TITEL I. — Definities

Artikel 1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Voor de toepassing van dit besluit, dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de richtlijnen 2009/113/EG van 25 augustus 2009, 2011/94/EU van 28 november 2011, 2012/36/EU van 19 november 2012, 2013/22/EU van 13 mei 2013, 2013/47/EU van 2 oktober 2013, 2014/85/EU van 1 juli 2014, 2015/653/EU van 24 april 2015, wordt verstaan onder:

1° «wet», de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;

2° «Minister», de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;

3° «motorvoertuig», elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een aandrijfmotor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.

Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen bedoeld in artikel 2.15.2, 2° en de gemotoriseerde rijwielen bedoeld in artikel 2.15.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.

4° «bromfiets», twee- of driewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

5° «motorfiets», elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets;

6° «driewieler met motor», elk motorvoertuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/uur;

6°/1 «lichte vierwieler», vierwielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

7° «vierwieler met motor», elk ander vierwielig motorvoertuig dan bedoeld in 6°/1, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;

8° «auto», elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

9° «landbouw- en bosbouwtrekkers», elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;

10° “voertuig uitgerust met een handschakeling”, elk voertuig met een koppelingspedaal, of manueel bediende hendel voor de categorieën A1, A2 en A, die door de bestuurder moet worden ingedrukt om te starten, te stoppen of te schakelen;

10°/1 “voertuig uitgerust met een automatische schakeling”, elk motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de definitie onder bepaling 10°;

11° «gewone verblijfplaats», de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

11°/1 “persoonlijke bindingen”, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente;

12° «rijschool», elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

13° «Europees rijbewijs», elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.

Artikel 1. Vlaams Gewest

Voor de toepassing van dit besluit, dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de richtlijnen 2009/113/EG van 25 augustus 2009, 2011/94/EU van 28 november 2011, 2012/36/EU van 19 november 2012, 2013/22/EU van 13 mei 2013, 2013/47/EU van 2 oktober 2013, 2014/85/EU van 1 juli 2014, 2015/653/EU van 24 april 2015, wordt verstaan onder:

1° «wet», de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;

2° «Minister», de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;

2°/1 Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid;

2°/2 Departement: het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.

3° «motorvoertuig», elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een aandrijfmotor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.

Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen bedoeld in artikel 2.15.2, 2° en de gemotoriseerde rijwielen bedoeld in artikel 2.15.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.

4° «bromfiets», twee- of driewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

5° «motorfiets», elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets;

6° «driewieler met motor», elk motorvoertuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/uur;

6°/1 «lichte vierwieler», vierwielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

7° «vierwieler met motor», elk ander vierwielig motorvoertuig dan bedoeld in 6°/1, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;

8° «auto», elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

9° «landbouw- en bosbouwtrekkers», elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;

10° “voertuig uitgerust met een handschakeling”, elk voertuig met een koppelingspedaal, of manueel bediende hendel voor de categorieën A1, A2 en A, die door de bestuurder moet worden ingedrukt om te starten, te stoppen of te schakelen;

10°/1 “voertuig uitgerust met een automatische schakeling”, elk motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de definitie onder bepaling 10°;

11° «gewone verblijfplaats», de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

11°/1 “persoonlijke bindingen”, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente;

12° «rijschool», elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

13° «Europees rijbewijs», elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.

14° audiovertaling: het vertaalhulpsysteem waarbij voor de vragen en de antwoordmogelijkheden die in het Nederlands op het scherm verschijnen en door middel van geluidsondersteuning in het Nederlands worden voorgelezen, bijkomend een vertaling in het Frans, Duits of Engels wordt voorgelezen, die een beëdigd vertaler heeft gemaakt;

15° onregelmatigheid: een van de volgende gedragingen:

a) elk gedrag waarmee de orde wordt verstoord;

b) elke vorm van fraude of poging tot fraude;

c) elke vorm van verbale of fysieke agressie ten aanzien van zaken of personen voor, tijdens of na het theoretische of het praktische examen;

d) de niet-naleving van richtlijnen of instructies die worden gegeven door examinatoren of medewerkers van het examencentrum;

16° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:

a) een afgifte tegen ontvangstbewijs;

b) een aangetekende brief met ontvangstbewijs;

17° werkdag: elke dag, uitgezonderd zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen als vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;

18° algemene verordening gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

Artikel 1. Waals Gewest

Voor de toepassing van dit besluit, dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de richtlijnen 2009/113/EG van 25 augustus 2009, 2011/94/EU van 28 november 2011, 2012/36/EU van 19 november 2012, 2013/22/EU van 13 mei 2013, 2013/47/EU van 2 oktober 2013, 2014/85/EU van 1 juli 2014, 2015/653/EU van 24 april 2015, wordt verstaan onder:

1° «wet», de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;

2° «Minister», de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;

2°/1. Onder het begrip ″Waalse Minister″ wordt verstaan de Minister belast met het beleid inzake verkeersveiligheid in het Waalse Gewest;

2°/2. Onder het begrip ″Bestuur″ wordt verstaan het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen van de Waalse Overheidsdienst.

3° «motorvoertuig», elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een aandrijfmotor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.

Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.

Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen bedoeld in artikel 2.15.2, 2° en de gemotoriseerde rijwielen bedoeld in artikel 2.15.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.

4° «bromfiets», twee- of driewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

5° «motorfiets», elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets;

6° «driewieler met motor», elk motorvoertuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/uur;

6°/1 «lichte vierwieler», vierwielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur als omschreven in bijlage I van verordening nr. 168/2013 van het Europees parlement en de raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

7° «vierwieler met motor», elk ander vierwielig motorvoertuig dan bedoeld in 6°/1, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;

8° «auto», elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

9° «landbouw- en bosbouwtrekkers», elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;

10° “voertuig uitgerust met een handschakeling”, elk voertuig met een koppelingspedaal, of manueel bediende hendel voor de categorieën A1, A2 en A, die door de bestuurder moet worden ingedrukt om te starten, te stoppen of te schakelen;

10°/1 “voertuig uitgerust met een automatische schakeling”, elk motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de definitie onder bepaling 10°;

11° «gewone verblijfplaats», de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

11°/1 “persoonlijke bindingen”, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente;

12° «rijschool», elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;

13° «Europees rijbewijs», elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.

14o ″risicoperceptietest″, examen op computer voor de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B. Deze geïnformatiseerde test wil de capaciteit van de kandidaat meten om risicodragende situaties in verschillende verkeersomstandigheden te identificeren en meer bepaald om de werkelijke risicosituatie te kwalificeren. Deze test evalueert het directe observatievermogen (dichtbij, verder weg, ver kijken) en het indirecte observatievermogen (zicht door de achteruitkijkspiegels) van de kandidaat;

15o ″test over de technische rijvaardigheden″, het examen over de capaciteit van de kandidaat voor het rijbewijs van categorie B om zonder begeleider op de openbare weg te rijden volgens de nodige veiligheidsvoorwaarden tijdens zijn scholing;

16o ″bekwaamheidsgetuigschrift″ bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, attest van bekwaamheid om alleen te sturen, afgeleverd door de examencentra bedoeld in artikel 25, § 1, aan de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B die geslaagd zijn voor de test over de technische rijvaardigheden, met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider;

17o ″tolk″, beëdigd vertaler of vertaalsysteem, in geïnformatiseerde vorm, al dan niet digitaal, die op verzoek van de kandidaat die de Franse of de Duitse taal niet machtig is, een mondelinge vertaling in de Engelse of Nederlandse taal voorstelt, met of zonder hulp van een geluidsondersteuning voor de vragen van de testen of examens geprojecteerd op het scherm of overgemaakt door de examinatoren;

18o ″onregelmatigheid van de kandidaat voor het rijbewijs″, elke communicatie tussen de kandidaten of met derden tijdens de duur van het theoretisch examen of de risicoperceptietest, ongeacht hun organisatiewijze en de gebruikte communicatiewijze, alsook het gewoon bezit, rechtstreeks of onrechtstreeks, fysisch of elektronisch, niet uitdrukkelijk toegelaten door de examinator, van elementen van de stof die het voorwerp uitmaken van het examen of de test, alsook, meer algemeen, de niet-naleving, al dan niet opzettelijk, van een of andere instructie van de examinatoren.

TITEL II. — Indeling van de motorvoertuigen in categorieën voor de toepassing van de bepalingen betreffende het recht tot sturen

Artikel 2

§ 1. Voor de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende het recht tot sturen worden de motorvoertuigen ingedeeld in de volgende categorieën:

1° Categorie AM:

  • bromfietsen met een maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur;
  • lichte vierwielers.

Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden.

Voor de toepassing van artikel 65 worden de bromfietsen met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 km/uur ingedeeld in de categorie AM;

2° Categorie A1:

  • motorfietsen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm³, een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van ten hoogste 0,1 kW/kg;
  • driewielers met motor met een maximumvermogen van 15 kW.

Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve aan een motorfiets met zijspan waarvan het zijspanwiel niet is uitgerust met een rem;

3° Categorie A2: motorfietsen met een maximumvermogen van 35 kW, een vermogen/gewichtsverhouding van niet meer dan 0,2 kW/kg en niet afgeleid van een voertuig met meer dan het dubbele vermogen.

Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve aan een motorfiets met zijspan waarvan het zijspanwiel niet is uitgerust met een rem;

4° Categorie A:

  • motorfietsen met of zonder zijspan met een vermogen van meer dan 35 kW;
  • driewielers met motor met een vermogen van meer dan 15 kW.

Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve aan een motorfiets met zijspan waarvan het zijspanwiel niet is uitgerust met een rem;

5° Categorie B: auto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3 500 kg en ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld.

Aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg worden gekoppeld, mits de maximale toegelaten massa van dit samenstel niet meer dan 4 250 kg bedraagt.

Vierwielers met motor behoren eveneens tot deze categorie;

6° Categorie B+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3 500 kg;

7° Categorie C1: andere auto's dan die van de categorieën D1 of D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg en ten hoogste 7 500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

8° Categorie C1+E:

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C1 en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt;
  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg, mits de maximale toegelaten massa van het samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt;

9° Categorie C: andere auto's dan die van de categorieën D1 of D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

10° Categorie C+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

11° Categorie D1: auto's ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend, en ten hoogste zestien passagiers, de bestuurder niet meegerekend, en met een maximumlengte van 8 meter; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

12° Categorie D1+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

13° Categorie D: auto's ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld.

