21 APRIL 2007. - Koninklijk besluit betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen.
[BS 02.05.2007]

Bijlage 2. Technische specificaties van de ademanalysetoestellen

1. Voorwerp

Deze bijlage is geldig voor meettoestellen voor de bepaling van de ademalcohol concentratie in de uitgeademde alveolaire lucht op basis van de ethanolconcentratie.

2. Definities

2.1. Ademanalysator

Meetinstrument dat de massaconcentratie van ethanol meet, komende van de uitgeademde alveolaire lucht van een proefpersoon.

2.2. Ademanalysator met vaste standplaats

Ademanalysator bestemd om te worden gevoed door het wisselstroomnet.

2.3. Mobiele ademanalysator

Ademanalysator die in voertuigen gevoed wordt door de batterij van het voertuig.

Het gebruik van dergelijk ademanalysetoestel moet mogelijk blijven als de motor van het voertuig draait.

Het starten van de motor mag geen aanleiding geven tot foutieve meetresultaten.

2.4. Verplaatsbare ademanalysator

Ademanalysator die niet bestemd is om tijdens het gebruik te worden verplaatst, maar die wel moeiteloos kan verwisseld worden van plaats.

2.5. Draagbare ademanalysator

Ademanalysator die door eigen interne batterijen gevoed wordt en die in open lucht kan gebruikt worden.

2.6. Uitgeademde alveolaire lucht

Lucht afkomstig uit de longblaasjes. Het volume van de uitgeademde alveolaire lucht moet gereduceerd worden tot 34°C en de omgevingsdruk.

2.7. Ethanol

De chemische substantie ethylalcohol.

2.8. Blaasprestatie

Is een actie van een proefpersoon die erin bestaat zonder onderbreking een hoeveelheid lucht in de ademanalysator te blazen.

2.9. Duur van een blaasprestatie

Tijd gedurende dewelke de uitgeademde lucht tijdens de blaasprestatie boven een opgegeven minimum debietwaarde uitstijgt.

2.10. Ademalcoholconcentratie in uitgeademde alveolaire lucht (AAC)

De massaconcentratie van ethanol gemeten in de uitgeademde lucht op het einde van een geldige blaasprestatie. De AAC wordt weergegeven in mg ethanol per liter uitgeademde lucht.

2.11. Meetcyclus

Bestaat uit een of twee enkelvoudige geldige metingen van de AAC.

2.12. Resultaat

Het gevolg van één geldige meting, uitgedrukt in mg/l.

2.13. Eindresultaat

De conclusie van een of twee geldige metingen.

2.14. Drift

Variatie van de uitlezingen gedurende een bepaald tijdsinterval met een gegeven waarde van de ethanolconcentratie.

2.15. Hysteresis

Is een eigenschap van de analysator waarbij de responsie op een gegeven blaasprestatie afhangt van de reeks voorafgaande blaasprestaties.

2.16. Specificiteit

De specificiteit van de analysator drukt uit in welke mate het resultaat ongevoelig is aan andere bestanddelen dan ethanol.

2.17. Mondalcohol

Alcohol aanwezig in de afgegeven ademlucht, maar die niet afkomstig is van de longblaasjes.

2.18. Hyperventilatie

Ademhalingswijze die door een overmatige ademhaling het evenwicht verhindert tussen de ethanolconcentratie in het bloed en de alveolaire lucht.

2.19. Hypoventilatie

Ademhalingswijze die door een verminderde ademhaling het evenwicht verhindert tussen de ethanolconcentratie in het bloed en de alveolaire lucht.

2.20. “Wacht” stand

Toestand waarin slechts sommige elementen van de ademanalysator zijn gevoed, met als doel het verbruik te beperken en vlugger de stand “meting” te bereiken, dan vanuit de volledig uitgeschakelde toestand. In deze stand kan de ademanalysator geen meting uitvoeren.

2.21. “Klaar” stand

De toestand waarin de ademanalysator kan overgaan tot de inbreng van de gegevens, als voorbereiding op de aanvang van een meetcyclus.

