7 MEI 1999. - Ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg.
[21.05.1999]

Hoofdstuk I. Signaleren van werken

Artikel 3. Werken van 2e categorie

3.1. Werken die het verkeer sterk hinderen
3.2. Werken die het verkeer weinig hinderen

3.1. Werken die het verkeer sterk hinderen.

Het betreft de werken die op welke plaats ook, zo breed zijn dat ten minste een rijstrook of de breedte van een rijstrook onttrokken wordt aan het verkeer op de rijbaan.

1° Signalisatie op afstand :

a) De hierna vermelde afstanden zijn benaderend en worden gemeten vanaf de inrichting geplaatst op de plaats waar het werk begint; zij mogen aangepast worden aan de plaatsgesteldheid.

b) Het verkeersbord A31 wordt geplaatst op 400 m en aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

c) Het verkeersbord A31 of een beter aangepast gevaarsbord wordt geplaatst op 150 m.

A31

d) Een verkeersbord C43 dat de snelheid tot 50 km/h beperkt, wordt onder het gevaarsbord aangebracht, indien ten minste de plaatsgesteldheid niet voordien reeds een lagere snelheid vereiste.

C43

Dit verkeersbord C43 dat de snelheid tot 50 km/h beperkt, wordt op 200 m aangekondigd door een identiek verkeersbord, aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

e) De inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit mag worden geplaatst. In dit geval, worden de verkeersborden A31 of beter aangepaste gevaarsborden en C43 opgenomen in de inrichting.

C43 A31

f) Wanneer het aantal rijstroken vermindert of wanneer de rijstroken uitwijken, wordt een verkeersbord van het model F79 tot F85 geplaatst, behalve indien slechts één rijstrook beschikbaar blijft voor het verkeer in beide richtingen en dit verkeer geregeld wordt door de verkeersborden B19 en B21 of door verkeerslichten.

F79 F81 F83 F85

B19 B21

Dit verkeersbord wordt geplaatst op 500 m voor het verkeersbord A31 voorzien onder b).

A31

In dit geval wordt een geleiding aangebracht vanop een afstand van 50 m vanaf het begin van het werk.

De geleiding wordt aangebracht door een van de middelen van type I van bijlage 2 bij dit besluit.

De bakens zijn ten hoogste 10 m van elkaar verwijderd.

Afwisselend wordt minstens één baken op twee voorzien van witte of geelachtige lampen.

2° Signalisatie ter plaatse aan het begin van het werk :

a) Een inrichting van bijlage 4 bij dit besluit wordt geplaatst aan het begin van het werk.

Een verkeersbord D1 waarvan de pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden gericht is, wordt geplaatst boven het hek; de onderrand van het verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

D1

Over de ganse breedte van het hek worden oranjegele knipperlichten vastgemaakt met een tussenafstand van ten hoogste 1 m. Het aantal lichten mag niet kleiner zijn dan drie.

b) Indien om een of andere reden het hek niet helemaal de toegang verhindert tot de rijbaan of tot het gedeelte van de rijbaan dat aan het verkeer onttrokken is, worden tijdens de dag verkeerskegels geplaatst in het verlengde van het hek, ten einde gans het gedeelte van de openbare weg dat voor de weggebruikers ontoegankelijk gemaakt is, afdoende aan te duiden.

c) Indien op het gedeelte van de rijbaan dat nog toegankelijk is voor het verkeer, dat verkeer slechts toegelaten wordt in één richting, wordt boven het hek, geplaatst aan het tegenovergestelde uiteinde van het werk en dat het verkeer op dit gedeelte van de rijbaan verhindert, in het midden een verkeersbord C1 aangebracht, waarvan de onderrand zich op ten minste 1,50 m boven de grond bevindt. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

C1

d) Indien de inplanting van het werk zo is dat het verkeer op de rijbaan in de twee richtingen verboden is, wordt boven het hek, geplaatst aan elk van de uiteinden van het werk, in het midden een verkeersbord C3 aangebracht, eventueel aangevuld met een onderbord "UITGEZONDERD PLAATSELIJK VERKEER", van het type II van bijlage 1 bij dit besluit; de onderrand van dit verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond. Een oranjegeel knipperlicht wordt boven het verkeersbord geplaatst.

C3

e) De inrichting bedoeld onder a) mag worden vervangen door of aangevuld met de inrichting van type II van bijlage 3 bij dit besluit.

3° Zijdelingse signalisatie :

De zijdelingse afbakening wordt aangebracht door een van de middelen van type II van bijlage 2 bij dit besluit.

Deze afbakeningsmiddelen zijn ten hoogste 30 m van elkaar verwijderd; zij zijn voorzien van een verlichting met witte of geelachtige lampen.