Tot deze categorie behoren eveneens:

  • gelede autobussen en autocars, gedefinieerd in artikel 1, § 2, 50, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de voertuigen, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
  • de toeristische miniatuurtreinslepen, bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 15 maart 1968 gebezigd als attractie, met een snelheid van ten hoogste 25 km/u, mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als “openbare ontspanning” wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging;

14° Categorie D+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

15° Categorie G: land- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens evenals de voertuigen ingeschreven als landbouwmaterieel, landbouwmotor of maaimachine.

§2. Motorvoertuigen die rijden op de openbare weg en die niet behoren tot een van de categorieën gedefinieerd in § 1, zoals het verrijdbare bedrijfsmaterieel, worden ingedeeld bij de categorie B, C1 of C naargelang hun maximale toegelaten massa.

TITEL III. — Het rijbewijs

HOOFDSTUK I. — Toepassingsveld

Artikel 3

§1. Een Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen :

de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die in België hun gewone verblijfplaats hebben;

de personen die het bewijs leveren van hun inschrijving in een Belgische onderwijsinstelling gedurende een periode van ten minste zes maanden;

de personen die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten :

a) de diplomatieke identiteitskaart;

b) de consulaire identiteitskaart;

c) de bijzondere identiteitskaart.

(opgeheven).

§2. De personen bedoeld in §1, 1° mogen slechts een motorvoertuig besturen op basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort.

De personen bedoeld in § 1, 3°, a) en b), moeten houder zijn van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs, nationaal of internationaal, dat geldig is voor de categorie waartoe het voertuig behoort.

De overige bestuurders van motorvoertuigen moeten houder zijn van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs, nationaal of internationaal, dat afgegeven is onder de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn en geldig is voor de categorie of subcategorie waartoe het voertuig behoort. Die bestuurders dienen een zodanig rijbewijs bij zich te hebben.

De bestuurders, houder van een Europees rijbewijs of van een nationaal of internationaal buitenlands rijbewijs moeten de leeftijd bereikt hebben die vereist is overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 voor de afgifte van rijbewijzen.

Artikel 4

Zijn ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich te hebben :

de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit of van het besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B het praktische examen afleggen of met het oog daarop een scholing volgen.

Deze vrijstelling geldt eveneens wanneer zij zich naar het examencentrum begeven om het examen af te leggen en ervan terugkeren voor:

a) de bestuurders die vervallenverklaard zijn van het recht tot sturen en die het praktische examen moeten afleggen voorgeschreven in artikel 38 van de wet;

b) de houders van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 5, § 2, 2°;

de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;

de kandidaten die deelnemen aan het praktische examen bepaald in artikel 48, § 2, derde lid. Deze vrijstelling geldt tevens om zich naar het examencentrum te begeven teneinde er examen af te leggen en ervan terug te keren;

de bestuurders van voertuigen van de categorie D1, D1+E, D of D+E, in dienst van de ondernemingen voor openbaar vervoer, die de opleiding volgen die door deze ondernemingen wordt verstrekt en waarvan het programma door de Minister wordt goedgekeurd;

de kandidaten houders van een rijbewijs tenminste geldig voor de categorie B, die met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, de opleiding volgen waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister en georganiseerd wordt door :

a) «l’Office communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l’Emploi»;

b) de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;

c) het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle » ;

d) het « Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft;

de leden van het personeel van de lokale politie die kandidaat zijn voor een rijbewijs geldig voor de categorieën A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, gedurende de scholing in een politieschool, waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister.

Deze vrijstelling geldt eveneens tijdens de proeven georganiseerd na de opleiding;

de kandidaten die met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorieën B, B+E, C1, C1+E, C, C+E of voor de categorieën B, B+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs de opleiding «bestuurders van vrachtwagens» of «bestuurders van autobussen en autocars» volgen waarvan het programma door de Minister is goedgekeurd;

de bestuurders die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch militair rijbewijs geldig voor het besturen van legervoertuigen die zij gemachtigd zijn te besturen krachtens dit document. Deze vrijstelling geldt eveneens tijdens de scholing en het examen met het oog op het behalen van dit rijbewijs;

de leden van het personeel van de federale politie die kandidaat zijn voor het rijbewijs voor de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E gedurende de opleiding die zij volgen in een school van de federale politie, waarvan het programma door de Minister goedgekeurd is.

Deze vrijstelling geldt eveneens tijdens de proeven georganiseerd na de opleiding;

10° de bestuurders van voertuigen van de categorie AM die geboren zijn vóór 15 februari 1961;

11° de bestuurders van bromfietsen met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 km/uur;

12° de bestuurders, geboren vóór 1 oktober 1982 en de bestuurders die aan de voorwaarden van artikel 3 niet beantwoorden, van voertuigen van de categorie G en van voertuigen van traag vervoer omschreven in artikel 1, § 2, 75 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

13° (opgeheven)

14° de bestuurders van een motorvoertuig hen ter beschikking gesteld door het centrum bedoeld in artikel 45, waartoe zij zich hebben gewend voor het bepalen van hun geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, alsmede om te vernemen welke aanpassingen aan hun eigen voertuig moeten worden aangebracht, gedurende de test op de openbare weg.

15° de kandidaten die de opleiding "vrachtwagenchauffeur" of de opleiding "bestuurder autobus en autocars" volgen, georganiseerd door het onderwijs voor sociale promotie, waarvan het programma is goedgekeurd door de minister, met het oog op het behalen van het rijbewijs respectievelijk geldig voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E en voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E;

16° de bestuurders van voertuigen van de categorie G die de opleiding « bestuurder van landbouwvoertuigen » waarvan het programma door de Minister werd goedgekeurd, in een landbouwschool of een landbouwopleidingscentrum volgen.

17° de bestuurders die het praktisch examen bedoeld in de artikelen 38 tot en met 42 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E afleggen of met het oog daarop scholing volgen;

18° (opgeheven)

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt in punten 4°, 5°, 7°, 15° en 16° tussen de woorden “door de” en het woord “Minister” het woord “Vlaamse” ingevoegd.

HOOFDSTUK II. — De scholing

Afdeling I. — Algemeenheden

Artikel 5. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, elke houder van een rijbewijs met de code 78 die een rijbewijs zonder deze code wil behalen of elke houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B die wil dat de code 96 erop wordt geplaatst, moet een scholing doorlopen :

hetzij door, in een rijschool het praktisch onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen;

hetzij op basis van een voorlopige rijbewijs model 3, overeenkomstig de regels voorgeschreven in afdeling II. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM.

(opgeheven)

§2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de §1 :

de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;

de houders van een Europees of een buitenlands nationaal rijbewijs, dat afgegeven is voor ten minste dezelfde categorie van voertuigen of voor een categorie die gelijkwaardig is aan die waarvoor de geldigverklaring gevraagd wordt;

de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° en 15° bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.

Artikel 5. Vlaams Gewest

§1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, elke houder van een rijbewijs met de code 78 die een rijbewijs zonder deze code wil behalen of elke houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B die wil dat de code 96 erop wordt geplaatst, moet een scholing doorlopen :

hetzij door, in een rijschool het praktisch onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen;

hetzij op basis van een voorlopige rijbewijs model 3, overeenkomstig de regels voorgeschreven in afdeling II. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM.

(opgeheven)

Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet een scholing doorlopen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B.

§2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de §1 :

de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;

de houders van een Europees of een buitenlands nationaal rijbewijs als vermeld in artikel 23, § 2, 1°, van de wet, dat afgegeven is voor ten minste dezelfde categorie van voertuigen of voor een categorie die gelijkwaardig is aan die waarvoor de geldigverklaring gevraagd wordt, en dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 27, 2°, van dit besluit;

de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° en 15° bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.

Artikel 5. Waals Gewest

§1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, elke houder van een rijbewijs met de code 78 die een rijbewijs zonder deze code wil behalen of elke houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B die wil dat de code 96 erop wordt geplaatst, moet een scholing doorlopen :

hetzij door, in een rijschool het praktisch onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen;

hetzij op basis van een voorlopige rijbewijs model 3, overeenkomstig de regels voorgeschreven in afdeling II. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM.

(opgeheven)

Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet een scholing doorlopen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B.

De houders van een Europees rijbewijs of van een buitenlands nationaal rijbewijs die niet beoogd zijn in artikel 23, § 2, 1o, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en die een Belgisch rijbewijs wensen te krijgen, moeten een scholing doorlopen, overeenkomstig de bepalingen van de vigerende reglementering.

§2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de §1 :

de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;

(opgeheven)

de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° en 15° bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.

Afdeling II. — Voorlopig rijbewijs

Artikel 6.

De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen :

1° De kandidaat :

a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;

b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs, sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23, §1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;

c) moet houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig:

  • voor de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C1, C, D1 of D en voor de verkrijging van de code 96;
  • voor het besturen van het overeenstemmende trekkende voertuig wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1+E, C+E, D1+E of D+E;

d) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

e) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42 ;

f) mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs geldig voor dezelfde categorie van voertuigen.

Dit verbod is evenwel niet van toepassing :

  • op de kandidaat die houder geweest is van een voorlopig rijbewijs geldig voor dezelfde categorie van voertuigen waarvan de geldigheid sinds meer dan drie jaar verstreken is. In dit geval, worden de mislukkingen voor de praktische examens die voor de afgifte van het nieuwe voorlopige rijbewijs werden afgelegd niet meegerekend voor de toepassing van artikelen 15, 1°, en 38, § 14;
  • op de houder van een rijbewijs met de vermelding « automatisch » die een voorlopig rijbewijs model 3 wil behalen voor het aanleren van het besturen van voertuigen van dezelfde categorie, uitgerust met een handschakeling :
  • op de houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B die een voorlopig rijbewijs wil behalen met het oog op het bijvoegen van de code 96;

g) moet geslaagd zijn voor het praktisch examen op een terrein buiten het verkeer indien het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs voor het besturen van voertuigen van de categorieën A1, A2 of A.

h) moet de leeftijd bereikt hebben 18 jaar voor de categorieën A1, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E, 20 jaar voor de categorie A2 en 22 jaar voor de categorie A als hij sinds ten minste twee jaar houder is van een rijbewijs geldig voor de categorie A2 of 24 jaar als dat niet het geval is;

i) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig rijbewijs;

j) moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het voorlopige rijbewijs. Deze beperking is niet van toepassing op de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie A1, A2 of A;

2° Het voertuig :

a) moet behoren tot de categorie van voertuigen waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;

b) mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9. Voor de categorieën A1, A2 en A is elk vervoer van personen verboden;

c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren, behalve als de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorieën C1, C1+E, C of C+E;

d) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken «L», waarvan het model is bepaald door de Minister;

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

e) mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopig rijbewijs geldig verklaard is voor de categorie A1, A2, A, B, C1, C, D1 of D, tenzij de code 96 op het document vermeld is;

f) moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider zoals bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, voorzien zijn van :

  • als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links;
  • als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten koetswerk of een voertuig van de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts;

3° De begeleider :

a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;

b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie categorie B+E, C1, C1+E, C of C+E de leeftijd van 24 jaar hebben bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie D1, D1+E, D of D+E de leeftijd van 27 jaar;

c) moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord waarvan hij de kandidaat vergezelt. De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden;

d) mag niet vervallen zijn of mag gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moet voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet werden opgelegd;

e) (opgeheven)

f) mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet op een ander voorlopig rijbewijs of leervergunning als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar vóór de afgifte van het voorlopige rijbewijs.