2.22. “Meting” stand

Toestand waarin de ademanalysator de metingen kan uitvoeren aan het normale in gebruik voorziene tempo. In deze stand, die duidelijk moet zijn aangeduid, moet de ademanalysator voldoen aan de metrologische eisen die in de onderhavige technische voorschriften zijn gesteld.

3. Algemene voorschriften en specificaties

3.1. Algemeen

3.1.1. Voorschriften

De ademanalysatoren moeten de algemene voorschriften en de afzonderlijke toegepaste voorschriften vervullen. Indien afwijkende of bijkomende voorwaarden zijn opgenomen, hebben deze voorwaarden voorrang op de algemene voorschriften.

3.1.2. Robuustheid

De ademanalysatoren moeten een voldoende robuustheid vertonen bij normale gebruiksomstandigheden.

3.1.3 .Manipulatie

De manipulatie moet zo eenvoudig mogelijk zijn.

3.1.4 .Fouten in de bediening

Fouten in de bediening mogen niet tot beschadiging of tot foutieve metingen leiden.

3.1.5. Verbruik

Bij mobiel gebruik van een toestel dat door batterijen van een voertuig wordt gevoed mag het toestel en toebehoren in geen geval meer verbruiken dan 10 ampère.

3.2. Opnemingssysteem

3.2.1. Algemeen

Het opnemingsysteem bestaat uit een uitwisselbaar mondstuk dat eveneens dient als condensaat-afscheider en mogelijkerwijs uit een slang waarin kan worden geblazen. Deze slang moet toelaten zonder belemmering doorheen de analysator te blazen.

3.2.2. Mondstuk

De mondstukken moeten een anti-terugslaginrichting bevatten indien inademing van besmette lucht uit voorgaand gebruik mogelijk is.

De mondstukken moeten individueel en hygiënisch verpakt zijn.

De mondstukken moeten bij elke meting vervangen worden.

3.2.3. Slang

Om elke condensatie te voorkomen moet de temperatuur aan de binnenzijde van de mogelijkerwijs voorhanden blaasslang gestabiliseerd zijn op tenminste 34°C.

De temperatuur aan de buitenzijde van de blaasslang mag niet hoger zijn dan 45°C bij een omgevingstemperatuur van 20°C.

3.2.4. Blaasweerstand

De blaasweerstand van de analysator, uitgerust met zijn opnemingssysteem, mag 15 hPa niet overschrijden bij een debiet van 0,2 l/s.

Bij een debiet van 0,4 l/s mag de blaasweerstand in geen geval 25 hPa overschrijden.

3.3. Meeteenheid

De ethanolconcentraties in de adem zullen uitgedrukt worden in milligram ethanol per liter uitgeademde alveolaire lucht (mg/l).

3.4. Meetbereik

De bovenste grenswaarde bedraagt minstens 2,00 mg/L.

Wanneer de bovenste grenswaarde wordt overschreden zal het apparaat dit in de normale werkwijze duidelijk aangeven.

De onderste grenswaarde van het meetbereik bedraagt 0,03 mg/l. Voor alle waarden beneden de 0,03 mg/l mag het apparaat in de normale werkwijze 0,00 mg/l aanduiden.

3.5. Schaaldeel

De waarde van het schaaldeel in normale werkwijze is gelijk aan 0,01 mg/l.

De ademanalysator moet voorzien zijn van een werkwijze voor laboratoriumproeven.

In deze werkwijze moet men 0,001 mg/l kunnen aflezen vanaf 0,000 mg/l.

Dit voorschrift is van toepassing zowel voor de uitleeseenheid als voor de afdrukinrichting.

3.6. Meetcyclus

De meetcyclus bestaat uit één enkelvoudige geldige meting van de AAC.

Een persoon die een ademanalyse moet ondergaan, mag een tweede ademanalyse vragen. Indien het toestel mondalcohol waarneemt, zal een tweede meetcyclus worden uitgevoerd, evenwel met een tussentijd van minimum 15 minuten.

Bij een eventueel verschil tussen de twee resultaten, dat groter is dan de voorschriften van punt 4.3, zal een derde ademanalyse uitgevoerd worden. Indien de drie verschillen tussen de drie resultaten groter zijn dan de hoger vermelde nauwkeurigheidsvoorschriften, zal overgegaan worden naar een bloedproef.

