14 JULI 2005. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer.
[B.S. 26.07.2005]

Bijlage 1. Voertuigen waarin de tachograaf niet gebruikt moet worden of waarin hij niet geïnstalleerd moet zijn in het geval van vervoer bedoeld in artikel 2, punt 3 van verordening (eg) nr. 561/2006 en tot de overeenstemming bedoeld in punt 3 van hetzelfde artikel van de verordening bereikt is

  1. voertuigen die bestemd zijn voor het goederenvervoer en waarvan het toegestane maximumgewicht, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, niet meer dan 3,5 ton bedraagt;
  2. voertuigen die bestemd zijn voor het personenvervoer en die volgens hun bouwtype en uitrusting ten hoogste negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd;
  3. voertuigen die bestemd zijn voor het:
         a) geregeld personenvervoer waarvan de lengte van het traject niet groter is dan 50 kilometer;  
         b) internationaal geregeld personenvervoer, indien het begin- en eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een straal van 50 km in vogelvlucht van een grens met een andere Lidstaat en indien het traject niet langer is dan 100 km;
  4. voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 30 km per uur bedraagt;
  5. voertuigen van of onder toezicht van strijdkrachten, bescherming burgerbevolking, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde;
  6. voertuigen van de rioleringsdiensten, de diensten ter bescherming tegen overstromingen, of van de diensten van de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de gemeentereiniging, de vuilnisomhaling, de telegraaf en telefoon, de postzendingen, de radio-omroep, de televisie en de opsporing van radio- en televisiezend- en ontvangtoestellen;
  7. voertuigen die gebruikt worden in noodsituaties of voor reddingsoperaties;
  8. speciaal voor medische doeleinden uitgeruste voertuigen;
  9. voertuigen voor het vervoer van circus- of kermismateriaal;
  10. voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen;
  11. voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling, reparatie of onderhoud, en nieuwe of vernieuwde voertuigen die nog niet in gebruik zijn genomen;
  12. voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer voor privé-doeleinden;
  13. voertuigen voor het ophalen van melk op de boerderijen en het terugbrengen van melkbussen of zuivelproducten voor de veevoeding naar de boerderijen.