30 DECEMBER 1946. - Besluitwet betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars.  
(B.S. 20.01.1947)

Hoofdstuk II. Geregeld vervoer

Artikel 3

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

§ 1. Onder geregeld vervoer wordt het gemeenschappelijk vervoer van personen verstaan, volgens een frequentie en in een bepaalde relatie, waarbij reizigers aan de eindpunten en eventueel onderweg, op vooraf gekende stopplaatsen, kunnen in- en uitstappen.

§ 2. Bij het in § 1 bedoelde vervoer dienen de door de bevoegde overheid vastgestelde dienstregelingen en tarieven te worden nageleefd.

Artikel 4

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

Voor het geregeld vervoer wordt machtiging verleend, welk ook de aard van de bereden wegen weze :

a) door de gemeenteraden, wanneer de reisweg binnen het grondgebied der gemeente blijft;

b) door de bestendige deputatie van den provincialen raad, wanneer de reisweg over het grondgebied van meer dan een gemeente eener zelfde provincie loopt;

c) door den Koning, wanneer het grondgebied van meer dan een provincie bereden wordt.

Artikel 5

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

De door de gemeenteraden verleende machtigingen worden de bestendige deputatie van den provincialen raad voorgelegd voor advies en den Koning, voor goedkeuring.

De door de bestendige deputatie der provinciale raden verleende machtigingen worden de betrokken gemeenten vooraf voor advies voorgelegd. Zij moeten door den Koning worden goedgekeurd.

De door den Koning te verleenen machtigingen worden de betrokken gemeenten en provinciën vooraf voor advies voorgelegd. Van het advies der bestendige deputatie of van dat der gemeenten wordt evenwel afgezien, indien dat advies niet binnen drie maand wordt uitgebracht.

De door de gemeenteraden of de bestendige deputaties verleende machtigingen zijn geldig van rechtswege, indien binnen een termijn van drie maand, nadat de beraadslaging van den bevoegden gemeenteraad of van de bevoegde bestendige deputatie bij het Ministerie van Verkeerswezen is toegekomen, niet een andersluidende beslissing is gevallen of een met redenen omkleed besluit werd genomen waarbij de Koning een nieuwen termijn van ten hoogste drie maand bepaalt om uitspraak te doen.

Artikel 6

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

Van de beslissing van den gemeenteraad of de bestendige deputatie, waarbij de machtiging tot het inrichten van een geregeld vervoer wordt geweigerd, staat voor den aanvrager hooger beroep open op de bestendige deputatie of op den Koning, volgens het geval.

Om geldig te zijn, moet dat beroep ingesteld worden binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing aan belanghebbende. In geval van hooger beroep, treedt de bestendige deputatie of de Koning in de plaats van den gemeenteraad of de bestendige deputatie om de machtiging toe te staan of te weigeren.

Hetzelfde hooger beroep staat voor den aanvrager open indien door den gemeenteraad of de bestendige deputatie geen beslissing werd genomen binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag om machtiging; dat beroep dient ingesteld uiterlijk tien dagen na de verstrijking van den termijn van zes maand.

Artikel 7

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

Vooraleer een machtiging tot oprichting van een geregeld vervoer wordt verleend, wordt door de bevoegde overheid een onderzoek ingesteld, dat inzonderheid loopt over het nut, den reisweg, het bedrag der tarieven, de exploitatievoorwaarden van den dienst.

De modaliteiten der onderzoeken worden vastgesteld door den Koning.

Artikel 8

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

In afwachting van den uitslag van het onderzoek, kan de Minister van Verkeerswezen een voorloopige machtiging verleenen voor een duur van ten hoogste negen maand.

De Minister van Verkeerswezen kan insgelijks, zonder andere voorafgaande formaliteit, tijdelijke machtigingen verleenen voor diensten waarvan de duur zes maand niet overschrijdt, en inzonderheid voor de in artikel 2, 3°, van deze besluitwet bedoelde diensten.

Artikel 9

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

Machtiging tot het oprichten van een geregeld vervoer wordt slechts verleend ingevolge een openbare aanbesteding waarvan de modaliteiten door den Koning worden vastgesteld.

De machtiging kan evenwel zonder openbare aanbesteding worden verleend :

indien het een stadsdienst geldt, aan den exploitant van een regelmatig vergunden of geautoriseerden openbaren personenvervoerdienst die reeds het grootste gedeelte van het betrokken verkeer verzekert;

indien het een voorsteden- of intercommunalen dienst geldt, aan den exploitant van een regelmatig vergunden of geautoriseerden openbaren personenvervoerdienst die reeds het grootste gedeelte der bevolking bedient waarvoor de nieuwe dienst wordt ingericht;

indien het de verlenging van den duur van een bestaanden dienst geldt, aan den exploitant die houder is van de vervallen machtiging, voor zoover deze algeheele voldoening heeft gegeven en geen voorkeurrecht werd toegekend aan de onder 1° en 2° hiervoren bedoelde exploitanten.

Wordt met den exploitant van een regelmatig vergunden of geautoriseerden openbaren personenvervoerdienst gelijkgesteld, hij die de concessie of de inoverwegingneming, als spoorweg, tramweg of trolleybus, heeft verkregen van een lijn welke wegens de omstandigheden niet kon aangelegd worden.

Om de onder 3° voorziene verlenging te kunnen bekomen, moet de exploitant zijn aanvraag indienen in den loop van de twee jaar die het laatste jaar van zijn machtiging voorafgaan.

Door de bevoegde overheid wordt een beslissing genomen binnen twaalf maand na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 10

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.

Het bepaalde in het tweede lid van artikel 52 en in het derde lid van artikel 57 der Grondwet is toepasselijk op geregeld vervoer waarvoor krachtens deze besluitwet machtiging is verleend.