13 JUNI 2010. - Koninklijk besluit houdende de erkenning van de beroepskwalificaties die door rij-instructeurs en directeurs van rijscholen werden verworven in de lidstaten van de Europese Gemeenschap, alsook tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
[B.S. 01.07.2010]

Hoofdstuk 2. De vrije dienstverrichting

Artikel 3

De rijschoolinstructeur die aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van de wet beantwoordt, brengt de minister of diens gemachtigde conform artikel 9 van de wet op de hoogte.

Bij de verklaring waarvan sprake is in artikel 9, § 1, van de wet moeten de volgende documenten worden gevoegd :

een bewijs van de nationaliteit van de instructeur;

een attest waaruit blijkt dat de instructeur rechtmatig in een lidstaat is gevestigd en dat hem daar geen enkel, zelfs geen tijdelijk, beroepsuitoefeningsverbod werd opgelegd;

een bewijs van de beroepskwalificaties van de instructeur;

Voor de gevallen zoals bedoeld in artikel 7, § 1, onder punt b ), van de wet, ieder mogelijk bewijs dat de instructeur de tien voorafgaande jaren zijn activiteiten gedurende ten minste twee jaar heeft uitgeoefend;

Bij iedere wezenlijke wijziging aan de door deze documenten gestaafde situatie, moet de betrokken persoon de nieuwe documenten die de wijziging staven, aan de Minister of aan zijn gemachtigde bezorgen. De documenten moeten binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de daadwerkelijke wezenlijke wijziging, worden bezorgd.

Artikel 4

Voor iedere dienstverrichting vraagt de minister of zijn gemachtigde aan de bevoegde overheid van de lidstaat van vestiging iedere relevante informatie over de rechtmatigheid van de vestiging en het goede gedrag van de instructeur alsmede iedere informatie over het ontbreken van eventuele tuchtrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen met betrekking tot de beroepsuitoefening, in het bijzonder de strafrechtelijke veroordelingen die in de lidstaat van vestiging overeenkomen met die welke zijn opgesomd in artikel 12, § 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit.