30 DECEMBER 1946. - Besluitwet betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars.
(B.S. 20.01.1947)

Hoofdstuk V. Bepaling betreffende de spoorwegmaatschappijen, de nationale maatschappij van buurtspoorwegen en de ondernemingen van tramwegen en trolleybussen

Artikel 16

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 67 en 70.

De spoorwegmaatschappijen, de Nationale Maatschappij van buurtspoorwegen en de ondernemingen van tramwegen en trolleybussen zijn, wat het geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer betreft, aan het gemeen recht onderworpen en kunnen machtiging verkrijgen om dergelijke diensten rechtstreeks of onrechtstreeks te exploiteeren.

De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen mag ook belangen nemen bij dergelijke diensten.

Al de bepalingen der wetten van 11 Augustus 1924 en 20 Juli 1927 die betrekking hebben op het aan de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen verleend voorkeurrecht en de aan die maatschappij opgelegde verplichtingen voor het herstellen van wegen, worden ingetrokken.

Artikel 17

Het algemeen reglement en het politiereglement op de exploitatie der geregelde vervoeren, genomen ter uitvoering van deze besluitwet, zijn toepasselijk op d e autobusdiensten welke de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen en de concessiehoudende ondernemingen en vereenigingen van tramweglijnen bij toepassing van de wet van 29 Augustus 1931 mogen oprichten.

De reiswegen der autobusdiensten waarvoor machtiging is verleend bij toepassing van de wet van 29 Augustus 1931, waarbij het aan de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen en aan de concessiehouders van tramlijnen toegelaten is autobusdiensten op te richten tot verbetering van de exploitatievoorwaarden van hun spoorlijnen, mogen, tegen de voorwaarden van die wet, verlengd of gewijzigd worden, voor zoover daar geen ontaarding van het oorspronkelijk karakter van die diensten uit voortvloeit.

Tweede lid opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 2001-04-20/45, art. 70.