7 MEI 1999. - Ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg.
[21.05.1999]

Hoofdstuk I. Signaleren van werken

Artikel 1. Algemene bepalingen

1.1. De signalisatie van de werken moet aangebracht worden met de meeste zorg en moet tijdens de volledige duur van de werken zuiver en instandgehouden worden zodanig dat zij voor de weggebruikers identificeerbaar blijft.

1.2.

1. Ter verzekering van de veiligheid van het verkeer mag de toelating, voorzien in artikel 78.1.1. van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, naast de door dit besluit opgelegde maatregelen, aanvullende verkeerstekens voorzien.

De toelating moet zich op het werk bevinden en vertoond worden op elk verzoek van de bevoegde overheid.

2. Het werk mag slechts beginnen wanneer de signalisatie aangebracht is.

1.3.

1. Al de verkeersborden moeten van het retroflecterend type of van het type met eigen verlichting zijn.

De afwisselende witte en rode strepen bedoeld in de artikelen 7.1.1° en 8.1. en in de bijlagen bij dit besluit, moeten retroflecterend zijn.

2. De bepalingen betreffende de afmetingen en de plaatsing van de verkeerstekens en van de onderborden, voorzien in het ministerieel besluit van 11 oktober 1976, waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, zijn van toepassing.

1.4. Wanneer een verlichtingstoestel voorzien is, werkt het tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 m. Bij helder weer moet de verlichting de signalisatie zichtbaar maken op ten minste 150 m.

Wanneer een verlichting is voorzien om het werk of om een hindernis te signaleren of af te bakenen, mogen de witte of geelachtige lampen vervangen worden door oranjegele knipperlichten. De lichten mogen onafhankelijk, gelijktijdig of opeenvolgend knipperen.

1.5.

1. De verkeerstekens worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 78.1.2. van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, weggenomen zodra het werk beëindigd is. Dit geldt eveneens voor het signalisatiemateriaal en voor de borden waarop in het geel, op een zwarte achtergrond, de naam staat van de verantwoordelijke voor de signalisatie en diens telefoonnummer.

2. Buiten de werkuren, ondermeer 's avonds evenals gedurende de weekends en telkens als het werk voor een bepaalde tijd onderbroken wordt, worden de verkeersborden die er alsdan niet meer nodig zijn, afdoende bedekt of weggenomen.

1.6. Indien aan het begin van het werk een hek geplaatst wordt, beslaat het een breedte die minstens gelijk is aan deze welke nodig is om het werk in alle veiligheid te kunnen uitvoeren.

1.7. Wanneer de inplanting van een werk een omlegging van het verkeer meebrengt, wordt een volledige reisweg van deze omlegging gesignaleerd.

Indien het begin van de omlegging niet samenvalt met dat van het werk, moet de signalisatie geplaatst worden op de plaats waar deze omlegging aanvangt.

1.8. Behoudens in uitzonderlijke gevallen mogen de verkeersborden C43 geen andere snelheidsbeperkingen aanduiden dan die welke door dit besluit voorzien zijn.

C43

1.9. In beginsel wordt de signalisatie op afstand slechts aangebracht op de openbare weg waar het werk uitgevoerd wordt.

Wanneer de plaatsgesteldheid het rechtvaardigt, mag zij eveneens op andere openbare wegen aangebracht worden.

1.10. Inrichtingen bestemd om botsingen te absorberen, al dan niet op een voertuig bevestigd, mogen gebruikt worden.

1.11. Wanneer op een openbare weg verschillende snelheidsbeperkingen opgelegd zijn, wordt met de maximum hoogste toegelaten snelheid rekening gehouden om de categorie van het werk vast te stellen.

De werken worden in zes categorieën gerangschikt.

Behoren :

  • tot de 1e categorie, de werken ingeplant op autosnelwegen en op openbare wegen waar de maximum toegelaten snelheid hoger is dan 90 km/h;
  • tot de 2e categorie, de werken ingeplant op openbare wegen waar de maximum toegelaten snelheid hoger is dan 50 km/h en lager dan of gelijk aan 90 km/h;
  • tot de 3e categorie, de werken ingeplant op openbare wegen waar de maximum toegelaten snelheid lager is dan of gelijk aan 50 km/h;
  • tot de 4e categorie, de werken die ingeplant zijn buiten de rijbaan maar die een gevaar betekenen voor de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen;
  • tot de 5e categorie, de werken die uitgevoerd worden tussen het aanbreken van de dag en het vallen van de avond en wanneer het mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 m;
  • tot de 6e categorie, de mobiele werken die vanwege hun relatief lage verplaatsingssnelheid of vanwege hun veelvuldig stilstaan voor het uitvoeren van werken slechts kortstondig het verkeer hinderen.