26 NOVEMBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
[BS 09.12.2010]

Bijlage 1

BIJKOMENDE TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR DE ALCOHOLSLOTEN :

1. Voorwerp.

Deze bijlage is geldig voor alcoholsloten die het starten van het voertuig verhinderen door het meten van de ademalcohol concentratie in de uitgeademde alveolaire lucht op basis van de ethanolconcentratie.

2. Definities

2.1. Alcoholslot :

Inrichting die het starten van een motorvoertuig verhindert, tenzij de bestuurder een ademtest aflegt met als meetresultaat een alcoholconcentratie beneden de ingestelde drempel.

2.2 Uitgeademde alveolaire lucht

Lucht afkomstig uit de longblaasjes. Het volume van de uitgeademde alveolaire lucht moet gereduceerd worden tot 34 °C en de omgevingsdruk.

2.3. Ethanol

De chemische substantie ethylalcohol.

2.4. Blaasprestatie

Is een actie van een proefpersoon die erin bestaat zonder onderbreking een hoeveelheid lucht in het alcoholslot te blazen.

2.5. Duur van een blaasprestatie

Tijd gedurende dewelke de uitgeademde lucht tijdens de blaasprestatie boven een opgegeven minimum debietwaarde uitstijgt.

2.6. Ademalcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht (AAC)

De massaconcentratie van ethanol gemeten in de uitgeademde lucht op het einde van een geldige blaasprestatie. De AAC wordt weergegeven in mg ethanol per liter uitgeademde lucht.

2.7. Resultaat

Het gevolg van een meting in de laboratoriumwerkwijze, uitgedrukt in mg/l., doch voor de gebruiker op het toestel uitgedrukt in « OK » of « Niet OK ».

2.8. Specificiteit

De specificiteit van het alcoholslot drukt uit in welke mate het resultaat ongevoelig is aan andere bestanddelen dan ethanol.

2.9. « Wacht »-stand

Toestand voorafgaand aan de « klaar »-stand waarbij het alcoholslot een opwarming- en controlecyclus doorloopt. In deze stand kan het alcoholslot geen meting uitvoeren.

2.10. « Klaar »-stand

Toestand waarin het alcoholslot de meting kan uitvoeren. In deze stand, die duidelijk moet zijn aangeduid, moet het alcoholslot voldoen aan de metrologische eisen die in de onderhavige technische voorschriften zijn gesteld.

2.11. Normale werkwijze

Werkwijze voorzien voor de gebruiker van het alcoholslot.

2.12. Laboratorium werkwijze

Werkwijze voorzien voor gebruik tijdens de modelgoedkeuringsproeven, de eerste ijk, de herijk en de technische controle.

3. Algemene voorschriften en specificaties

3.1. Algemeen

3.1.1. Voorschriften

De alcoholsloten moeten de algemene voorschriften en de afzonderlijke toegepaste voorschriften vervullen. Indien afwijkende of bijkomende voorwaarden zijn opgenomen, hebben deze voorwaarden voorrang op de algemene voorschriften.

3.1.2. Bediening

De bediening van het alcoholslot moet zo eenvoudig mogelijk zijn.

3.1.3. Fouten in de bediening

Fouten in de bediening mogen niet tot beschadiging of tot foutieve resultaten leiden.

3.2. Opnemingssysteem

3.2.1. Algemeen

Het opnemingsysteem bestaat uit een uitwisselbaar mondstuk dat eveneens dient als condensaatafscheider.

3.2.2. Mondstuk

De mondstukken moeten individueel en hygiënisch verpakt zijn.

De mondstukken moeten bij elke meting vervangen worden, tenzij anders vermeld in de modelgoedkeuring, en de mondstukken droog, zuiver en zonder zichtbare schade of slijtage zijn.

3.2.3. Blaasweerstand

De blaasweerstand van het alcoholslot, uitgerust met zijn opnemingssysteem, mag 15 hPa niet overschrijden bij een debiet van 0,2 l/s.