3.7. Afronding

In normale werkwijze moet de afronding van het resultaat gebeuren op basis van het resultaat, bekomen in de werkwijze voor laboratoriumproeven, naar het meest nabije lagere schaaldeel.

3.8. Uitlezing

Het resultaat en de meldingen worden door alfanumerieke, in rij geplaatste karakters aangeduid.

De gebruikte meeteenheden of hun symbolen moeten voorkomen in de nabijheid van het resultaat en de hiervoor gebruikte karakters moeten tenminste 3 mm hoog zijn.

De hoogte van de karakters moet zodanig gekozen zijn dat deze gemakkelijk afleesbaar zijn in functie van de gebruikte technologie, met een minimum hoogte van 5 mm.

De uitlezingen moeten zowel bij duisternis als bij daglicht leesbaar zijn.

Op elk toestel moeten de meldingen in het Nederlands, in het Frans en in het Duits kunnen verschijnen.

Het resultaat en eindresultaat moeten tenminste gedurende 15 seconden kunnen worden waargenomen.

3.9. Afdrukinrichting

De ademanalysator moet voorzien zijn van een afdrukinrichting.

Indien de afdrukinrichting niet ingebouwd is, dient voorzien te worden in een beveiliging van de elektronische gegevens welke tussen ademanalysator en de afdrukinrichting worden uitgewisseld.

Het afgedrukt resultaat moet overeenstemmen met het uitgelezen resultaat.

De afdrukeenheid zal een zelftest bevatten teneinde de correcte afdruk van alle karakters te garanderen.

De afdruk zal leesbaar blijven gedurende minstens één maand, zelfs bij blootstelling aan daglicht of gelijkwaardig licht.

3.10. Meetprotocol

Het afgedrukte meetprotocol bevat volgende gegevens:

  • identiteitsgegevens van de testpersoon
  • naam en voornaam van de testpersoon
  • geboortedatum van de testpersoon
  • het resultaat van de zelftest van de afdrukinrichting
  • het type en het serienummer van de ademanalysator
  • de datum en de begin- en eindtijd van de volledige ademanalyse, instelbaar op het wettelijk uur
  • de tekst “goede werking geverifieerd” of ‘bon fonctionnement vérifié” of “gutes Funktionieren geprüft”
  • het nummer van de modelgoedkeuring
  • software versie van de ademanalysator
  • het resultaat van een blaasprestatie met volgende gegevens :
  • de tijd
  • de tekst “goede werking geverifieerd” of ‘bon fonctionnement vérifié” of “gutes Funktionieren geprüft”
  • autocalibratiewaarde indien van toepassing (zie § 3.13.2)
  • het resultaat van een blaasprestatie bevat het resultaat in mg/l in geval van een geldige meting, zoniet de reden van weigering
  • het eindresultaat, uitgedrukt in mg/l
  • een lege ruimte van minimum 3 cm hoogte om bijkomende inlichtingen te noteren
  • een ruimte voor handtekening van de operator

Elk eindresultaat genereert automatisch een meetprotocol, meerdere protocols moeten op verzoek kunnen afgedrukt worden.

3.11. Veiligheden

3.11.1. Hygiëne

De ademanalysator moet kunnen worden gebruikt in bevredigende hygiënische omstandigheden.

De mondstukken moeten onder een individuele en antiseptische verpakking geleverd worden.

3.11.2. Gebruiksveiligheid

De ademanalysator moet conform zijn aan de reglementen en normen betreffende de elektrische veiligheid en, voor het geval, betreffende gassen onder druk.

3.11.3. Operationele veiligheden

De ademanalysator moet onmiddellijk signaleren dat de voedingsspanning niet meer voldoet aan de voorwaarden om de voorschriften betreffende de nauwkeurigheden te waarborgen.

Onder deze omstandigheden moet het starten van een meetcyclus onmogelijk zijn.