Dit verbod is niet van toepassing :

  • op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn wettelijke partner;
  • op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn ingeschreven als personeelsleden van dezelfde onderneming die haar bestuurders zelf opleidt, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat prestaties verrichten in een brandweerdienst bedoeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming;

g) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen.

Artikel 7.

Het voorlopige rijbewijs model 3 stemt overeen met het model van bijlage 2.

Het voorlopige rijbewijs wordt afgegeven :

aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 1° en 3°, b) en c), door de burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde waar de aanvrager ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;

aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 2° door de burgemeester of diens gemachtigde, van de gemeente waar de Belgische onderwijsinstelling zich bevindt waar de aanvrager is ingeschreven;

aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, a), door de Minister van Buitenlandse Zaken of zijn gemachtigde.

(opgeheven)

Het voorlopige rijbewijs wordt uitgereikt tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op vertoon van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 6, 1°, b), c), e), g) en 3°, f), tweede streepje.

Het model van de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en van het attest voorgelegd door de kandidaat die artikel 6, 3°, f), tweede streepje inroept, wordt bepaald door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Artikel 8.

§1. Het voorlopig rijbewijs model 3 is twaalf maanden geldig.

De geldigheid van een voorlopig rijbewijs kan niet verlengd worden.

§2. De overheid bedoeld in artikel 7 maakt het voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E. De overheid bedoeld in artikel 7 vermeldt de code 96 op het voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B en afgegeven met het oog op de scholing voor het besturen van een samenstel met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg en ten hoogste 4 250 kg, bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg. De overheid bedoeld in artikel 7 vermeldt de code 78 op het voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A als deze code is vermeld op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

§3. Het voorlopige rijbewijs is slechts geldig voor het aanleren van het besturen van voertuigen van de categorie waarvoor het geldig verklaard is.

De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in artikel 41, § 4, 44, § 5 en 45 worden aangebracht op het voorlopige rijbewijs in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7.

Het voorlopig rijbewijs met de code 78 voor de categorie waarvoor het geldig is, is enkel geldig voor het besturen van voertuigen uitgerust met een automatische schakeling.

§4. Ieder voorlopig rijbewijs dat is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de voorwaarden die in deze afdeling of in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B voor de afgifte ervan gesteld worden, is nietig.

In dat geval wordt het voorlopige rijbewijs aan de in artikel 7 vermelde overheid teruggegeven.

§5. Het voorlopige rijbewijs verliest zijn geldigheid :

wanneer niet meer voldaan is aan de in artikel 6 bepaalde afgiftevoorwaarden;

bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;

wanneer er een ander voorlopig rijbewijs wordt afgegeven, behalve wanneer één van de documenten geldig verklaard is voor de categorie A1, A2 of A;

als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie van voertuigen als deze waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is.

Het voorlopige rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

§6. In afwijking van de bepalingen van §5, verliest het voorlopige rijbewijs evenwel zijn geldigheid niet:

als een van de op het voorlopige rijbewijs vermelde begeleiders niet langer één van de in artikel 6, 3° vermelde voorwaarden vervult. In dit geval, moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van § 7;

(opgeheven)

§7. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het artikel 6, 3° mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op het voorlopige rijbewijs vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte hetzij tijdens de scholing .

In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing wordt een nieuw voorlopig rijbewijs afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7 ; dit nieuwe document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als het oorspronkelijk voorlopige rijbewijs.

Artikel 9.

De kandidaat van minder dan 24 jaar mag niet rijden van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, de vooravond van de wettelijke feestdagen en de wettelijke feestdagen

De houder van een voorlopige rijbewijs mag, naast de begeleider, vergezeld zijn van één andere persoon.

Afdeling III. — Leervergunning (opgeheven)

Artikel 10-13. (Opgeheven)

Afdeling IV. — Theoretisch en praktisch onderricht verstrekt door de rijscholen

Artikel 14.

Het theoretische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof bedoeld in bijlage 4.

Het theoretische onderricht heeft een minimumduur van :

zes uur voor de voorbereiding op het theoretisch examen voor de categorieën AM, C1, C, D1, D en G;

twaalf uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de categorieën A1, A2, A en B.

Artikel 14bis. (enkel Waals Gewest)

De kandidaat voor het rijbewijs van categorie B die twee keer op een rij niet geslaagd is voor de risicoperceptietest volgt drie uur lessen in een rijschool voordat hij de test opnieuw kan afleggen. De theoretische cursussen worden gecombineerd met praktische cursussen.

Artikel 15. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in bijlage 5.

Het praktische onderricht heeft een minimumduur van :

1° twee uren :

a) (opgeheven)

b) voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de code 78 voor een bepaalde categorie van voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;

c) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op een terrein buiten het verkeer;

d) voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat in dit artikel voorgeschreven is, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;

e) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78 die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen;

f) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78, waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

g) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op de openbare weg;

h) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie AM;

i) (opgeheven)

j) (opgeheven)

1° /2 drie uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die de opleiding bedoeld in de bepaling onder 4° /1 gevolgd heeft en die het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een rijschool;

2° vier uren :

a) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;

b) voor de houder van een rijbewijs, geldig voor de categorie B, die het vermelden van de code 372 wenst;

c) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 en die een rijbewijs geldig voor categorie A2 of A respectievelijk wil behalen;

d) voor de houder van een rijbewijs geldig voor categorie B die minstens 21 jaar oud is en die de vermelding van de code 373 wenst;

e) voor de kandidaat voor het rijbewijs AM;

3° zes uren :

a) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 waarop de code 78 is vermeld en die een rijbewijs wenst te behalen, geldig voor respectievelijk categorie A2 of A waarop deze code niet voorkomt;

b) als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;

c) (opgeheven)

4° acht uren :

a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die de scholing volgt in een rijschool;

b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

c) voor de kandidaat die een rijbewijs geldig voor de categorie B met daarop de code 96 wil behalen;

d) (opgeheven)

e) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de A1, A2 of A;

f) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G;

4° /1 negen uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A1, A2 of A die de proef op een terrein buiten het verkeer wenst af te leggen;

5° tien uren : voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5 als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie B;

(opgeheven)

(opgeheven)

De helft van de lesuren bedoeld in het tweede lid, 1°, c), in het tweede lid, 1°, g), in het tweede lid, 1° /2, in het tweede lid, 2°, b), in het tweede lid, 2°, c), in het tweede lid, 3°, a) en in het tweede lid, 4° /1, moet plaatsvinden op de openbare weg.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 1° /2 en 4° /1 gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/1.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 2°, e), gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/2.

Artikel 15. Vlaams Gewest

Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in bijlage 5.

Het praktische onderricht heeft een minimumduur van :

1° twee uren :

a) (opgeheven)

b) voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de code 78 voor een bepaalde categorie van voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;

c) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op een terrein buiten het verkeer;

d) voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat in dit artikel voorgeschreven is, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;

e) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78 die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen;

f) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78, waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

g) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op de openbare weg;

h) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie AM;

i) (opgeheven)

j) (opgeheven)

1° /2 drie uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die de opleiding bedoeld in de bepaling onder 4° /1 gevolgd heeft en die het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een rijschool;

2° vier uren :

a) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;

b) voor de houder van een rijbewijs, geldig voor de categorie B, die het vermelden van de code 372 wenst;

c) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 en die een rijbewijs geldig voor categorie A2 of A respectievelijk wil behalen;

d) voor de houder van een rijbewijs geldig voor categorie B die minstens 21 jaar oud is en die de vermelding van de code 373 wenst;

e) voor de kandidaat voor het rijbewijs AM;

3° zes uren :

a) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 waarop de code 78 is vermeld en die een rijbewijs wenst te behalen, geldig voor respectievelijk categorie A2 of A waarop deze code niet voorkomt;

b) als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;

c) voor de kandidaat die twee keer niet geslaagd is voor het praktische examen voor categorie B, vermeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;

d) voor de houder van een voorlopig rijbewijs B als vermeld in artikel 3, 4 en artikel 5/1, § 1/1, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, waarvan de geldigheid verstreken is;

4° acht uren :

a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die de scholing volgt in een rijschool;

b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

c) voor de kandidaat die een rijbewijs geldig voor de categorie B met daarop de code 96 wil behalen;

d) (opgeheven)

e) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de A1, A2 of A;

f) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G;

4° /1 negen uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A1, A2 of A die de proef op een terrein buiten het verkeer wenst af te leggen;

5° tien uren : voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5 als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie B;

6° twintig uren : voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs zonder begeleider, zoals bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, wenst te behalen.

(opgeheven)

De helft van de lesuren bedoeld in het tweede lid, 1°, c), in het tweede lid, 1°, g), in het tweede lid, 1° /2, in het tweede lid, 2°, b), in het tweede lid, 2°, c), in het tweede lid, 3°, a) en in het tweede lid, 4° /1, moet plaatsvinden op de openbare weg.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 1° /2 en 4° /1 gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/1.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 2°, e), gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/2.

Artikel 15. Waals Gewest

Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in bijlage 5.

