21 APRIL 2007. - Koninklijk besluit betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen.
[BS 02.05.2007]

Bijlage 1. Technische voorschriften van de ademtesttoestellen

1. Toepassingsgebied.

De onderhavige technische voorschriften zijn van toepassing op draagbare elektronische testtoestellen voor de detectie van het niveau van alcoholopname op basis van de ethanolconcentratie ten opzichte van de hieronder vermelde drempels van alcoholconcentratie in een uitgeademd monster lucht dat een voldoende hoeveelheid alveolaire lucht bevat :

— 0,09 mg/l, 0,22 mg/l en 0,35 mg/l voor de bestuurders bedoeld in artikel 34, § 3, a) en b), van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, hierna “professionele bestuurders” genoemd;

— 0,22 mg/l en 0,35 mg/l voor de andere bestuurders dan die bedoeld in artikel 34, § 3, a) en b), van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, hierna “nietprofessionele bestuurders” genoemd.

2. Weergave van de resultaten.

De door de toestellen verkregen resultaten moeten ten minste gedurende 2 minuten kunnen worden waargenomen en op elk ogenblik door de bedienaar kunnen worden uitgeschakeld.

De aanduiding van de juiste alcoholconcentratiewaarde mag slechts gebeuren met behulp van de inrichtingen voorzien in punt 8.

2.1. Weergave van de resultaten voor de professionele bestuurders.

De toestellen duiden de alcoholconcentratie aan van de gemeten adem ten opzichte van de waarden 0,09 mg/l, 0,22 mg/l en 0,35 mg/l.

De aanduiding moet gebeuren door middel van vier verklikkercodes :

  1. de concentratie is minder dan 0,09 mg/l (groen en/of S);
  2. de concentratie is ten minste 0,09 mg/l maar minder dan 0,22 mg/l (geel en/of A1);
  3. de concentratie is ten minste 0,22 mg/l maar minder dan 0,35 mg/l (oranje en/of A);
  4. de concentratie is ten minste 0,35 mg/l (rood en/of P).

2.2. Weergave voor niet-professionele bestuurders.

De toestellen duiden de alcoholconcentratie aan van de gemeten adem ten opzichte van de waarden 0,22 mg/l en 0,35 mg/l.

De aanduiding moet gebeuren door middel van drie verklikkercodes :

  1. de concentratie is minder dan 0,22 mg/l (groen en/of S);
  2. de concentratie is ten minste 0,22 mg/l maar minder dan 0,35 mg/l (oranje en/of A);
  3. de concentratie is ten minste 0,35 mg/l (rood en/of P).

3. Inrichtingen die de goede werking signaleren.

3.1. Onder alle normale gebruiksomstandigheden moet een inrichting signaleren dat het toestel klaar is om een goede werking te verzekeren bij de te verrichten test.

Indien het toestel niet klaar is, moet het de test verhinderen.

3.2. Het toestel moet controleren dat de uitademing op een continue wijze gebeurt met een minimum debiet van 0,1 l/s tot een volume van 1,2 l wordt bereikt. Indien dit niet het geval is, moet dit worden gesignaleerd en mag geen enkel resultaat worden aangeduid.

4. Gebruiksvriendelijkheid en stevigheid.

4.1. Het gebruik van het toestel moet ergonomisch verantwoord zijn en mag slechts eenvoudige handelingen vergen die zelfs bij een niet gespecialiseerde bedienaar, elk risico van vergetelheid of fouten uitsluit.

Bij elke ademtest moet de keuzemogelijkheid worden geboden tussen professionele en niet-professionele bestuurders.

4.2. Bij een omgevingstemperatuur van + 20 °C moeten de toestellen toelaten testen uit te voeren binnen een tijd korter dan 3 minuten na hun inwerkingstelling en binnen een tijd korter of gelijk aan :

  • 1 minuut na een test met een alcoholconcentratie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mg/l
  • 2 minuten na een test met een alcoholconcentratie van 0,35 mg/l
  • 3 minuten na een test met een alcoholconcentratie groter of gelijk aan 1 mg/l (zie punt 9.4).

4.3. De blaasweerstand mag een druk van 20 hPa niet overschrijden bij een luchtdebiet van 0,1 l/s.

4.4. Alle onderdelen van het toestel alsmede het toebehoren moeten een voldoende robuustheid vertonen bij normale gebruiksomstandigheden.

5. Voorwaarden op het vlak van hygiëne en veiligheid.

5.1. Het toestel moet kunnen worden gebruikt onder bevredigende voorwaarden op hygiënisch vlak.

5.2. Het toestel mag geen enkel gevaar opleveren, vooral niet tijdens het gebruik.

5.3. Het toestel moet een inrichting bevatten die een onvoldoende elektrische voeding aanduidt.

5.4. De bedieningen van de justeringsinrichtingen mogen slechts manipuleerbaar zijn met specifiek gereedschap.

6. Autonomie.

De toestellen moeten een autonome elektrische voeding bevatten waarmee ten minste 100 geldige testen kunnen worden uitgevoerd bij een temperatuur van –5°C. De eerste 75 testen worden uitgevoerd met een concentratie van 0,00mg/l aan het maximale tempo. De volgende 25 testen worden uitgevoerd met een concentratie van 1 mg/l eveneens aan het maximale tempo.