4° Signalisatie van het einde van het werk :

a) Het verkeersbord F47 en de verkeersborden die het einde van een verbod aanduiden worden geplaatst op ongeveer 25 m voorbij het einde van het werk of voorbij het laatste afbakeningsmiddel.

F47

b) Tussen 50 m en 100 m voorbij het werk plaatst de aannemer een bord waarop in het geel, op een zwarte achtergrond, de naam staat van de verantwoordelijke voor de signalisatie en diens telefoonnummer.

De letters en cijfers op dit bord hebben een hoogte van ten minste 0,12 m.

3.2. Werken die het verkeer weinig hinderen.

Het betreft de werken die op welke plaats ook, zo breed zijn dat minder dan een rijstrook of minder dan de breedte van een rijstrook onttrokken wordt aan het verkeer op de rijbaan, alsook deze die ingeplant zijn buiten de rijbaan maar die het verkeer op die rijbaan beïnvloeden.

1° Signalisatie op afstand :

a) De hierna vermelde afstanden zijn benaderend en worden gemeten vanaf de inrichting geplaatst op de plaats waar het werk begint; zij mogen aangepast worden aan de plaatsgesteldheid.

b) Het verkeersbord A31 wordt geplaatst op 300 m en aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

A31

c) Het verkeersbord A31 of een beter aangepast gevaarsbord wordt geplaatst op 150 m. Een verkeersbord C43 dat de snelheid tot 50 km/h beperkt, mag onder het gevaarsbord aangebracht worden indien tenminste de plaatsgesteldheid niet voordien reeds een lagere snelheid vereiste.

C43

Dit verkeersbord C43 dat de snelheid tot 50 km/h beperkt, wordt op 200 m aangekondigd door een identiek verkeersbord, aangevuld met een onderbord van het type I van bijlage 1 bij dit besluit.

d) De inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit mag worden geplaatst. In dit geval worden de verkeersborden A31, of een beter aangepast gevaarsbord, en C43 opgenomen in de inrichting.

C43

2° Signalisatie ter plaatse aan het begin van het werk :

Een inrichting van bijlage 4 bij dit besluit wordt geplaatst aan het begin van het werk.

Indien minstens een gedeelte van het werk op de rijbaan ligt, wordt een verkeersbord D1 waarvan de pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden gericht is, geplaatst boven de inrichting; de onderrand van het verkeersbord bevindt zich op ten minste 1,50 m boven de grond.

Een oranjegeel knipperlicht wordt boven dit verkeersbord geplaatst.

D1

Over de ganse breedte van het hek worden oranjegele knipperlichten vastgemaakt met een tussenafstand van ten hoogste 1,00 m. Het aantal lichten mag niet kleiner zijn dan drie.

Deze inrichting mag worden vervangen door of aangevuld met de inrichting van type II van bijlage 3 bij dit besluit.

3° Zijdelingse signalisatie :

a) De zijdelingse afbakening wordt aangebracht door een van de middelen van type II van bijlage 2 bij dit besluit.

Deze afbakeningsmiddelen zijn ten hoogste 30 m van elkaar verwijderd; zij zijn voorzien van een verlichting met witte of geelachtige lampen.

b) Indien de inplanting van het werk de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen noodzaakt het trottoir of het fietspad te verlaten en de rijbaan te volgen, wordt langsheen het werk een gang aangebracht van :

  • ten minste 1,50 m wanneer slechts één van de categorieën van weggebruikers er moet gebruik van maken;
  • ten minste 2 m wanneer zowel voetgangers, fietsers als bestuurders van tweewielige bromfietsen er samen moeten gebruik van maken. Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden de plaatsgesteldheid dit niet toelaat, mag de breedte van de gang teruggebracht worden tot 1 m.

In dit geval wordt :

  • de afbakening die het verkeer van de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen scheidt van dat van de andere weggebruikers, aangebracht en verlicht overeenkomstig de bepalingen van a) hierboven;
  • de afbakening die het verkeer van de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen scheidt van het werk zelf, aangebracht over de volledige lengte, hetzij door een voldoende stevige inrichting, hetzij door een beschermnet, en op gepaste manier verlicht.

4° Signalisatie van het einde van het werk :

a) Het verkeersbord F47 en de verkeersborden die het einde van een verbod aanduiden worden geplaatst op ongeveer 25 m voorbij het einde van het werk of voorbij het laatste afbakeningsmiddel.

F47

b) Tussen 50 m en 100 m voorbij het werk plaatst de aannemer een bord waarop in het geel, op een zwarte achtergrond, de naam staat van de verantwoordelijke voor de signalisatie en diens telefoonnummer.

De letters en cijfers op dit bord hebben een hoogte van ten minste 0,12 m.