21 NOVEMBER 1989. - Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
(B.S. 08.12.1989)

Hoofdstuk IV. Vordering van de benadeelde tegenover de verzekeraar en de schaderegelaar


Afdeling 1. De schaderegelaar

Artikel 12

§ 1. Iedere verzekeringsonderneming die bij toepassing van artikel 5 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen toegelaten is om de risico's te dekken die zijn ingedeeld bij tak 10 van bijlage I bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder, wijst in iedere andere Staat van de Europese Economische Ruimte dan België, een schaderegelaar aan.

Deze schaderegelaar wordt belast met de behandeling en afwikkeling van verzoeken tot schadevergoeding ten gevolge van een ongeval voorgekomen op het grondgebied van een land waarvan het Nationaal Bureau aangesloten is bij het groenekaartsysteem en wanneer het een voertuig betreft dat gewoonlijk gestald is in een Staat van de Europese Economische Ruimte, dat verzekerd is voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen door de onderneming die hem heeft aangewezen. De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de Staat waar hij is aangewezen.

§ 2. De keuze van de schaderegelaar wordt overgelaten aan het oordeel van de verzekeringsonderneming.

§ 3. De schaderegelaar kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden.

§ 4. De schaderegelaar verzamelt, met betrekking tot de verzoeken tot schadevergoeding, alle inlichtingen die nodig zijn om deze te kunnen afhandelen en neemt alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen. De vereiste om een schaderegelaar aan te wijzen doet geen afbreuk aan het recht van de benadeelde, of diens verzekeringsonderneming, om rechtstreeks degene die het ongeval heeft veroorzaakt, of diens verzekeringsonderneming, in rechte aan te spreken.

§ 5. De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken tot schadevergoeding volledig af te handelen. Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de Staat van de woonplaats van de benadeelde te behandelen.

§ 6. De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 2, § 6, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondememingen.

De schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van :

  • artikel 2, § 1, van voornoemde wet van 9 juli 1975;
  • het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, goedgekeurd bij de wet van 27 november 1996, het Protocol nr. 1 betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze van procederen en tenuitvoerlegging, het Protocol nr. 2 betreffende de eenheid, in de uitlegging van het Verdrag, het Protocol nr. 3 betreffende de toepassing van artikel 57, de drie Verklaringen, en de Slotakte, opgemaakt te Lugano op 16 september 1988, en de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Afdeling 2. Bepalingen betreffende het instellen en het vervolgen van de vordering

Artikel 13

§ 1. Binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, moet de verzekeringsonderneming van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of de verzekeringsonderneming van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het motorrijtuig betrokken in het ongeval in de zin van artikel 29bis , § 1, eerste lid, of haar schaderegelaar, een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorleggen, wanneer

  • de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis niet wordt betwist en
  • de schade niet wordt betwist en gekwantificeerd werd.

Wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd werd maar kwantificeerbaar is, moet de verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar een voorstel tot voorschot voorleggen. Het voorschot heeft betrekking op de reeds gemaakte kosten, de aard van de letsels, het ondergane leed en het nadeel van de reeds verstreken periodes van tijdelijke ongeschiktheid. Het voorschot heeft ook betrekking op het meest waarschijnlijke nadeel voor de toekomst. Dit mag, voor de toekomst, beperkt worden tot het meest waarschijnlijke nadeel voor de drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend.

§ 2. Indien geen voorstel tot schadevergoeding is voorgelegd binnen de termijn van drie maanden bedoeld in § 1, is de verzekeraar van rechtswege gehouden tot betaling van een bijkomend bedrag, berekend tegen de wettelijke interestvoet, toegepast op de door hem voorgestelde of door de rechter aan de benadeelde toegewezen vergoeding, gedurende een termijn die ingaat op de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag volgend op de ontvangst van het voorstel door de benadeelde of, in voorkomend geval, tot de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de vergoeding wordt toegewezen, in kracht van gewijsde is gegaan.

Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in § 1 bedoelde voorstel, niet betaald wordt binnen dertig werkdagen die volgen op de aanvaarding van dit voorstel door de benadeelde persoon. In dit geval loopt de termijn vanaf de dag volgend op de aanvaarding tot de dag waarop het bedrag aan de benadeelde persoon is gestort.

Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in § 1 bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is. De intrest wordt berekend op het verschil tussen het bedrag zoals vermeld in het voorstel en het bedrag dat vermeld is in het vonnis of in het arrest in verband met dit voorstel en dat kracht van gewijsde heeft. De termijn loopt vanaf de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag van het vonnis of het arrest.

Artikel 14

§ 1. Binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, moet de verzekeringsonderneming van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of de verzekeringsonderneming van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het motorrijtuig betrokken in het ongeval in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid of haar schaderegelaar, een met redenen omkleed antwoord geven op de elementen die in de aanvraag vermeld worden, wanneer :

  • de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis wordt betwist of niet duidelijk werd vastgesteld, of wanneer
  • de schade wordt betwist of niet volledig is gekwantificeerd of kwantificeerbaar is.