Het praktische onderricht heeft een minimumduur van :

1° twee uren :

a) (opgeheven)

b) voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de code 78 voor een bepaalde categorie van voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;

c) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op een terrein buiten het verkeer;

d) voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat in dit artikel voorgeschreven is, of die na het aantal uren bedoeld in artikel 5/1, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;

e) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78 die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen;

f) voor de houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78, waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

g) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die tweemaal niet geslaagd is voor het praktisch examen op de openbare weg;

h) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie AM;

i) (opgeheven)

j) (opgeheven)

1° /2 drie uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie A1, A2 of A die de opleiding bedoeld in de bepaling onder 4° /1 gevolgd heeft en die het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een rijschool;

2° vier uren :

a) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;

b) voor de houder van een rijbewijs, geldig voor de categorie B, die het vermelden van de code 372 wenst;

c) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 en die een rijbewijs geldig voor categorie A2 of A respectievelijk wil behalen;

d) voor de houder van een rijbewijs geldig voor categorie B die minstens 21 jaar oud is en die de vermelding van de code 373 wenst;

e) voor de kandidaat voor het rijbewijs AM;

3° zes uren :

a) voor de kandidaat die houder is van een sinds ten minste twee jaar afgegeven rijbewijs geldig voor de categorie A1 of A2 waarop de code 78 is vermeld en die een rijbewijs wenst te behalen, geldig voor respectievelijk categorie A2 of A waarop deze code niet voorkomt;

b) als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;

c) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;

d) voor de kandidaat voor het rijbewijs B die twee keer niet geslaagd is voor de test over de technische rijvaardigheden;

4° acht uren :

a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E die de scholing volgt in een rijschool;

b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E waarvan de geldigheidsduur verstreken is;

c) voor de kandidaat die een rijbewijs geldig voor de categorie B met daarop de code 96 wil behalen;

d) (opgeheven)

e) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de A1, A2 of A;

f) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G;

4° /1 negen uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A1, A2 of A die de proef op een terrein buiten het verkeer wenst af te leggen;

5° tien uren : voor de kandidaat bedoeld in artikel 72 § 5 als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie B;

6° twintig uren : voor de kandidaat voor het rijbewijs B die het bekwaamheidsgetuigschrift bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B wenst te behalen met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider. Behalve voor de houder van een voorlopig rijbewijs met begeleider die een voorlopig rijbewijs zonder begeleider wenst te behalen;

7° dertig uren : voor de kandidaat die slaagt in het theoretisch examen, die 18 is, die voldoet aan de voorwaarden bepaald door de Waalse Minister, en die het praktisch examen, bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer rechtstreeks wenst af te leggen, met het oog op het behalen van een rijbewijs van categorie B.

De helft van de lesuren bedoeld in het tweede lid, 1°, c), in het tweede lid, 1°, g), in het tweede lid, 1° /2, in het tweede lid, 2°, b), in het tweede lid, 2°, c), in het tweede lid, 3°, a) en in het tweede lid, 4° /1, moet plaatsvinden op de openbare weg.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 1° /2 en 4° /1 gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/1.

De opleiding bedoeld in het tweede lid, 2°, e), gaat over de materies bedoeld in bijlage 5/2.

Artikel 16.

De verplichting tot het volgen van het aantal uren voorgeschreven in de artikelen 14 en 15 is niet van toepassing op de houders van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, van een voorlopig rijbewijs, die lessen volgen om hun rijvaardigheid tot het sturen van voertuigen van de categorie waarvoor het document geldig is, te vervolmaken.

Voor het in de artikelen 14 en 15 bepaalde aantal uren mogen de in twee verschillende zetels van één rijschool of de in twee verschillende rijscholen gevolgde uren samengeteld worden.

De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen worden gedurende een termijn van drie jaar.

Voor wat betreft het Waals Gewest, worden de woorden ″in de artikelen 14 en 15″ telkens vervangen door de woorden ″in de artikelen 14, 14bis en 15″.

HOOFDSTUK III. — Het rijbewijs

Afdeling I. — Afgifte

Artikel 17.

§1. Het rijbewijs komt overeen met het model van bijlage 1.

Het rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een rijbewijs. Het model van de aanvraag om een rijbewijs wordt bepaald door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Deze aanvraag bevat de toestemming van de aanvrager voor het gebruik van zijn foto en het elektronisch beeld van zijn handtekening uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, zoals bedoeld in artikel 6bis, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, voor de vervaardiging van het rijbewijs.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Deze aanvraag is vergezeld van :

een foto van de aanvrager die voldoet aan de door de minister vastgestelde normen, indien de foto, bedoeld in het tweede lid, niet gebruikt kan worden voor de vervaardiging van het rijbewijs;

de verklaringen betreffende de lichamelijke en visuele geschiktheid of, in voorkomend geval, de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 of 3, 44, § 5 en 45, tweede lid. Het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 is niet vereist indien de kandidaat houder is van een nog geldig rijbewijs, waarvoor het attest reeds aangeboden werd;

een verklaring op eer waarin gesteld wordt dat de aanvrager geen houder is van een Europees rijbewijs, behalve in het in § 2, 3 of 4 bedoelde geval;

in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de ingeroepen vrijstelling van het theoretische examen of het praktische examen.

Het rijbewijs is uitgereikt binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het slagen voor het praktische examen bedoeld in de artikelen 29, 2° en 33 en in artikel 21 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E. Zoniet moet de kandidaat opnieuw scholing volgen en een nieuw theoretisch en praktisch examen afleggen.

Elk rijbewijs dat niet wordt afgegeven binnen een termijn van drie maanden na de aanvraag, wordt vernietigd door de overheid bedoeld in artikel 7.

De minister of zijn gemachtigde bepaalt de bestemming die moet worden gegeven aan de aanvraagformulieren.

§2. Indien de aanvrager, overeenkomstig artikel 27, 2°, een Europees rijbewijs of een buitenlands rijbewijs voorlegt, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, ondertekent hij een verklaring waarbij bevestigd wordt dat het rijbewijs authentiek en nog geldig is ; het rijbewijs wordt afgegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

Indien het een Europees rijbewijs betreft, wordt het teruggezonden naar de overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die terugzending. Indien het om een buitenlands rijbewijs gaat, wordt dat rijbewijs bewaard door de in artikel 7 genoemde overheid en aan de houder teruggegeven wanneer deze niet meer voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3, § 1, voor het verkrijgen van een rijbewijs gesteld worden, tegen teruggave van het Belgische rijbewijs.

§ 3. Er mag geen rijbewijs worden afgegeven aan de aanvrager die reeds houder is van een Europees rijbewijs, behalve in het geval bedoeld in § 2.

Indien het Belgisch of Europees rijbewijs werd afgegeven na de inwisseling van een niet-Europees rijbewijs, mag een rijbewijs ook worden afgegeven als de titularis niet meer wenst dat code 70 bij een categorie vermeld wordt. In dit geval beroept de titularis zich niet op de vrijstelling bedoeld in artikel 27, 2°, volgt hij de in artikel 5, § 1 bedoelde scholing voorzien voor het bekomen van deze categorie, en bekomt hij een rijbewijs waarop code 70 niet langer vermeld wordt bij de categorie waarvoor de aanvraag om een Belgisch rijbewijs werd ingediend overeenkomstig de procedure bedoeld in § 1 en desgevallend bij andere categorieën overeenkomstig artikel 20. Het Belgisch of Europees rijbewijs met code 70 wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. Indien het een Europees rijbewijs betreft, wordt het teruggezonden naar de overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die terugzending.

Er mag geen rijbewijs worden afgegeven aan de aanvrager die reeds houder is van een Europees rijbewijs die het voorwerp uitmaakt van een nationale beperking, een schorsing of een intrekking in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte.

§ 4. De aanvrager die houder is van een nog geldig attest zoals bedoeld in artikel 69, § 2, bekomt een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs dat enkel geldig is buiten het weekend en feestdagen, zoals bepaald in artikel 38, § 2bis, van de wet. De administratieve geldigheidsduur van dit rijbewijs is beperkt tot de duur van het verval waaraan de houder is onderworpen overeenkomstig artikel 38, § 2bis van de wet.

De aanvrager die houder is van een nog geldig attest zoals bedoeld in artikel 69, § 3, bekomt een rijbewijs dat enkel geldig is voor de categorieën waarop het verval niet van toepassing is. De administratieve geldigheidsduur van dit rijbewijs is beperkt tot de duur van dit verval.

In het geval bedoeld in artikel 69, § 8, derde lid, bekomt de aanvrager een rijbewijs geldig voor de categorieën waarop hij krachtens artikel 72, § 4, tweede lid, recht heeft.

In het geval bedoeld in artikel 69, § 9, derde lid, verkrijgt de aanvrager een nieuw rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de administratieve geldigheidsduur wordt beperkt tot de duur bepaald in het attest in voorkomend geval. In voorkomend geval kan dit rijbewijs of dit als zodanig geldend bewijs hernieuwd worden met een nieuw rijgeschiktheidsattest met vermelding van voorwaarden of beperkingen, overeenkomstig artikel 73.

In de gevallen bedoeld in het eerste tot het vierde lid of in artikel 73/2, stuurt de griffier, indien de aanvrager houder van een Europees rijbewijs is, het Europees rijbewijs naar de overheid bedoeld in artikel 7 overeenkomstig artikel 69, § 2, vierde lid, § 3, vierde lid, § 8, tweede lid, § 9, tweede lid of 73/2, § 3. Na toepassing van artikel 57, wordt het Europees rijbewijs teruggezonden naar de overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die terugzending. Na het verstrijken van de duur van het verval van het recht tot sturen, kan de bestuurder een Belgische rijbewijs aanvragen overeenkomstig dit artikel.

Artikel 18.

De minimumleeftijd voor het behalen van een rijbewijs is vastgesteld op :

16 jaar voor de categorieën AM en G;

18 jaar voor de categorieën A1, B, B+E, C1 en C1+E.

De leeftijd is evenwel vastgesteld op 16 jaar voor de houders van een Europees rijbewijs behaald in een andere lidstaat geldig voor de categorie A1;

20 jaar voor de categorie A2.

De leeftijd is evenwel vastgesteld op 18 jaar voor de houders van een Europees rijbewijs behaald in een andere lidstaat geldig voor de categorie A2;

21 jaar voor de categorieën C, C+E, D1 en D1+E.

Een kandidaat van ten minste 18 jaar kan evenwel een rijbewijs geldig voor de categorieën C, C+E, D1 en D1+E behalen, op voorwaarde dat hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E;

24 jaar voor de categorie A, behalve als de kandidaat sinds ten minste twee jaar houder is van een rijbewijs geldig voor de categorie A2, in welk geval de leeftijd 22 jaar is.

De leeftijd is evenwel vastgesteld op 20 jaar voor de houders van een Europees rijbewijs behaald in een andere lidstaat geldig voor de categorie A;

24 jaar voor de categorieën D en D+E.

Een kandidaat van ten minste 18 jaar kan evenwel een rijbewijs geldig voor de categorieën D en D+E behalen, op voorwaarde dat hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E.

Afdeling II. — Geldigheid

Artikel 19.

§1. Het rijbewijs wordt geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E of G.