Indien de batterij van het toestel niet meer voldoende energie kan leveren om een geldige test uit te voeren, zal de verdere werking van het testtoestel worden verhinderd.

Indien het toestel voorzien is van een oplaadbare batterij, dient een geschikte laadinrichting meegeleverd te zijn, die daarbij de batterij beschermt tegen overlading.

7. Justering.

De toestellen moeten geleverd worden met een inrichting die toelaat op een gemakkelijke en vlugge wijze tot hun justering over te gaan met inachtneming van de bepalingen van punt 5.4.

8. Kalibratiewijzen.

Het moet met behulp van bijkomende specifieke apparatuur of specifiek gereedschap mogelijk zijn :

  • de juiste alcoholconcentratiewaarde te meten;
  • de omslag- en terugslagdrempels van de verklikkercodes, indien nodig, te verifiëren (zie punt 2).

9. Laboratoriumproeven.

9.1. Referentievoorwaarden.

Voor de laboratoriumproeven moet men voorafgaandelijk overgaan tot het justeren van het toestel volgens de door de fabrikant voorgeschreven methode (in de gebruiksaanwijzing aangehaald in punt 11).

De referentie-omgevingsvoorwaarden voor de justering en voor de laboratoriumproeven zijn de volgende :

  • temperatuur : tussen 15 en 25 °C;
  • vochtigheidsgraad : tussen 30 en 70 %;
  • luchtdruk : tussen 950 en 1050 hPa.

9.2. Proefgas.

De proeven worden uitgevoerd met proefgassen van de volgende samenstelling :

  • draaggas : zuivere lucht;
  • de concentratie ethanol, bij 34 °C en bij 1013 hPa, moet zijn begrepen tussen 0,20 en 0,40 mg/l en gekend op 2 % na.

Bij de ingang van het toestel zijn de voorwaarden voor deze proefgassen de volgende :

  • temperatuur : 34 +/- 0,2 °C;
  • relatieve vochtigheid : ten minste 90 %.

9.3. Meetnauwkeurigheid.

Voor 10 opeenvolgende metingen van het proefgas :

  • mag het dispersiebereik d.w.z. het verschil tussen de twee uiterste meetwaarden, 0,04 mg/l niet overschrijden;
  • mag de juistheidsfout, d.w.z. de afwijking tussen het gemiddelde van de 10 gemeten waarden en de gekende concentratie van het proefgas 0,03 mg/l niet overschrijden, in min noch in meer.

9.4. Geheugeneffect.

Men doet het toestel 10 maal de volgende cyclus ondergaan :

a) het toestel in werking stellen;
b) zodra het toestel aanduidt dat het klaar is, overgaan tot de test van een gas met een ethanolconcentratie van ongeveer 1 mg/l;
c) aanstonds de aanduiding van het resultaat uitschakelen;
d) zodra het toestel opnieuw klaar is, een gas testen zoals gedefinieerd in punt 9.2.;
e) aanstonds het nieuwe resultaat uitschakelen na het genoteerd te hebben;
f) de cyclus vanaf punt b) hierboven herhalen.

Het gemiddelde van de 10 aldus gemeten waarden bij de test van het proefgas mag niet meer dan 0,03 mg/l verschillen van het gemiddelde dat bekomen werd met hetzelfde proefgas volgens de procedure uiteengezet in punt 9.3.

9.5. Drift.

Aan de voorschriften van punt 9.3. moet voldaan blijven gedurende de maximale tussentijd tussen twee opeenvolgende justeringen zoals vermeld in de gebruiksaanwijzing voorzien in punt 11.

9.6. Invloedsfactoren.

De toestellen moeten kunnen gebruikt worden ondanks de schommeling van sommige invloedsfactoren, waarvoor volgende limietwaarden zijn vastgesteld :

  Laagste waarde Hoogste waarde
Omgevingstemperatuur - 5°C + 40°C
Omgevingsvochtigheidsgraad 30 % 90 %
Elektrische voeding Minimum voorzien Maximum mogelijk

Elke invloedsfactor wordt afzonderlijk beschouwd.

De onder deze voorwaarden bekomen resultaten mogen niet meer dan 0,03 mg/l verschillen van deze bekomen onder de referentievoorwaarden.

9.7. Nauwkeurigheid van de verklikkerdoos (voor toestellen met instelbare drempels).

Men meet de omslag- en terugslagdrempels van de vier verklikkercodes, gebruik makend van de inrichtingen bedoeld in punt 8.