3.11.4. Toegankelijkheid tot meetgedeelte

De bediening die toelaat van de normale werkwijze naar de werkwijze voor laboratoriumproeven over te gaan mag niet toegankelijk zijn voor de gebruiker.

De ademanalysator moet uitgerust zijn met een beveiliging van de elektronische gegevens.

Daarenboven mag het meetgedeelte en de eventuele bijkomende inrichtingen niet toegankelijk zijn voor de gebruiker zonder het verbreken van de verzegeling of het aanvaardingsmerk.

3.12. Normale werkwijze

De ademanalysator moet bij een omgevingstemperatuur van 20°C toelaten tot de “klaar” stand over te gaan:

  • in hoogstens 15 minuten na het onder spanning brengen;
  • in hoogstens 5 minuten vanuit de “wacht” stand.

De ademanalysator zal visueel en auditief signaleren dat hij klaar is voor de opname van een blaasprestatie. Deze beschikbaarheid moet minstens 1 minuut aanblijven.

De ademanalysator mag niet in “wacht” stand gaan tijdens de meetcyclus.

Een inrichting moet de start van een meetcyclus verhinderen indien het toestel zich niet in “meting” stand bevindt.

Het toestel moet in de “meting” stand toelaten opeenvolgende blaasprestaties uit te voeren aan een minimum tempo van één blaasprestatie per 3 minuten.

3.13. Controle van de goede werking

De controle van de goede werking bij elke meetcyclus omvat ten minste:

3.13.1. Nulpuntafstelling

De ademanalysator moet een nulpuntafstellingsinrichting bevatten die aan het begin van elke blaasprestatie automatisch in werking komt. De nulpuntafstelling moet met de omgevingslucht worden uitgevoerd.

De verdere werking van de ademanalysator zal verhinderd worden indien de ethanolconcentratie in de omgevingslucht hoger ligt dan 0,010 mg/l.

De ademanalysator moet de nulpuntafstelling signaleren van zodra ze is beëindigd.

3.13.2. Automatische kalibratie

De ademanalysator moet bij het begin en het einde van elke meetcyclus automatisch overgaan tot de kalibratie van elke meetcel, in het bereik begrepen tussen 0,20 en 0,40 mg/l.

De verdere werking van de ademanalysator zal verhinderd worden indien de calibratiefout hoger ligt dan 0,030 mg/l

Indien geen automatische kalibratie functie aanwezig is zal de werking van het toestel verhinderd worden als het maximum aantal analysen na de laatste verificatie van de meetnauwkeurigheid werd overschreden.

De ademanalysator zal een indicatie geven als het aantal resterende analysen kleiner is dan 10% van het maximum aantal. Het maximum aantal analysen wordt gespecifieerd door de fabrikant en vermeld in het modelgoedkeuringscertificaat.

3.13.3. Resultaat

Het resultaat van de controle van de goede werking wordt als volgt weergegeven op de uitleesinrichting :

  • “goede werking geverifieerd” of “bon fonctionnement vérifié” of “gutes Funktioniering geprüft”, als aan de voorgaande punten is voldaan,
  • in alle andere gevallen wordt een foutmelding gegeven en wordt het verdere gebruik van het toestel verhinderd.

3.14 Analyse

3.14.1. Meetcyclus

De analyse bestaat uit één meetcyclus. Indien de persoon die de ademanalyse moet ondergaan, een tweede ademanalyse vraagt, bestaat de analyse uit twee of meerdere meetcycli. Het eindresultaat is de laagste waarde van de enkelvoudig geldige meting ( gelegen binnen de maximaal toegelaten fout) of de melding van weigering van het eindresultaat.

3.14.2. Volume

Het minimum vereiste volume voor elke blaasprestatie bedraagt 1,9 l, gemeten vanaf een debiet van 0,2 l/sec.

Het volume van het monster noodzakelijk voor het bepalen van de AAC bedraagt maximum 0,4 l. De analyse of de staalname gebeurt in functie van het noodzakelijke volume van het monster, terug te rekenen vanaf 1,9 l.

3.14.3. Continuïteit

De analysator moet de continuïteit van het blazen controleren en op akoestische en optische wijze signaleren dat het ademdebiet groter blijft dan 0,2 l/s, totdat de opname van het te analyseren monster is beëindigd.