§2. Een kandidaat van minder dan 21 jaar die het praktisch examen met een voertuig van de categorie C heeft afgelegd, ontvangt een rijbewijs enkel geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C1, behalve als hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E.

Wanneer de houder de leeftijd van 21 jaar bereikt, kan hij een rijbewijs geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C behalen, zonder de scholing te moeten doorlopen en een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De in artikel 49 voorgeschreven procedure is van toepassing.

§3. Een kandidaat van minder dan 24 jaar die het praktisch examen met een voertuig van de categorie D heeft afgelegd, ontvangt een rijbewijs enkel geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D1, behalve als hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E.

Wanneer de houder de leeftijd van 24 jaar bereikt, kan hij een rijbewijs geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D behalen, zonder de scholing te moeten doorlopen en een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De in artikel 49 voorgeschreven procedure is van toepassing.

§4. Het rijbewijs geldig voor de categorie G, afgeleverd aan een kandidaat die jonger is dan 18 jaar, laat enkel toe voertuigen te besturen van de categorie G waarvan de maximaal toegelaten massa niet meer is dan 20 000 kg. Deze beperking wordt vermeld op het rijbewijs onder de vorm van de in bijlage 7 voorziene code.

De houder van het rijbewijs, bedoeld in het eerste lid, mag, eenmaal de leeftijd van 18 jaar is bereikt, alle voertuigen van de categorie G besturen, zonder hiervoor een nieuw rijbewijs te moeten behalen.

Artikel 20.

§1. De geldigheid van de rijbewijzen wordt bepaald als volgt :

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie AM;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A2 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM en A1;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM, A1 en A2;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie AM;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM, B en C1;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM, B en D1;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM en B;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën AM en B;

het rijbewijs geldig verklaard voor de categorieën C1+E, C+E, D1+E of D+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie B+E;

10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën C1+E en G;

11° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorieën C1+E en D1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D1+E;

12° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D1+E;

13° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorieën C+E en D wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D+E;

14° het rijbewijs met de code 78 is slechts geldig voor het besturen van voertuigen uitgerust met een automatische schakeling; deze beperking heeft in voorkomend geval alleen betrekking op bepaalde categorieën, aangeduid op het rijbewijs.

§2. De houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B zonder de code 96 mag een samenstel besturen, bestaande uit een voertuig van de categorie B en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van dit samenstel niet meer dan 3 500 kg bedraagt.

De houder van een rijbewijs geldig voor de categorie B met de code 96 mag een samenstel besturen, bestaande uit een voertuig van de categorie B en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van dit samenstel niet meer dan 4 250 kg bedraagt.

Het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B, sinds ten minste twee jaar afgegeven, laat toe voertuigen van de categorie A1 te besturen op voorwaarde dat de houder de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, b), heeft gevolgd en dat de code 372 bij de categorie B wordt vermeld.

Het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B, laat toe driewielers van de categorie A te besturen op voorwaarde dat de houder minstens 21 jaar oud is en de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, d), gevolgd heeft en dat de code 373 bij de categorie B wordt vermeld.

§3. De rijbewijzen geldig verklaard voor de categorie B, B+E C1, C1+E of C laten het besturen van voertuigen van de categorie G toe met een maximale toegelaten massa gelijk aan die van de auto's die onder de dekking van die rijbewijzen mogen bestuurd worden.

§4. Voor het besturen van motorvoertuigen die gebruikt worden als praalwagen en motorvoertuigen die een praalaanhangwagen trekken, die gebruikt worden ter gelegenheid van door de gemeente toegelaten folkloristische manifestaties, of de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, volstaat het rijbewijs geldig verklaard voor categorie B of G en dit ongeacht de massa van het voertuig of het aantal zitplaatsen, en dit voor zover zij niet meer dan 25 km per uur rijden.

§ 5. Op het rijbewijs geldig verklaard voor categorie A2 waarop de code 78 niet voorkomt, wordt de vermelding van de code 78 bij categorie A1 opgeheven.

Op het rijbewijs geldig verklaard voor categorie A waarop de code 78 niet voorkomt, wordt de vermelding van de code 78 bij de categorieën A1 en A2 opgeheven.

§ 6. Code 78 wordt niet aangebracht op het rijbewijs geldig verklaard voor categorie C, C+E, D of D+E indien de houder van het rijbewijs al houder is van minstens één van de categorieën B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E, zonder vermelding van code 78.

§ 7. Het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe industriële voertuigen van speciale constructie, bedoeld in artikel 1, § 2, 76, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, te besturen op voorwaarde dat, wegens zijn constructie, de snelheid van het voertuig van speciale constructie minder dan of gelijk aan 40 km/u is en dat dit voertuig gebruikt wordt in één van de volgende gevallen:

1° voor een reis tussen bouwplaatsen liggend op een afstand van minder dan 5 km;

2° binnen een havengebied.

Artikel 20bis.

§ 1. De administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs bedraagt hoogstens tien jaar.

In afwijking van het eerste lid, heeft het rijbewijs, bedoeld in artikel 21, § 4 en § 5, een administratieve geldigheidsduur van een jaar.

§ 2. De verlenging van het rijbewijs op het moment dat de administratieve geldigheidsduur verstrijkt, is afhankelijk van de voorwaarde dat nog steeds voldaan is aan de bepalingen van dit besluit en gebeurt overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 49, eerste lid.

In afwijking van artikel 17, § 2, wordt het Europees rijbewijs waarvan de administratieve geldigheidsduur verstrijkt, hernieuwd overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 49, eerste lid, op voorwaarde dat voldaan is aan de bepalingen van dit besluit.

Artikel 21.

§1. Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen voor de categorieën AM, A, B, B+E en G is geldig voor een onbepaalde duur of voor de door de geneesheer aangegeven duur als de toestemming tot sturen in de tijd beperkt is overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C1, C, C1+E, C+E, D1, D, D1+E en D+E is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5.

Het Europese rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C1, C, C1+E, C+E, D1, D, D1+E en D+E of voor gelijkwaardige categorieën is geldig voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de inschrijvingsdatum in een Belgische gemeente of bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Evenwel, als er op het rijbewijs een kortere geldigheidsduur is vermeld dan deze in dit lid, is die kortere duur van toepassing.

Het in ruil voor een Europees of een buitenlands rijbewijs afgegeven Belgische rijbewijs is geldig voor een volgens eerste en derde lid vastgestelde duur.

§2. Het Belgische of Europese rijbewijs waarvan de houder beantwoordt aan de voorwaarden van het artikel 3, § 1, geldig verklaard voor de categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, is geldig voor het besturen van voertuigen van deze categorieën, bestemd voor een van de vervoersdiensten bedoeld in artikel 43, voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5.

§3. Het Belgische of Europese rijbewijs dat beperkt is in de tijd overeenkomstig de bepalingen van §§ 1 en 2 wordt vernieuwd op vertoon van het attest bedoeld in de artikelen 41 §§2 of 3, 44, § 5 of 45, tweede lid.

Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven, overeenkomstig de procedure voorgeschreven in artikel 49, zonder dat de aanvrager zich moet onderwerpen aan de scholing en een nieuw theoretisch en praktisch examen moet afleggen.

Het nieuwe rijbewijs is geldig voor de duur die aangeduid is op het attest bedoeld in het eerste lid.

§4. Het rijbewijs afgegeven aan een persoon die ingeschreven is in het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder is van een attest van immatriculatie, is geldig gedurende een jaar.

Het rijbewijs wordt jaarlijks vernieuwd, overeenkomstig de procedure voorgeschreven in artikel 49, zolang geen uitspraak gedaan is over de aanvraag tot erkenning van hoedanigheid van vluchteling.

§ 5. Het rijbewijs afgegeven aan een persoon die houder is van een bijlage 19 bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overeenkomstig artikel 3, § 1, is geldig gedurende een jaar.

Het rijbewijs wordt jaarlijks hernieuwd, overeenkomstig de procedure voorgeschreven in artikel 49, zolang geen uitspraak gedaan is over de verblijfsaanvraag van de houder.

Artikel 22.

De administratieve geldigheidsduur en de datum waarop de geldigheidsduur afloopt voor elke categorie worden op het rijbewijs vermeld. De administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs wordt beperkt tot de geldigheidsduur van de categorie waarvoor het rijbewijs het langst geldig wordt verklaard.

De geldigheidsduur van het rijbewijs bedoeld in artikel 21, § 2 wordt aangeduid in de rubriek « Beperkingen/vermeldingen », voorafgegaan door de letter « T ». Voor de toepassing van dit lid vraagt de houder, in voorkomend geval, een nieuw rijbewijs aan. De procedure voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing.

De eerste afgiftedatum van elke categorie wordt weer overgenomen op elke vervanging van het rijbewijs.

Artikel 23.

De voorwaarden waaronder de bestuurder gemachtigd is te sturen, voorkomend op het attest bedoeld in de artikelen 41 §4, 44, § 5 en 45, tweede lid, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7, overgenomen op het rijbewijs.

Wanneer de kandidaat het praktische examen heeft afgelegd, met van voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt daarvan in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7, melding gemaakt op het rijbewijs. Dit lid is niet van toepassing op de voertuigen van de categorie AM en van de categorie G.

Artikel 24.

Is nietig, elk rijbewijs afgegeven zonder dat aan de bepalingen van dit besluit is voldaan of wanneer blijkt dat het rijbewijs werd afgegeven zonder dat de aanvrager daadwerkelijk een gewone verblijfplaats in België verworven heeft, zelfs als hij beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 3, § 1.

Behalve in de gevallen bedoeld in artikel 69, § 2, tweede lid, § 3, tweede lid, § 8, derde lid, en § 9, derde lid en in artikel 73/2, § 2, verliest het rijbewijs zijn geldigheid wanneer aan de houder een nieuw rijbewijs wordt afgegeven.

In de gevallen bedoeld in artikel 69, § 2, tweede lid, § 3, tweede lid, § 8, derde lid, en § 9, derde lid, en in artikel 73/2, § 2, wordt de geldigheid van het Belgisch rijbewijs, bewaard door de griffie, opgeschort tijdens de periode van het verval van het recht tot sturen waaraan de houder onderworpen is en, in voorkomend geval, tot zijn herstel in het recht tot sturen.

Het rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

HOOFDSTUK IV. — Examens

Afdeling I. — Examencentra

Artikel 25. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§ 1. Het theoretische en praktische examen bedoeld in artikel 23 § 1, 2° en 4° van de wet, worden afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen. De praktische examens voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie G kunnen, onder de door de Minister bepaalde voorwaarden, ook afgelegd worden in de landbouwscholen en in de landbouwopleidingscentra of in de rijscholen die onderricht verstrekken voor het besturen van voertuigen van de categorie G.