Bij een debiet van 0,4 l/s mag de blaasweerstand in geen geval 25 hPa overschrijden.

3.3. Schaaldeel

Het alcoholslot moet voorzien zijn van een werkwijze voor laboratoriumproeven.

In deze werkwijze moet men 0,001 mg/l kunnen aflezen vanaf 0,000 mg/l.

Dit voorschrift is van toepassing zowel voor de uitleeseenheid als voor de opgeslagen meetgegevens.

3.4. Afronding

In normale werkwijze moet de afronding van het resultaat gebeuren op basis van het resultaat, bekomen in de werkwijze voor laboratoriumproeven, naar het meest nabije lagere schaaldeel.

3.5. Uitlezing

De meldingen worden door alfanumerieke, in rij geplaatste karakters, aangeduid.

De hoogte van de karakters moet zodanig gekozen zijn dat deze gemakkelijk afleesbaar zijn.

De uitlezingen moeten zowel bij duisternis als bij daglicht leesbaar zijn.

Op elk toestel moeten de meldingen in het Nederlands, in het Frans en in het Duits kunnen verschijnen.

3.6. Veiligheden

3.6.1. Hygiëne

Het alcoholslot moet kunnen worden gebruikt in bevredigende hygiënische omstandigheden.

3.6.2. Gebruiksveiligheid

Het alcoholslot moet conform zijn aan de reglementen en normen betreffende de elektrische veiligheid en, in voorkomend geval, betreffende gassen onder druk.

3.6.3. Toegankelijkheid tot meetgedeelte

De bediening die toelaat van de normale werkwijze naar de werkwijze voor laboratoriumproeven over te gaan mag niet toegankelijk zijn voor de gebruiker.

Het alcoholslot moet uitgerust zijn met een beveiliging van de elektronische gegevens.

Daarenboven mag het meetgedeelte en de eventuele bijkomende inrichtingen niet toegankelijk zijn voor de gebruiker zonder het verbreken van de verzegeling of het aanvaardingsmerk.

3.7. Normale werkwijze

Het alcoholslot zal visueel en auditief signaleren dat het klaar is voor de opname van een blaasprestatie. Deze beschikbaarheid moet minstens 1 minuut aanblijven.

Een inrichting moet de start van een meetcyclus verhinderen indien het toestel zich niet in « klaar »-stand bevindt.

3.7.1. Volume

Het minimum vereiste volume voor elke blaasprestatie bedraagt 1,2 l, gemeten vanaf een debiet van 0,2 l/sec.

Het volume van het monster noodzakelijk voor het bepalen van de AAC bedraagt maximum 0,4 l.

De analyse of de staalname gebeurt in functie van het noodzakelijke volume van het monster, terug te rekenen vanaf 1,2 l.

3.7.2. Continuïteit

Het alcoholslot moet de continuïteit van het blazen controleren en op akoestische en optische wijze signaleren dat het ademdebiet groter blijft dan 0,2 l/s, totdat de opname van het te analyseren monster is beëindigd. De blaasprestatie mag maximum 15 seconden duren.

3.8. Opschriften en ijkmerken

3.8.1. Permanente opschriften

Op het alcoholslot moeten volgende vermeldingen zijn aangebracht :

- de identificatie van de fabrikant en eventueel van de invoerder;
- het type en het serienummer van het alcoholslot;
- het modelgoedkeuringsteken;
- het gebruikstemperatuurgebied.

3.8.2. IJkmerken

Elk alcoholslot zal vergezeld zijn van een ijkmerk.

Goed zichtbaar voor de bediener moet het ijkmerk de uiterste vervaldatum vermelden.

