18 DECEMBER 2002. - Koninklijk besluit tot aanwijzing van de overtredingen waarvan de vaststelling gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet bewezen is.
[B.S. 25.12.2002]

Artikel 1

De overtredingen waarvan de vaststelling gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet bewezen is, zijn de hierna vermelde overtredingen van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen:

OVERTREDINGEN ARTIKELEN
De maximum toegestane snelheid overtreden hebben;

2.12, 2.37 en 5 (verkeersborden C43, F1a en F1b, F4a, F12a, F87, F91), 11, 22bis.3°, 22ter.1.1°, 22quater, 65.3 en 65.4 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

C43   F1a    F1b    F4a   F12a   F87   F91

De maximaal toegestane hoogte niet in acht genomen hebben;

5 (verkeersbord C29) van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer

C29

De toegang tot, en het gebruik van rijstroken en van de openbare wegen voorbehouden voor bepaalde weggebruikers, niet in acht genomen hebben;

5 (verkeersborden C5 met onderbord «Uitgezonderd 2» of «3», C1, C3, F17, F18; F99a, F99b, F103), 22quinquies, 22sexies, 72.5 en 72.6 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

     C3   F17   F18   F99a   F99b   F103

De doorlopende witte streep overschreden hebben; 5 en 72.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer
De regels betreffende het inhalen of de inhaalverboden niet in acht genomen hebben;

5 (verkeersborden C35, C39 en F91), 16 en 17 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

C35  C39   F91

In tegengestelde richting rijden;

5 (verkeersborden C1) en/of 9.2 en/of 21.4. 3° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg

C1

Rijden op de vluchtstrook op autosnelwegen en autowegen;

2.3, 5 (verkeersborden F5 en F9), 9.1.1. en 75.2. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

F5  F9

De onderlinge afstand tussen voertuigen of slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton of langer dan 7 meter niet in acht genomen hebben; 18.1. en 18.2. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer
De hierna vermelde lichten niet in acht genomen hebben:
      -- a) de rode knipperlichten aan de overwegen;
      -- b) een rood licht
a) 64.2
b) 61.1.1° en , 62bis, 1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
10° Het niet in acht genomen hebben van de technische voorschriften van de artikelen 32 en 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. 81.1.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
11° Een kruispunt hebben opgereden wanneer het verkeer zodanig belemmerd was dat hij op het kruispunt moest stoppen en aldus het dwarsverkeer hebben gehinderd of belet, zelfs indien verkeerslichten het hem hadden toegelaten; 14.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg
12° De door middel van een verkeersbord, voorsorteringspijlen of pijlen opgelegde rijrichting op een kruispunt niet gevolgd hebben of een door een verkeersbord verboden richting genomen hebben.

5 (verkeersborden C31, C33, D1, D3 en D4) en 77.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg

C1   C33   D1   D3   D4

Artikel 2

Het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 tot aanwijzing van de overtredingen waarvan de vaststelling gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet bewezen is, wordt opgeheven.

Artikel 3

Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.