De blaasprestatie mag maximum 15 seconden duren.

3.14.4. Detectie van mondalcohol en hyperventilatie

De ademanalysator moet voorzien zijn van een detectie van mondalcohol en hyperventilatie.

De detectie zal gebeuren door het continu meten van de massaconcentratie tijdens de blaasprestatie. Voor draagbare, mobiele en ademanalysatoren met vaste standplaats die niet continu de massaconcentratie meten tijdens de blaasprestatie zal de detectie gebeuren volgens de methode A.2.2 van bijlage A van de internationale aanbeveling OIMLR126 editie 2012.

De tussentijd tussen de twee ademstalen moet minstens 5 minuten bedragen. Als het verschil tussen de twee gemeten ademstalen groter is dan het grootste van de volgende waarden :

  • 0,10 mg/l of
  • 20 % relatief tot het kleinste van de twee metingen,

dan moet het ademanalysetoestel de meetprocedure afbreken op basis van dat verschil.

3.14.5. Weigering van resultaat

De analysator mag niet uitnodigen tot een blaasprestatie indien de controle van de goede werking niet volbracht is zoals voorzien in punt 3.13 of indien belangrijke fysische storingen en /of invloeden beletten aan de voorschriften betreffende de nauwkeurigheden te voldoen.

De analysator mag geen meetwaarde afleveren indien niet voldaan is aan de voorwaarden van 3.14.2, 3.14.3 en 3.14.4.

In al deze gevallen duidt de analysator de redenen van de weigering aan.

3.15. Gegevensinvoer en -verwerking

De gegevensinvoer gebeurt via een klavier en/of een badge-lezer en/of een chiplezer.

De mogelijkheid tot statistische gegevensverwerking moet aanwezig zijn.

3.16. Opschriften en ijkmerken

3.16.1. Permanente opschriften

Op de ademanalysator moeten volgende vermeldingen zijn aangebracht:

  • de identificatie van de fabrikant en eventueel van de invoerder;
  • het type en het serienummer van de analysator;
  • het modelgoedkeuringsteken;
  • het gebruikstemperatuurgebied.

3.16.2. Ijkmerken

Elke ademanalysator zal vergezeld zijn van een ijkmerk.

De ademanalysator moet over de nodige ruimte beschikken om het ijkmerk aan te brengen. Goed zichtbaar voor de bediener moet het ijkmerk de vervaldatum vermelden.

3.16.3. Ijkcertificaat

Elke ademanalysator zal vergezeld zijn van een ijkcertificaat, opgemaakt door het organisme dat de ijking uitvoert.

3.16.4. Metrologisch boekje

De analysator zal vergezeld zijn van een metrologisch boekje, opgesteld in de drie landstalen. Dit boekje zal alle metrologisch noodzakelijke controle-operaties en hun resultaten bevatten. Ook de onderhoudsbeurten en herstellingen evenals iedere vastgestelde onregelmatigheid zullen daarin worden vermeld in slechts één landstaal.

3.17. Werkingsvoorwaarden

De werkingsvoorwaarden zijn de volgende:

  • temperatuur: 0 tot 40°C, en -5 tot 40°C voor draagbare ademanalysatoren.
  • relatieve vochtigheid: 30 tot 90 %.
  • atmosferische druk: 860 tot 1060 hPa
  • voltage stroomtoevoer voor ademanalysator met vaste standplaats: 230 V AC, - 15 % tot + 10%, 49 tot 51 Hz
  • voltage stroomtoevoer voor mobiele ademanalysator: 12,5 V ± 2 V.

4. Technische voorschriften

4.1. Referentieproefvoorwaarden

De referentie-omgevingsvoorwaarden voor de laboratoriumproeven zijn de volgende:

  • omgevingslucht: zuivere lucht
  • temperatuur: tussen 15 en 25°C
  • vochtigheidsgraad: tussen 30 en 70 % relatieve vochtigheid
  • luchtdruk: tussen 950 en 1050 hPa
  • voeding van de analysatoren met vaste standplaats: 230 V, 50 Hz ± 2%
  • voeding van de mobiele analysatoren: 12,5 V gelijkspanning.