Deze drempels moeten overeenstemmen met de waarden 0,09 mg/l, 0,22 en 0,35 mg/l op 0,01 mg/l na.

10. Proeven voor praktisch gebruik.

Gedurende deze proeven zal bijzondere aandacht besteed worden aan :

10.1. Materiële voorstelling :

  • gewicht,
  • afmetingen,
  • draaggemak,
  • gemak van aflezing van het resultaat,
  • robuustheid.

10.2. Het inwerking stellen van het materieel :

  • gemakkelijkheid,
  • vlugheid,
  • blaasduur,
  • blaaskracht,
  • hygiëne.

10.3. Gebruiksdiensten :

  • autonomie van de batterijen,
  • opladingsduur van de accumulatoren (in voorkomend geval),
  • aantal justeringen die met elk toebehoren kunnen uitgevoerd worden in het geval dat de justeringsprocedure deze vereist (standaardgasfles bijvoorbeeld).

10.4. Specificiteit :

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de internationale aanbeveling OIML R 126 – 1998, annex C, uitgezonderd de maximale invloed van de interfererende stoffen die 0,09 mg/l niet mag overschrijden.

Indien het toestel gevoelig is aan CO2 wordt deze gevoeligheid als een correctie op het meetresultaat toegepast.

10.5. Openluchttesten

Voor het gebruik in open lucht moeten de toestellen minstens IP 52 vervullen.

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de norm EN 60529:1991 + A1:2000.

10.6. Fysische storingen

10.6.1. Trillingen

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.3.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de trillingen.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.2 Mechanische schokken

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling R 126 – editie 1998, sectie D.4 bij een hoogte van 50mm.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de schokken.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.3. Slagbestendigheid :

De proef wordt uitgevoerd volgens de norm EN 60068-2 Test Ea.

Aantal schokken: 3

Amplitude: 50G

Duur: 11 ms

Vorm: Halve sinus

Richtingen: 6

De 10 proeven worden uitgevoerd na de schokken.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

De proef mag worden uitgevoerd met het toestel in de draagtas.

10.6.4 Warmte-vochtigheidscyclus

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.8 met 2 uur wachttijd bij normale omgevingsvoorwaarden.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de wachttijd.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.5 Schudden

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.10.

De 10 proeven worden uitgevoerd na het schudden.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.6  Opslagvoorwaarden :

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.9.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de test, rekening houdend met een wachttijd op normale omgevingstemperatuur van 1 uur.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.7  Elektrostatische ontlading

De proef wordt uitgevoerd volgens norm IEC 60801-2, met:

  • 4 kV ontlading bij contact
  • 8 kV ontlading in de lucht.

De 10 proeven worden uitgevoerd na de storing.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.8  Elektromagnetische immuniteit

De proef wordt uitgevoerd volgens norm IEC 61000-4-3:1995 met gestrengheidniveau 3.

De meetcycli worden uitgevoerd tijdens de storing.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

10.6.9  Magnetische immuniteit

De proef wordt uitgevoerd volgens de internationale aanbeveling OIML R 126 – editie 1998, sectie D.7.

De meetcycli worden uitgevoerd tijdens de storing.

Het toestel moet hierbij voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 9.3.

In geval van afzonderlijk toegepaste storingen 10.6.8 en 10.6.9 moet het toestel ongevoelig blijven en een correct meetresultaat afleveren.

11. Gebruiksaanwijzing.

Elk toestel moet vergezeld zijn van een gebruiksaanwijzing die nadere uitleg geeft over :

  • de gebruikswijze;
  • de onderhouds- en reinigingsverrichtingen;
  • het te eerbiedigen justeringsinterval in tijd en in aantal blaasprestaties.

Deze gebruiksaanwijzing moet beschikbaar zijn in het Nederlands, in het Frans en in het Duits.

12. Documentatie.

Voor de laboratoriumproeven moeten de toestellen vergezeld zijn van :

  • een volledige en gedetailleerde beschrijving van het toestel;
  • een volledige technische uiteenzetting over de werking van het toestel;
  • volledige technische specificaties van het toestel;
  • kalibratie- en justeringsprocedure;
  • een volledig elektronisch schema en pcb-layout met een duidelijke indicatie van alle componenten;
  • schema van de mechanische samenstelling van het toestel;
  • beschrijving van de interne analytische eenheid van het toestel;
  • gedetailleerde beschrijving van de besturingssoftware en zijn karakteristieken (inclusief identificatie van de versie), beschrijving van de werking inclusief een verklarende lijst van de datavariabelen en de omstandigheden waarin deze variabelen mogen worden toegepast;
  • details van het test- en validatieprogramma dat de software heeft doorlopen;
  • specifieke apparatuur, specifiek gereedschap of software nodig om het toestel in de laboratoriummode te plaatsen voor het justeren en verifiëren van het toestel.