De kandidaten die een theoretische opleiding voor het besturen van de voertuigen van de categorie B hebben gevolgd in een school van het secundair onderwijs kunnen het theoretisch examen voor de categorie B in deze school afleggen.

De kandidaten leggen het theoretische en het praktische examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26. Het theoretische examen kan eveneens afgelegd worden voor een aangestelde van de instelling, handelend onder de verantwoordelijkheid van de examinator.

§ 2. De Minister bepaalt het aantal van de examencentra, de plaats van hun vestiging, de grenzen van hun territoriale bevoegdheid en de regelen betreffende hun organisatie.

De erkende instellingen gedragen zich voor de uitvoering van hun opdracht naar de onderrichtingen welke hen door de Minister of door zijn gemachtigde gegeven worden.

§ 3. De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de examens voor het behalen van het rijbewijs voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E.

Artikel 25. Vlaams Gewest

§ 1. Het theoretische en praktische examen bedoeld in artikel 23 § 1, 2° en 4° van de wet, worden afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen. De praktische examens voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie G kunnen, bij besluit van de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, ook afgelegd worden in de landbouwscholen en in de landbouwopleidingscentra of in de rijscholen die onderricht verstrekken voor het besturen van voertuigen van de categorie G.

De kandidaten die een theoretische opleiding voor het besturen van de voertuigen van de categorie B hebben gevolgd in een school van het secundair onderwijs kunnen het theoretisch examen voor de categorie B in deze school afleggen.

De kandidaten leggen het theoretische en het praktische examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26. Het theoretische examen kan eveneens afgelegd worden voor een aangestelde van de instelling, handelend onder de verantwoordelijkheid van de examinator.

§ 2. Het aantal examencentra, de plaatsen waar ze gevestigd zijn, de grenzen van hun territoriale bevoegdheid en de regels betreffende hun organisatie worden bij besluit van de Vlaamse Regering bepaald.

De erkende instellingen gedragen zich voor de uitvoering van hun opdracht naar de onderrichtingen welke hen door de Minister of door zijn gemachtigde gegeven worden.

§ 2/1. De instellingen die instaan voor het afnemen van examens om een rijbewijs te behalen, delen de informatie die vermeld is in de documenten die ze afgegeven aan kandidaten, elektronisch mee aan het Departement. Het Departement bepaalt de modaliteiten daarvoor en bepaalt de vorm waarin de informatie wordt opgesteld en aan het Departement wordt bezorgd.

§ 3. De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de examens voor het behalen van het rijbewijs voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E.

Artikel 25. Waals Gewest

§ 1. Het theoretische en praktische examen bedoeld in artikel 23 § 1, 2° en 4° van de wet, worden afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen. De praktische examens voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie G kunnen, onder de door de Waalse Minister bepaalde voorwaarden, ook afgelegd worden in de landbouwscholen en in de landbouwopleidingscentra of in de rijscholen die onderricht verstrekken voor het besturen van voertuigen van de categorie G.

De kandidaten die een theoretische opleiding voor het besturen van de voertuigen van de categorie B hebben gevolgd in een school van het secundair onderwijs kunnen het theoretisch examen voor de categorie B in deze school afleggen.

De kandidaten leggen het theoretische en het praktische examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26. Het theoretische examen kan eveneens afgelegd worden voor een aangestelde van de instelling, handelend onder de verantwoordelijkheid van de examinator.

§ 2. De Waalse Minister bepaalt het aantal van de examencentra, de plaats van hun vestiging, de grenzen van hun territoriale bevoegdheid en de regelen betreffende hun organisatie.

De erkende instellingen gedragen zich voor de uitvoering van hun opdracht naar de onderrichtingen welke hen door de Waalse Minister of door zijn gemachtigde gegeven worden.

§ 3. De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de examens voor het behalen van het rijbewijs voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E.

§ 4. De examencentra verstrekken de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B die in het examen bedoeld in artikel 23, § 1, 4o, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer van 16 maart 1968 zijn geslaagd, het slaagattest waarvan het model door de Waalse Minister wordt bepaald.

§ 5. Met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider, kunnen de examencentra, volgens de door de Waalse Minister of zijn afgevaardigde bepaalde modaliteiten, het bekwaamheidscertificaat bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B verstrekken aan de kandidaten voor het rijbewijs van categorie B die bewezen hebben dat ze bekwaam zijn alleen te sturen.

§ 6. De bekwaamheid om alleen te sturen wordt bewezen door het slagen voor de test over de technische rijvaardigheden, georganiseerd door de examencentra.

De test over de technische rijvaardigheden heeft betrekking op de onderwerpen vermeld in bijlage 5 en de duur ervan mag niet minder dan dertig minuten bedragen. De test wordt becijferd op de manier vermeld in bijlage 5.

De inschrijving voor de test over de technische rijvaardigheden gebeurt volgens de modaliteiten en op de manier goedgekeurd door de Waalse Minister of diens afgevaardigde.

De kandidaat voor het rijbewijs B, die 18 jaar oud is, en die zich aan de test over de technische rijvaardigheden wenst te onderwerpen, behaalt eerst :

a) het slaagattest voor de risicoperceptietest;

b) het getuigschrift van praktisch rijonderricht afgegeven door een erkende rijschool of, in voorkomend geval, het geldig voorlopig rijbewijs B waarvan hij sinds minstens drie maanden houder is.

Na twee opeenvolgende mislukkingen voor de test over de technische rijvaardigheden, volgt de kandidaat voor het rijbewijs B zes uren les in een erkende rijschool vóór hij opnieuw deelneemt aan de test.

Het bekwaamheidsgetuigschrift, waarvan het model door de Waalse Minister wordt bepaald, heeft een geldigheidsperiode van maximum achttien maanden.

§ 7. De risicoperceptietest wordt georganiseerd door de examencentra. De test wordt afgelegd in de vorm van een audiovisuele proef en de duur ervan mag niet meer dan dertig minuten bedragen.

De test wordt becijferd en verbeterd op de manier vermeld in bijlage 5.

De inschrijving voor de risicoperceptietest gebeurt volgens de modaliteiten en op de manier goedgekeurd door de Waalse Minister of diens afgevaardigde.

De kandidaat voor het rijbewijs B die zich aan de risicoperceptietest wenst te onderwerpen, meldt zich bij het examencentrum met zijn slaagattest van het theoretisch examen dat van minder dan drie jaar dateert.

Na twee opeenvolgende mislukkingen voor de risicoperceptietest, kan de kandidaat voor het rijbewijs B een nieuwe test afleggen uitsluitend op vertoon van een nieuw getuigschrift van onderricht afgegeven door een erkende rijschool.

De geldigheid van het slaagattest van de risicoperceptietest, waarvan het model door de Waalse Minister wordt bepaald, is beperkt tot de geldigheid van het slaagattest van het theoretische examen dat de kandidaat heeft afgelegd tijdens de test.

§ 8. De tests over de technische rijvaardigheden en de risicoperceptie worden in de Franse taal of de Duitse taal afgelegd.

De kandidaten voor het rijbewijs B, die de Franse taal of de Duitse taal niet machtig zijn, kunnen deze tests in het Nederlands of het Engels afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door de kandidaat betaald wordt.

De risicoperceptietest kan zodanig georganiseerd worden dat meerdere kandidaten voor het rijbewijs van categorie B die eenzelfde taal spreken en verstaan, worden gegroepeerd.

§ 9. De kandidaat voor het rijbewijs B moet zich schikken naar de aanwijzingen gegeven door de examinatoren tijdens de uitvoering van de risicoperceptietest.

Wanneer de examinator een onregelmatigheid vaststelt van de kandidaat voor het rijbewijs B, schorst hij zijn evaluatie, in voorkomend geval, na een voorlopige inhouding van de gegevens die onregelmatig in het bezit zijn van de kandidaat. De kandidaat wordt op de hoogte gebracht van de relevante feitelijke gegevens en van de stukken tot vastlegging van de onregelmatigheid die werd vastgesteld. De kandidaat als hij meerderjarig is, wordt onmiddellijk gehoord over zijn toelichting en verdedigingsmiddelen wat betreft de onregelmatigheid die hem wordt verweten. De minderjarige kandidaat wordt gehoord in het bijzijn van één van zijn ouders of van de persoon bekleed met het ouderlijk gezag. Na het verhoor, wordt een proces-verbaal van verhoor in twee exemplaren opgesteld dat door de examinator en de kandidaat en in voorkomend geval door de ouders of voogden moet worden ondertekend. Één van de twee exemplaren wordt afgegeven aan de kandidaat of in voorkomend geval aan de ouders of de voogden van de kandidaat; het ander exemplaar wordt door het examencentrum bewaard. De examinator maakt gewag van de feiten en middelen en beslist of er al dan niet een onregelmatigheid was. Als er een onregelmatigheid geweest is, zakt de kandidaat voor de risicoperceptietest en wordt hij uitgesloten tijdens de twaalf volgende maanden vooraleer hij de test opnieuw kan afleggen. De examinator deelt aan de kandidaat de beslissing mee die tegen hem genomen is, alsook de motiveringen dit tot de aanneming ervan hebben geleid. De kandidaat kan een beroep indienen bij de beroepscommissie bedoeld in artikel 47.

§ 10. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de risicoperceptietest afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Waalse minister of diens afgevaardigde. De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het overleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een centrum voor leerlingenbegeleiding, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering, waarvan het model door de Waalse Minister of diens afgevaardigde is goedgekeurd.

Het getuigschrift of attest bedoeld in het eerste lid kan evenwel door andere instellingen afgeleverd worden die door de Waalse Minister aangewezen zijn.

Afdeling II. — Examinatoren

Artikel 26. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§1. De examinatoren belast met het theoretische en het praktische examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend.

De Minister kan, na betrokkene en desgevallend de directeur van de instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinatoren opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

§2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden:

onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;

ten minste 25 jaar oud zijn;

van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;

niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

houder zijn van ten minste één van de diploma's, getuigschriften of brevetten die in aanmerking worden genomen voor toelating tot de niveaus A, B of C, in de overheidsdiensten van de Staat, zoals bedoeld in het eerste hoofdstuk van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, of houder zijn van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig werd erkend conform hoofdstuk II van dezelfde bijlage. De vereiste om houder te zijn van een van deze diploma's vervalt echter indien de betrokkene een beroepservaring van ten minste 5 jaar op het gebied van de praktische rijopleiding kan aantonen;

voltooien van een basis- opleidingsprogramma en slagen voor een examen over de materie bedoeld in bijlage 19. De inhoud en de modaliteiten van de organisatie van de basisopleiding en het examen zijn goedgekeurd door de minister of zijn gemachtigde. Examinatoren moeten tevens voldoen aan de regels inzake verplichte kwaliteitswaarborging en periodieke bijscholing voorzien in artikel 26quater;

geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;

indien het een examinator voor de categorie B betreft, ten minste drie jaar houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de categorie B.