4.2. Proefgassen

4.2.1. Proefgassen voor de foutkromme

De proeven van de foutkromme worden uitgevoerd met proefgassen van de volgende samenstelling:

  • Draaggas: zuivere lucht
  • Relatieve vochtigheid: 95 ± 5 % relatieve vochtigheid
  • Ethanolconcentraties:
    • proefgas 1 : 0,075 ± 0,025 mg/l ethanol
    • proefgas 2 : 0,25 ± 0,05 mg/l ethanol
    • proefgas 3 : 0,35 ± 0,05 mg/l ethanol
    • proefgas 4 : 1,50 ± 0,2 mg/l ethanol
    • proefgas 5 : 2,50 ± 0,2 mg/l ethanol.

Bij de keuze uit bovenstaande proefgassen moeten de mogelijke wettelijke of reglementaire gebonden drempels zo goed mogelijk benaderd worden.

Voor de opstelling van de foutkromme in het totale meetbereik wordt minstens een beroep gedaan op de bovenstaande proefgassen, afhankelijk van de mathematische interpolatiemethode voor de benadering van de desbetreffende meettechnologie.

4.2.2. Standaard-proefgassen

Voor alle testen, bepaald onder 4.6, 4.7.2, 4.10, 4.11 en 4.12, zal gebruik gemaakt worden van proefgas 3 van 4.2.1.

Indien de fout gevonden op de foutkromme, gedeeld door de maximum toegelaten fout voor dat bereik, een grotere afwijking vertoont binnen het bereik van 0,20 tot 1,00 mg, bij een andere concentratie dan deze van proefgas 3, zal een proefgas gebruikt worden met deze concentratie.

4.2.3. Referentie-proefgassen voor eerste ijk, herijk en technische controle

De mathematische interpolatiemethode voor het benaderen van de desbetreffende meettechnologie bepaalt het aantal referentieproefgassen uit 4.2.1, nodig voor eerste ijk, periodieke herijk en technische controle.

4.2.4. Aantal metingen

Het aantal metingen per proefgas voor een modelgoedkeuring bedraagt 10. Het aantal metingen per proefgas bij ijking en technische controle bedraagt 3.

4.3. Nauwkeurigheidsvoorschriften

4.3.1. Algemeen

De foutkromme wordt gemeten met de proefgassen aangegeven in 4.2.1. Het aantal gassen wordt bepaald in 4.2.4.

4.3.2. Voor nieuwe of herstelde ademanalysatoren

De maximaal toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min:

  • 0,02 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,4 mg/l lucht
  • 5% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,4 mg/l tot 1,0 mg/l lucht
  • 10% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 1,0 mg/l tot 2,0 mg/l lucht
  • 20% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 2,0 mg/l tot 3,0 mg/l lucht

4.3.3. Voor de analysatoren in gebruik

De maximum toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min:

  • 0,03 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,4 mg/l lucht
  • 7,5% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,4 mg/l tot 1,0 mg/l lucht
  • 15% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 1,0 mg/l tot 2,0 mg/l lucht
  • 30% in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 2,0 mg/l tot 3,0 mg/l lucht

4.3.4. Afronding

De fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig.

4.4. Foutkromme

4.4.1. Meting

De foutkromme moet worden gemeten met de proefgassen van 4.2.1.

De fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig.

4.4.2. Standaardafwijking

De berekening van de standaardafwijking gebeurt als volgt :

Voor de standaardafwijking geldt:

  • De standaardafwijking mag niet meer bedragen dan 0,007 mg/l voor de waarden tot 0,4 mg/l.
  • Voor de waarden vanaf 0,4 mg/l tot 1,0 mg/l mag de relatieve standaardafwijking niet meer bedragen dan 1,75 %.
  • Voor de waarden vanaf 1,0 mg/l tot 2,0 mg/l mag de relatieve standaardafwijking niet meer bedragen dan 3 %.
  • Voor de waarden vanaf 2,0 mg/l tot 3,0 mg/l mag de relatieve standaardafwijking niet meer bedragen dan 6 %.

4.5. Meting van de ademluchttemperatuur

Is niet van toepassing.

4.6. Drift

De drift gedurende een periode van 6 maand in de opslagvoorwaarden moet kleiner zijn dan 0,010 mg/l.

4.7. Hysteresis

4.7.1. Geheugeneffect

De proefgassen 4 en 2 van 4.2.1 worden alternerend elk 10 maal achtereen aan het hoogst mogelijk tempo geanalyseerd. De gemiddelde waarde, berekend op basis van de aldus bekomen resultaten met proefgas 2, wordt vergeleken met de gemiddelde waarde, berekend op basis van een normale cyclus van 10 metingen met proefgas 2.

Het geheugeneffect op het resultaat zal kleiner zijn dan 4% in relatieve waarde.

4.7.2. Residu-effect

Voor de meetresultaten, bekomen op basis van de twee opeenvolgende gasconcentraties, mag voor het tweede, tevens laagste resultaat een maximale afwijking vertonen die kleiner is dan de maximaal toegelaten fout.

De proef wordt uitgevoerd met twee opeenvolgende gasconcentraties die onderling slechts 0,1 mg/L verschillen

4.8. Specificiteit

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, annex C, uitgezonderd de maximale invloed van de interfererende stoffen die 0,09 mg/l niet mag overschrijden.

De invloed van CO2 en waterdamp moeten bij de bepaling van de AAC als een correctie op het meetresultaat berekend worden.

4.9. Openluchttesten

Draagbare ademanalysatoren die in open lucht gebruikt worden moeten minstens IP 52 vervullen.

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de norm EN 60529:1991 + A1:2000.

4.10. Fysische invloedsfactoren

4.10.1. Limietwaarden van de invloedsfactoren.

De limietwaarden komen overeen met de werkingsvoorwaarden van 3.17.

Bij de extreme werkingsvoorwaarden moet de analysator voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van 4.3.

4.10.2. Specificaties

De resultaten moeten de maximum toegelaten fouten respecteren.

4.11. Invloed van de variatie van de parameters van de referentie-proefgassen

4.11.1.  Invloed van de massaconcentratie van CO2:

Massa concentratie bij een volume CO2 van 10%.

4.11.2. Invloed van mondalcohol:

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998 bijlage A, § 6, voor ademanalysetoestellen die tijdens de blaasprestatie continu de massaconcentratie meten.

Voor ademanalysetoestellen die niet continu de massaconcentratie meten tijdens de blaasprestatie bestaat de uit te voeren test uit vijf meetcycli van 2 metingen met een tussentijd van minstens 5 minuten tussen de 2 metingen. De eerste meting wordt uitgevoerd met proefgas 3 met een concentratie van 0,40 mg/l en, na minstens 5 minuten, de tweede meting met proefgas 2 met een concentratie van 0,25 mg/l. Het toestel moet na elke cyclus als resultaat “mondalcohol” aangeven.

4.12. Fysische storingen

4.12.1. Trillingen

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 - editie 1998, sectie D.3.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de trillingen.

4.12.2. Mechanische schokken

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.4.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de schokken.

4.12.3. Warmte-vochtigheidscyclus (enkel voor draagbare en mobiele ademanalysatoren)

De proef wordt uitgevoerd voor mobiele ademanalysatoren volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.8 met 2 uur wachttijd bij normale omgevingsvoorwaarden.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de wachttijd.

4.12.4. Schudden (enkel voor draagbare en mobiele ademanalysatoren)

De proef wordt uitgevoerd voor mobiele ademanalysatoren volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.10.

De 10 proeven worden uitgevoerd na het schudden.

4.12.5. Reductie van de elektrische voeding voor wisselspanning

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.1.

De 10 proeven worden uitgevoerd tijdens de storing.

4.12.6. Opslagvoorwaarden voor draagbare en mobiele toestellen

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.9.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de test, rekening houdend met een wachttijd op normale omgevingstemperatuur van 1 uur.

