkeuring en uitgevoerd tijdens de ijkverrichtingen en de technische controles.

5. Eerste ijk, periodieke ijk en technische controle

5.1. Proeven

De proeven omvatten reeksen van metingen, regelmatig gespreid over het meetbereik. Deze proeven moeten uitgevoerd worden zoals beschreven in het modelgoedkeuringsdossier onder art. 7. derde lid.

Voor de snelheidsmeters gebaseerd op het Doppler-effect moeten het vizier, het stralingsdiagram van de antenne en de stabiliteit van de frequentie van de uitgezonden golven worden getest, volgens de voorschriften van de aanbeveling OIML R 91.

5.2. De maximaal toelaatbare fout

De gemiddelde fout van alle resultaten mag de +3 km/h niet overschrijden.

Geen enkele positieve fout mag groter zijn dan :

20 % voor snelheden onder de 30 km/h;

6 km/h voor snelheden van 30 km/h tot 100 km/h;

6 % voor snelheden boven de 100 km/h.

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 12 oktober 2010 betreffende de goedkeuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten.