7 MEI 1999. - Ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg.
[21.05.1999]

Hoofdstuk I. Signaleren van werken

Artikel 7. Werken van 6e categorie

7.1. Werken uitgevoerd geheel of gedeeltelijk op de rijbaan en/of op het fietspad en op minder dan 0,50 m van de rand ervan.

op openbare wegen waarop de maximum toegelaten snelheid lager is dan of gelijk aan 50 km per uur:

Het voertuig gebruikt bij de werken is op de voor- en achterkant voorzien van afwisselend rode en witte strepen van ten minste 0,10 m breed, die met de verticale as van het voertuig een hoek van ongeveer 45° vormen.

Indien de structuur van dit voertuig niet toelaat een oppervlakte van ten minste 1,00 m2 van strepen te voorzien, of indien deze strepen minder dan 0,50 m hoog zijn, wordt een bord voorzien van dezelfde afwisselende strepen, met een hoogte van ten minste 0,50 m en een breedte die ongeveer gelijk is aan die van het voertuig, aan dat voertuig vastgemaakt.

Dit voertuig is eveneens uitgerust met :

  • ten minste twee oranjegele knipperlichten bovenop het voertuig aangebracht.
    Deze lichten mogen onafhankelijk, gelijktijdig of opeenvolgend knipperen;
  • een verkeersbord A31 gericht naar het betrokken verkeer; de zijde van dit verkeersbord mag niet minder zijn dan 0,70 m en zijn onderrand mag zich, in de mate van het mogelijke, niet op minder dan 1,50 m boven de grond bevinden.

A31

Indien de maximum toegelaten snelheid hoger is dan 50 km/h en lager dan of gelijk aan 90 km/h, wordt bovendien een verkeersbord D1 waarvan de pijl onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden gericht is, die de verplichte rijrichting aangeeft, aangebracht. Indien het verkeer aan de ene en de andere kant van het voertuig toegelaten is, wordt een verkeersbord F21 aangebracht op het midden van het voertuig. Deze verkeersborden worden gericht naar het betrokken verkeer en in de mate van het mogelijke aangebracht op een hoogte van ten minste 1,50 m. Het verkeersbord D1 heeft een diameter van ten minste 0,70 m. Het verkeersbord F21 meet ten minste 0,60 m x 0,40 m.

D1      F21

Indien de maximum toegelaten snelheid hoger is dan 90 km per uur wordt het voertuig uitgerust met de inrichting van type II van bijlage 3 bij dit besluit.

Dit voertuig wordt op ongeveer 500 m aangekondigd door een voorsignalisatievoertuig waarop de inrichting van type I van bijlage 3 bij dit besluit is aangebracht en waarop het verkeersbord A31 en eventueel het verkeersbord F79 zijn aangebracht.

A31       F79

7.2. Het voertuig dat gebruikt wordt voor werken uitgevoerd buiten de rijbaan en/of het fietspad op ten minste 0,50 m van de rand ervan, is uitgerust zoals voorzien in artikel 7.1.1°.

7.3. Indien het bij de werken gebruikte voertuig niet kan voorzien worden van de hierboven voorziene uitrusting, wordt het vergezeld door een veiligheidsvoertuig dat deze uitrusting voert.

7.4. De voertuigen die gebruikt worden voor het berijdbaar houden van de wegen in de winter worden minstens uitgerust met twee oranjegele knipperlichten bovenop het voertuig.

7.5. De voertuigen voor het onderhoud van de wegen, wanneer de afmetingen en de structuur ervan het onmogelijk maken om de signalisatie vereist bij dit artikel aan te brengen, worden minstens uitgerust met twee oranjegele knipperlichten bovenop het voertuig en het verkeersbord A31.

Het verkeersbord A31 heeft in dit geval een zijde van ten minste 0,40 m.

A31