3.8.3. Metrologisch boekje

Het alcoholslot zal vergezeld zijn van een metrologisch boekje, opgesteld in de drie landstalen. Dit boekje zal alle metrologisch noodzakelijke controle-operaties en hun resultaten bevatten. Ook de onderhoudsbeurten en herstellingen evenals iedere vastgestelde onregelmatigheid zullen daarin worden vermeld in slechts één landstaal.

4. Technische voorschriften

4.1. Referentieproefvoorwaarden

De referentie-omgevingsvoorwaarden voor de laboratoriumproeven zijn de volgende :

- omgevingslucht : zuivere lucht
- vochtigheidsgraad : tussen 30 en 70 % relatieve vochtigheid
- luchtdruk : tussen 950 en 1 050 hPa
- voeding : 12,5 V (+5 %) of 24V (+5 %) gelijkspanning in functie van de specificatie van de fabrikant en van de voedingsspanning van het voertuig.

4.2. Proefgassen

4.2.1. Proefgassen voor de foutkromme

De proeven van de foutkromme worden uitgevoerd met proefgassen van de volgende samenstelling :

- Draaggas : zuivere lucht
- Relatieve vochtigheid : 95 + 5 % relatieve vochtigheid
- Temperatuur : 34 + 0.2 °C
- Ethanolconcentraties :

o proefgas 1 : 0,10 + 0,05 mg/l ethanol
o proefgas 2 : 0,25 + 0,05 mg/l ethanol
o proefgas 3 : 0,35 + 0,05 mg/l ethanol

4.2.2. Referentie-proefgassen voor eerste ijk, herijk en technische controle

De mathematische interpolatiemethode voor het benaderen van de desbetreffende meettechnologie en de drempel die het starten van het voertuig verhindert, bepaalt het aantal referentieproefgassen uit 4.2.1, nodig voor eerste ijk, periodieke herijk en technische controle.

4.2.3. Aantal metingen

Het aantal metingen per proefgas wordt bepaald door de Dienst Metrologie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

4.3. Nauwkeurigheidsvoorschriften

4.3.1. Algemeen

Het alcoholslot moet voldoen aan de voorschriften bepaald in norm NBN EN 50436-1 en aan de bijkomende voorschriften van deze bijlage.

4.3.2. Voor nieuwe of herstelde alcoholsloten

De maximaal toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min :

- 0,02 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,250 mg/l lucht

- 10 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,25 mg/l tot 0,4 mg/l lucht

4.3.3. Voor de alcoholsloten in gebruik

De maximum toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min :

- 0,03 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,25 mg/l lucht

- 15 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,25 mg/l tot 0,4 mg/l lucht

4.3.4. Afronding

De fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig.

4.4. Foutkromme

4.4.1. Meting

De foutkromme moet worden gemeten met de proefgassen van 4.2.1.

De fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig.

4.4.2. Standaardafwijking

De berekening van de standaardafwijking gebeurt als volgt :

Voor de standaardafwijking geldt :

- De standaardafwijking mag niet meer bedragen dan 0,012 mg/l bij proefgas 1.

4.5. Functionele test :

De functionele testen van paragraaf 5 worden uitgevoerd in overeenstemming met de norm NBN EN 50436 -1 waarbij de ethanoldrempel van het alcoholslot op 0,09 mg/l wordt ingesteld.

Voor de test type 1 en 2 van paragraaf 7.5 van de norm NBN EN 50436-1 wordt gebruik gemaakt van de alcoholconcentraties 0,05 mg/l en 0,13 mg/l behorende tot proefgas 1 van paragraaf 4.2.1. om respectievelijk het starten en het verhinderen van het starten van het motorvoertuig toe te laten.

Voor de test type 3 van paragraaf 7.5 van de norm NBN EN 50436 -1 zal ieder individueel resultaat niet meer bedragen dan 0,03 mg/l.

5. Invloedsproeven :

5.1. Temperatuur en voedingsspanning :

De proeven worden uitgevoerd in overeenstemming met paragraaf 8.4.2 van de norm NBN EN 50436 -1 en in overeenstemming met paragraaf 4.5.