4.12.7. Elektrostatische ontlading

De proef wordt uitgevoerd volgens norm IEC 60801-2, met:

  • 4 kV ontlading bij contact
  • 8 kV ontlading in de lucht.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de storing.

4.12.8. Parasitaire spanning en storingen op de voeding

De proef wordt uitgevoerd:

  • voor wisselspanning volgens norm IEC 60801-4 met gestrengheidniveau 3, en
  • voor gelijkspanning volgens norm ISO 7637 met gestrengheidniveau 4,

De meetcycli worden uitgevoerd tijdens de storing.

4.12.9. Elektromagnetische immuniteit

De proef wordt uitgevoerd volgens norm IEC 61000-4-3:1995 met gestrengheidniveau 3.

De meetcycli worden uitgevoerd tijdens de storing.

4.12.10. Magnetische immuniteit

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.7.

De meetcycli worden uitgevoerd tijdens de storing.

In geval van de afzonderlijk toegepaste storing 4.12.5 moet de ademanalysator in 9 van de 10 proeven per storing een correct resultaat afleveren.

In geval van afzonderlijk toegepaste storingen 4.12.8 tot 4.12.10 moet de ademanalysator ongevoelig blijven en een correct meetresultaat afleveren.

5. Documentatie

5.1. Gebruiksaanwijzing

Bij iedere analysator moet een gebruiksaanwijzing gevoegd worden waarin met name het volgende staat:

  • het gebruiksoverzicht;
  • de uitvoerige gebruikswijze met o.a. vermelding van: het tijdsinterval of het aantal analysen tussen de verificaties en onderhoudsbeurten en de voorschriften voor reiniging;
  • het meetbereik van de analysator;
  • de te nemen voorzorgen tegen de eventuele invloed van elektromagnetische of magnetische velden en tegen voedingsstoringen;
  • de te nemen voorzorgen bij het verplaatsen en tijdens het vervoer;
  • de voorwaarden voor de installatie van mobiele ademanalysatoren aan boord van de voertuigen;
  • de opslagvoorwaarden van de analysator.  

Deze gebruiksaanwijzing zal beschikbaar zijn in het Nederlands, in het Frans en in het Duits.

5.2. Technische documentatie.

Voor de modelgoedkeuringsproeven moet de aanvraag, in drievoud, vergezeld zijn van documenten die ter beoordeling ervan noodzakelijk zijn, met name :

  • een beschrijvende nota met bijzonderheden over de constructie en de werking, de beveiligingsinrichtingen die de goede werking waarborgen, de regel- en justeerinrichtingen, de opschriften, de voor het aanbrengen van ijkmerken en gebeurlijke verzegelingen voorziene plaatsen;
  • de montageschema's en, in voorkomend geval, de schema's van de metrologisch belangrijke onderdelen;
  • een principeschema en foto's bestemd voor de publicatie van de modelgoedkeuringsbeslissing;
  • gedetailleerde beschrijving van de besturingssoftware en zijn karakteritieken (inclusief identificatie van de versie), beschrijving van de werking inclusief een verklarende lijst van de datavariabelen en de omstandigheden waarin deze variabelen mogen worden toegepast;
  • details van het test- en validatieprogramma dat de software heeft doorlopen;
  • specifieke apparatuur, specifiek gereedschap of software nodig om het toestel in de laboratoriummode te plaatsen voor het justeren en verifiëren van het toestel.

6. Eerste ijk, herijk, technische controle

6.1. Metingen.

De proefgassen worden bepaald in 4.2.3.

Het aantal metingen wordt bepaald in 4.2.4.

6.2. Maximum toegelaten fouten.

De fouten mogen de maximum toegelaten waarde niet overschrijden :

  • voor de nieuwe of herstelde analysatoren, tijdens de eerste ijk;
  • voor de analysatoren in gebruik, tijdens de herijk en de technische controles.

6.3. Geldigheidsduur van de ijkverrichtingen.

De eerste ijk, de herijk en de technische controles blijven één jaar geldig.

Na iedere ijkverrichting wordt de vervaldatum van de ijkverrichting door het proeflaboratorium op de ademanalysator aangebracht.