De examinatoren voor de andere categorieën zijn ten minste vijf jaar houder van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de categorie van motorvoertuigen waarvoor de betrokkene als examinator belast zal zijn met het beoordelen van het praktische examen.

De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1 januari 1989 in dienst waren.

§3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie van instructeur in een erkende rijschool.

Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd.

De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot, kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot.

Artikel 26. Vlaams Gewest

§1. De examinatoren belast met het theoretische en het praktische examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde erkend.

De Vlaamse minister kan, na betrokkene en desgevallend de directeur van de instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinatoren opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

§2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden:

onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;

ten minste 25 jaar oud zijn;

van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;

niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

houder zijn van ten minste een van de diploma’s, getuigschriften of brevetten die in aanmerking worden genomen voor toelating tot niveau A, B of C van de overheidsdiensten van de Vlaamse of federale overheid, of houder zijn van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig is erkend, of een beroepservaring van ten minste vijf jaar op het gebied van de praktische rijopleiding aantonen;

voltooien van een basis- opleidingsprogramma en slagen voor een examen over de materie bedoeld in bijlage 19. De inhoud en de modaliteiten van de organisatie van de basisopleiding en het examen zijn goedgekeurd door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde. Examinatoren moeten tevens voldoen aan de regels inzake verplichte kwaliteitswaarborging en periodieke bijscholing voorzien in artikel 26quater;

geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;

indien het een examinator voor de categorie B betreft, ten minste drie jaar houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de categorie B.

De examinatoren voor de overige categorieën zijn houders van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de betrokken categorie. Daarnaast zijn zij gekwalificeerde examinatoren voor het rijbewijs van categorie B en hebben zij die taak gedurende ten minste drie jaar uitgeoefend. Het vereiste van drie jaar werkervaring als examinator in B kan vervallen indien de examinator kan aantonen dat hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet :

a) ten minste vijf jaar houder zijn van een rijbewijs dat geldt voor de categorieën van motorvoertuigen voor dewelke hij als examinator belast is met het afnemen van het praktische examen, ofwel;

b) geslaagd zijn voor een hoger theoretisch en praktisch rijvaardigheidsexamen dan nodig is voor het behalen van een rijbewijs.

De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1 januari 1989 in dienst waren.

§3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie van instructeur in een erkende rijschool.

Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd.

De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot, kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot.

Artikel 26. Waals Gewest

§1. De examinatoren belast met het theoretische en het praktische examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn door de Waalse Minister of zijn gemachtigde erkend.

De Waalse Minister of diens afgevaardigde kan, na betrokkene en desgevallend de directeur van de instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinatoren opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

§2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden:

onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;

ten minste 25 jaar oud zijn;

van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;

niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

houder zijn van ten minste één van de diploma’s, getuigschriften of brevetten die in aanmerking worden genomen voor toelating tot niveau A, B of C van de Waalse overheidsdiensten, of houder zijn van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig is erkend, of een beroepservaring van ten minste vijf jaar op het gebied van de praktische rijopleiding aantonen;

voltooien van een basis- opleidingsprogramma en slagen voor een examen over de materie bedoeld in bijlage 19. De inhoud en de modaliteiten van de organisatie van de basisopleiding en het examen zijn goedgekeurd door de Waalse Minister of zijn gemachtigde. Examinatoren moeten tevens voldoen aan de regels inzake verplichte kwaliteitswaarborging en periodieke bijscholing voorzien in artikel 26quater;

geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;

indien het een examinator voor de categorie B betreft, ten minste drie jaar houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de categorie B.

De examinatoren voor de overige categorieën zijn houders van een Belgisch of Europees rijbewijs dat geldt voor de betrokken categorie. Daarnaast zijn zij gekwalificeerde examinatoren voor het rijbewijs van categorie B en hebben zij die taak gedurende ten minste drie jaar uitgeoefend. Het vereiste van erkenning voor categorie B als examinator in B kan vervallen indien de examinator kan aantonen dat hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet :

a) ten minste vijf jaar houder zijn van een rijbewijs dat geldt voor de categorieën van motorvoertuigen voor dewelke hij als examinator belast is met het afnemen van het praktische examen, ofwel;

b) geslaagd zijn voor een hoger theoretisch en praktisch rijvaardigheidsexamen dan nodig is voor het behalen van een rijbewijs.

De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1 januari 1989 in dienst waren.

§3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie van instructeur in een erkende rijschool.

Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd.

De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot, kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot.

Artikel 26bis. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§ 1. De basisopleiding, bedoeld in artikel 26, § 2, 6° wordt gegeven door de opleidingscentra erkend door de minister of zijn gemachtigde.

De opleidingsprogramma's voor de basisopleiding zijn als volgt gegroepeerd :

programma A voor de categorieën AM, A1, A2 en A;
programma B voor de categorieën B, B+E en G;
programma C voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E;
programma D voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E.

De opleidingsprogramma’s bestaan uit twee delen:

1° een groepsspecifiek deel dat zich minstens richt op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19;

2° een gemeenschappelijk opleidingsprogramma dat bestaat uit de materie opgesomd onder de punten A, D en F van bijlage 19. Dit gemeenschappelijk opleidingsprogramma moet echter niet gevolgd worden als de kandidaat-examinator het reeds met succes afgerond heeft in het kader van een voorafgaande erkenning.

§ 2. De erkenning van een opleidingscentrum voor de basisopleiding wordt toegekend voor het geven van de basisopleiding aan examinatoren belast met het afnemen van praktische rijexamens.

Om erkend te worden moet het opleidingscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :

deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt, gedurende minstens twee jaar, van een organisme dat actief is in het domein van de organisatie van examens voor het behalen van het rijbewijs of deel uitmaken van een groepering waarbij de centra die examens voor het rijbewijs afnemen zijn aangesloten;

houder zijn van een ISO-certificaat, Qfor, EFQM, of andere certificaten of kwaliteitbeoordelingssystemen die erkend zijn op het gebied van opleiding;

minimaal een opleidingsprogramma voor de basisopleiding A, B, C of D voorstellen, waarin alle kennis en vaardigheden die vereist worden in bijlage 19 worden behandeld.

Elk opleidingscentrum verplicht zich ertoe de basisopleiding te geven in overeenstemming met het goedgekeurde opleidingsprogramma;

zich ertoe verbinden om, volgens de modaliteiten bepaald door de minister of zijn gemachtigde, elke wijziging van het programma voor te leggen aan de Brussel Mobiliteit die de wijzigingen goedkeurt of afwijst binnen een termijn van 60 dagen;

beschikken over gepaste infrastructuur en pedagogisch materiaal, en kunnen beschikken over een voertuig van elke categorie;

instructeurs in dienst hebben die beschikken over een opleiding in de onderwezen materie en die tevens beschikken over een afdoende professionele ervaring of een opleiding in didactiek en pedagogiek.

De instructeurs voor het praktijkgedeelte van de opleiding moeten minstens vier jaar houder zijn van een rijbewijs B, en minstens drie jaar van een rijbewijs dat geldt voor de overige betrokken categorieën;

aanstellen van een directeur die het opleidingscentrum vertegenwoordigt bij de overheid en die verantwoordelijk is voor de organisatie van de basisopleiding en de administratieve taken.

§ 3. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Brussel Mobiliteit. Zij moet alle informatie bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 26 bis, § 2.

De erkenning van een opleidingscentrum geldt slechts voor de basisopleiding of de basisopleidingen die deel uitmaakten van het goedkeuringsdossier, overeenkomstig § 2, tweede lid, 3° en geldt enkel voor de rijbewijscategorieën waarvoor de rijexamens worden georganiseerd door het organisme waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt of door de examencentra aangesloten bij de groepering waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt.

De minister geeft de erkenning binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en wordt verlengd indien hiervoor een aanvraag wordt gedaan bij de Brussel Mobiliteit.

Bij de aanvraag van de erkenning van het opleidingscentrum worden de documenten gevoegd die nader zijn bepaald door de minister of zijn gemachtigde.

§ 4. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De minister levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

§ 5. De minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum. De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

§ 6. De erkenningsaanvraag van een opleidingscentrum of de aanvraag tot verlenging van de erkenning geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1000 euro. De betalingsmodaliteiten worden bepaald door de minister of zijn gemachtigde.

Elk opleidingscentrum is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken. Deze retributie wordt ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

De bedoelde retributies worden onderworpen aan een automatische indexatie op 1 januari van ieder jaar op basis van de gewone index van de maand november van het vorige jaar. Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.

§ 7. De minister kan, wanneer de in deze afdeling bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben, de erkenning van het opleidingscentrum voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Indien de minister ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat de in deze afdeling bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van het opleidingscentrum in, na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

§ 8. De minister of zijn gemachtigde kan de inhoud van de opleiding en de erkenningsvoorwaarden van de opleidingscentra nader bepalen.

Artikel 26bis. Vlaams Gewest

§ 1. De basisopleiding, bedoeld in artikel 26, § 2, 6° wordt gegeven door de opleidingscentra erkend door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

De opleidingsprogramma's voor de basisopleiding zijn als volgt gegroepeerd :

programma A voor de categorieën A1, A2 en A;
programma B voor de categorieën AM, B, B+E en G;
programma C voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E;
programma D voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E.

Het programma B bestaat uit twee opleidingsdelen :

een groepsspecifiek deel dat zich richt op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19;

een voor alle groepen rijbewijscategorieën gemeenschappelijk opleidingsprogramma dat bestaat uit de materie opgesomd onder de punten A, D en F van bijlage 19.

De opleidingsprogramma's A, C en D zijn minstens gericht op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19.

De examinatoren die tussen 1 mei 2013 en 1 augustus 2021 het basisopleidingsprogramma B hebben gevolgd, kunnen examens voor de categorie AM afnemen als zij een bijscholing volgen die zich richt op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B en C van bijlage 19, specifiek voor de categorie AM. De bijscholing wordt gegeven door de opleidingscentra erkend door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

§ 2. De erkenning van een opleidingscentrum voor de basisopleiding wordt toegekend voor het geven van de basisopleiding aan examinatoren belast met het afnemen van praktische rijexamens.