De proef wordt uitgevoerd bij -20 °C, 0°C en 70 °C omgevingstemperatuur. Onder deze omgevingscondities zal het toestel voldoen aan de vereisten van de functionele test type 2 van paragraaf 4.5.

5.2. Opwarmtijd :

De proeven worden uitgevoerd in overeenstemming met paragraaf 8.4.4 van de norm NBN EN 50436 -1 en in overeenstemming met paragraaf 4.5 bij een omgevingstemperatuur van 20 °C en -10 °C. Onder deze omgevingscondities zal het toestel voldoen aan de vereisten van de functionele test type 2 van paragraaf 4.5.

5.3. Specificiteit

De proef wordt uitgevoerd in overeenstemming met de norm NBN EN 50436 -1 waarbij de ethanol drempel van het alcoholslot op 0,09 mg/l wordt ingesteld. Deze proef dient niet uitgevoerd te worden indien de fabrikant aan de hand van een testrapport, uitgereikt door een instelling bedoeld in artikel 6, kan aantonen dat de gemeten concentraties lager liggen dan 0,09 mg/l voor de testgassen vermeld in artikel 8.7.1 van de norm NBN EN 50436 -1.

6. Documentatie

6.1. Gebruiksaanwijzing

Bij ieder alcoholslot moet een gebruiksaanwijzing gevoegd worden waarin met name het volgende staat :

- het gebruiksoverzicht;

- de uitvoerige gebruikswijze met o.a. vermelding van : het tijdsinterval en/of het aantal analysen tussen de verificaties en onderhoudsbeurten en de voorschriften voor reiniging;

- het meetbereik van het alcoholslot;

- de opslagvoorwaarden van het alcoholslot.

Deze gebruiksaanwijzing zal tenminste beschikbaar zijn in het Nederlands, in het Frans en in het Duits.

6.2. Technische documentatie.

Voor de modelgoedkeuringsproeven moet de aanvraag, in drievoud, vergezeld zijn van documenten die ter beoordeling ervan noodzakelijk zijn, met name :

- een beschrijvende nota met bijzonderheden over de constructie en de werking, de beveiligingsinrichtingen die de goede werking waarborgen, de regel- en justeerinrichtingen, de opschriften, de voor het aanbrengen van ijkmerken en gebeurlijke verzegelingen voorziene plaatsen;

- de montageschema's en, in voorkomend geval, de schema's van de metrologisch belangrijke onderdelen;

- een principeschema en foto's bestemd voor de publicatie van de modelgoedkeuringsbeslissing;

- gedetailleerde beschrijving van de besturingssoftware en zijn karakteristieken (inclusief identificatie van de versie en controlesommen), de beschrijving van de werking inclusief een verklarende lijst van de datavariabelen en de omstandigheden waarin deze variabelen mogen worden toegepast;

- details van het test- en validatieprogramma dat de software heeft doorlopen;

- toestellen of specifieke werktuigen of software nodig om het toestel laboratoriumklaar te maken voor de justering en de ijking van het toestel.

De technische documentatie moet tenminste in het Engels beschikbaar zijn.

7. Eerste ijk, herijk, technische controle

7.1. Metingen.

De proefgassen en het aantal metingen per proefgas wordt bepaald door de Dienst Metrologie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

7.2. Maximum toegelaten fouten.

De fouten mogen de maximum toegelaten waarde niet overschrijden :

- voor de nieuwe of herstelde alcoholsloten, tijdens de eerste ijk;

- voor de alcoholsloten in gebruik, tijdens de herijk en de technische controles.

7.3. Geldigheidsduur van de ijkverrichtingen.

De eerste ijk, de herijk en de technische controles blijven één jaar geldig.

Na iedere ijkverrichting wordt de uiterste vervaldatum van de ijkverrichting door het proeflaboratorium op het alcoholslot aangebracht.

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 26 november 2010 betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.