§ 2. Indien geen met redenen omkleed antwoord is gegeven binnen de termijn van drie maanden bedoeld in § 1, moet de verzekeraar van rechtswege een forfaitair bedrag van 250 EUR per dag betalen.

Dit bedrag is verschuldigd vanaf een van de volgende twee dagen die zich het vroegste voordoet :

1°) de dag waarop de benadeelde persoon, per aangetekende brief of om het even welk ander gelijkgesteld middel, de verzekeraar aan de vervaldag van de termijn bedoeld in § 1 heeft herinnerd;

2°) de dag waarop de verzekeraar in toepassing van artikel 19bis -13, § 1, tweede lid, 1 °), door het Gemeenschappelijk Waarborgfonds werd verwittigd.

Dit bedrag is niet meer verschuldigd de dag volgend op de dag van de ontvangst van het met redenen omkleed antwoord of van het gemotiveerde voorstel tot schadevergoeding door de benadeelde persoon.

Artikel 15

Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet kan de verzekeraar in België door de benadeelde worden gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit waaruit de schade is ontstaan, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeraar.

Artikel 16

Onverminderd het bepaalde in afdeling 3 van dit hoofdstuk kan geen uit de wet of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen.

Elke verzekeringsovereenkomst met het oog op de uitvoering van deze wet gesloten, wordt, ten opzichte van de benadeelde, van rechtswege geacht elk risico te dekken dat verplicht verzekerd moet zijn.

Artikel 16bis

De verzekeraar kan zich een recht van verhaal voorbehouden op de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer hij bewijst dat op het ogenblik van het schadegeval, het verzekerde motorrijtuig bestuurd wordt :

1° door een persoon die niet voldoet aan de Belgische vereiste wettelijke minimumleeftijd om dat motorrijtuig te besturen;

2° door een persoon die niet beschikt over een geldig rijbewijs om dat motorrijtuig te besturen;

3° door een persoon die de specifieke beperkingen inzake het besturen van het motorrijtuig vermeld op zijn rijbewijs niet naleeft;

4° door een persoon die in België een rijverbod heeft zelfs indien het schadegeval zich voordoet in het buitenland.

Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° geldt niet wanneer de persoon, die in het buitenland het motorrijtuig bestuurt, aan de voorwaarden voldoet voorgeschreven door de plaatselijke wet en reglementen om dat motorrijtuig te besturen.

Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° geldt niet indien de verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, aantoont dat deze situatie te wijten is aan het niet naleven van een louter administratieve formaliteit.

De verzekeraar kan echter voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4° geen verhaal uitoefenen op een verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, indien deze aantoont dat de tekortkomingen of de feiten waarop het verhaal gesteund is, te wijten zijn aan een andere verzekerde of dat ze zich hebben voorgedaan in strijd met zijn onderrichtingen of buiten zijn medeweten

Afdeling 3: Gevallen waarin gebeurtenissen of bedingen die de verzekeringsovereenkomst beëindigen of schorsen, dan wel de door de overeenkomst geboden dekking schorsen, tegen benadeelden kunnen worden ingeroepen

Artikel 17

§ 1. In geval van overdracht van de eigendom van het motorrijtuig kunnen de bedingen van de verzekeringsovereenkomst die ertoe strekken door het loutere feit van de overdracht een einde te maken aan de verzekering betreffende dit motorrijtuig, tegen de benadeelde worden ingeroepen.

§ 2. In afwijking van § 1, blijft, gedurende zestien dagen te rekenen vanaf de overdracht en voor zover geen andere verzekering hetzelfde risico dekt, de verzekeraar van het motorrijtuig waarvan de eigendom werd overgedragen, evenwel gehouden tegenover de benadeelde persoon.

De verzekeraar is met toepassing van het eerste lid tegenover de benadeelde persoon enkel gehouden indien de schade werd veroorzaakt door :

het motorrijtuig waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die het voor de overgang droeg;

het motorrijtuig, gebruikt ter vervanging van dat waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die dit laatste voor de overdracht droeg.

Artikel 18

Artikel 17, § 2, tweede lid, is niet toepasselijk op niet aan inschrijving onderworpen motorrijtuigen.

Artikel 19

Wanneer een motorrijtuig door een burgerlijke of militaire autoriteit in eigendom of in huur wordt opgevorderd, dekt de publiekrechtelijke persoon in wiens naam de opvordering is geschied, door dat feit zelf en voor de duur van de ingebruikneming, alleen en volgens de regels van artikel 10, § 1, de aansprakelijkheid waartoe het opgevorderde rijtuig aanleiding kan geven.