Om erkend te worden moet het opleidingscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :

deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt, gedurende minstens twee jaar, van een organisme dat actief is in het domein van de organisatie van examens voor het behalen van het rijbewijs of deel uitmaken van een groepering waarbij de centra die examens voor het rijbewijs afnemen zijn aangesloten;

houder zijn van een ISO-certificaat, Qfor, EFQM, of andere certificaten of kwaliteitbeoordelingssystemen die erkend zijn op het gebied van opleiding;

minimaal een opleidingsprogramma voor de basisopleiding A, B, C of D voorstellen, waarin alle kennis en vaardigheden die vereist worden in bijlage 19 worden behandeld.

Elk opleidingscentrum verplicht zich ertoe de basisopleiding te geven in overeenstemming met het goedgekeurde opleidingsprogramma;

zich ertoe verbinden om, volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde, elke wijziging van het programma voor te leggen aan het Departement die de wijzigingen goedkeurt of afwijst binnen een termijn van 60 dagen;

beschikken over gepaste infrastructuur en pedagogisch materiaal, en kunnen beschikken over een voertuig van elke categorie;

instructeurs in dienst hebben die beschikken over een opleiding in de onderwezen materie en die tevens beschikken over een afdoende professionele ervaring of een opleiding in didactiek en pedagogiek.

De instructeurs voor het praktijkgedeelte van de opleiding moeten minstens vier jaar houder zijn van een rijbewijs B, en minstens drie jaar van een rijbewijs dat geldt voor de overige betrokken categorieën;

aanstellen van een directeur die het opleidingscentrum vertegenwoordigt bij de overheid en die verantwoordelijk is voor de organisatie van de basisopleiding en de administratieve taken.

§ 3. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij het Departement. Zij moet alle informatie bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 26 bis, § 2.

De erkenning van een opleidingscentrum geldt slechts voor de basisopleiding of de basisopleidingen die deel uitmaakten van het goedkeuringsdossier, overeenkomstig § 2, tweede lid, 3° en geldt enkel voor de rijbewijscategorieën waarvoor de rijexamens worden georganiseerd door het organisme waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt of door de examencentra aangesloten bij de groepering waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt.

De Vlaamse minister geeft de erkenning binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en wordt verlengd indien hiervoor een aanvraag wordt gedaan bij het Departement.

Bij de aanvraag van de erkenning van het opleidingscentrum worden de documenten gevoegd die nader zijn bepaald door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

§ 4. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De Vlaamse minister levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

§ 5. De Vlaamse minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum. De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

§ 6. De erkenningsaanvraag van een opleidingscentrum of de aanvraag tot verlenging van de erkenning geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1000 euro. De betalingsmodaliteiten worden bepaald door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

Elk opleidingscentrum is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken. Deze retributie wordt ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

De bedoelde retributies worden onderworpen aan een automatische indexatie op 1 januari van ieder jaar op basis van de gewone index van de maand november van het vorige jaar. Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.

§ 7. De Vlaamse minister kan, wanneer de in deze afdeling bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben, de erkenning van het opleidingscentrum voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Indien de Vlaamse minister ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat de in deze afdeling bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van het opleidingscentrum in, na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

§ 8. De Vlaamse minister of zijn gemachtigde kan de inhoud van de opleiding en de erkenningsvoorwaarden van de opleidingscentra nader bepalen.

Artikel 26bis. Waals Gewest

§ 1. De basisopleiding, bedoeld in artikel 26, § 2, 6° wordt gegeven door de opleidingscentra erkend door de Waalse Minister of zijn gemachtigde.

De opleidingsprogramma's voor de basisopleiding zijn als volgt gegroepeerd :

programma A voor de categorieën AM, A1, A2 en A;
programma B voor de categorieën B, B+E en G;
programma C voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E;
programma D voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E.

Het programma B bestaat uit twee opleidingsdelen :

een groepsspecifiek deel dat zich richt op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19;

een voor alle groepen rijbewijscategorieën gemeenschappelijk opleidingsprogramma dat bestaat uit de materie opgesomd onder de punten A, D en F van bijlage 19.

De opleidingsprogramma's A, C en D zijn minstens gericht op het verkrijgen van de kennis en vaardigheden beschreven onder de punten B, C en E van bijlage 19.

§ 2. De erkenning van een opleidingscentrum voor de basisopleiding wordt toegekend voor het geven van de basisopleiding aan examinatoren belast met het afnemen van praktische rijexamens.

Om erkend te worden moet het opleidingscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :

deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt, gedurende minstens twee jaar, van een organisme dat actief is in het domein van de organisatie van examens voor het behalen van het rijbewijs of deel uitmaken van een groepering waarbij de centra die examens voor het rijbewijs afnemen zijn aangesloten;

houder zijn van een ISO-certificaat, Qfor, EFQM, of andere certificaten of kwaliteitbeoordelingssystemen die erkend zijn op het gebied van opleiding;

minimaal een opleidingsprogramma voor de basisopleiding A, B, C of D voorstellen, waarin alle kennis en vaardigheden die vereist worden in bijlage 19 worden behandeld.

Elk opleidingscentrum verplicht zich ertoe de basisopleiding te geven in overeenstemming met het goedgekeurde opleidingsprogramma;

zich ertoe verbinden om, volgens de modaliteiten bepaald door de Waalse Minister of zijn gemachtigde, elke wijziging van het programma voor te leggen aan de Waalse Minister of zijn afgevaardigde die de wijzigingen goedkeurt of afwijst binnen een termijn van 60 dagen;

beschikken over gepaste infrastructuur en pedagogisch materiaal, en kunnen beschikken over een voertuig van elke categorie;

instructeurs in dienst hebben die beschikken over een opleiding in de onderwezen materie en die tevens beschikken over een afdoende professionele ervaring of een opleiding in didactiek en pedagogiek.

De instructeurs voor het praktijkgedeelte van de opleiding moeten minstens vier jaar houder zijn van een rijbewijs B, en minstens drie jaar van een rijbewijs dat geldt voor de overige betrokken categorieën;

aanstellen van een directeur die het opleidingscentrum vertegenwoordigt bij de overheid en die verantwoordelijk is voor de organisatie van de basisopleiding en de administratieve taken.

§ 3. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Administratie. Zij moet alle informatie bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 26 bis, § 2.

De erkenning van een opleidingscentrum geldt slechts voor de basisopleiding of de basisopleidingen die deel uitmaakten van het goedkeuringsdossier, overeenkomstig § 2, tweede lid, 3° en geldt enkel voor de rijbewijscategorieën waarvoor de rijexamens worden georganiseerd door het organisme waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt of door de examencentra aangesloten bij de groepering waarvan het opleidingscentrum deel uitmaakt.

De Waalse Minister of zijn afgevaardigde geeft de erkenning binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en wordt verlengd indien hiervoor een aanvraag wordt gedaan bij de Administratie.

Bij de aanvraag van de erkenning van het opleidingscentrum worden de documenten gevoegd die nader zijn bepaald door de Waalse Minister of zijn gemachtigde.

§ 4. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De Waalse Minister of diens afgevaardigde levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

§ 5. De Waalse Minister of diens afgevaardigde verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum. De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

§ 6. De erkenningsaanvraag van een opleidingscentrum of de aanvraag tot verlenging van de erkenning geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1000 euro. De betalingsmodaliteiten worden bepaald door de Waalse Minister of zijn gemachtigde.

Elk opleidingscentrum is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken. Deze retributie wordt ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

De bedoelde retributies worden onderworpen aan een automatische indexatie op 1 januari van ieder jaar op basis van de gewone index van de maand november van het vorige jaar. Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.

§ 7. De Waalse Minister of zijn afgevaardigde kan, wanneer de in deze afdeling bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben, de erkenning van het opleidingscentrum voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.

Indien de Waalse Minister of zijn afgevaardigde ondanks een voorafgaande schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat de in deze afdeling bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van het opleidingscentrum in, na de directeur van het opleidingscentrum gehoord te hebben.

Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.

Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.

§ 8. De Waalse Minister of zijn gemachtigde kan de inhoud van de opleiding en de erkenningsvoorwaarden van de opleidingscentra nader bepalen.

Artikel 26ter.

§ 1. Elke examinator slaagt voor een examen dat voldoet aan de volgende voorwaarden :

het examen voorzien in artikel 26, § 2, 6°, wordt afgelegd in het opleidingscentrum waar de examinator de basisopleiding volgt.

Het examen toetst de examinatoren op de materie voorzien in bijlage 19 en omvat een theoretische en een praktische proef. Er mag gebruik worden gemaakt van computertoetsen voor de theoretische proeven.

Het examen geeft toegang tot het uitoefenen van het beroep van examinator voor de categorie waarvoor het examen met goed gevolg is afgelegd.

de erkende opleidingscentra stellen elk een examen op voor kandidaat-examinatoren, dat ten minste alle in bijlage 19 beschreven kennis en vaardigheden toetst.

Voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van het examen wordt het examenprogramma en de examenopgaven door het opleidingscentrum voorgelegd aan een adviescommissie.

De adviescommissie brengt een advies uit, aan de minister of zijn gemachtigde, over het aan haar voorgelegde examenprogramma binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.

Zonder de goedkeuring van het examenprogramma door de minister of zijn gemachtigde mogen geen examens voor kandidaat-examinatoren worden georganiseerd.

Indien het examenprogramma wordt afgekeurd, legt het opleidingscentrum binnen maximaal één maand een aangepast examenprogramma ter goedkeuring voor aan de adviescommissie en de minister of zijn gemachtigde.

§ 2. De samenstelling en de werking van de adviescommissie worden bepaald door de minister of zijn gemachtigde die haar leden benoemd.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de examinering van kandidaat-examinatoren en de exameninhoud.

De minister of zijn gemachtigde stelt de duur van de proeven en de beoordelingscriteria voor de examens vast.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” telkens vervangen door de woorden “Waalse Minister”.
Artikel 26quater.

§ 1. De examinatoren zijn in het kader van het kwaliteitswaarborgingssysteem onderworpen aan de volgende kwaliteitscontroles :

elke examinator wordt jaarlijks gecontroleerd op het volgen van bijscholing, op het peil houden van zijn beroepsvaardigheden en op de resultaten van de rijexamens die hij heeft afgenomen;

elke examinator wordt om de vijf jaar gecontroleerd tijdens het afnemen van verschillende examens, gedurende minstens een totaal van een halve dag, zodat de controle meerdere examens beslaat. Een examinator die bevoegd is om in meerdere afzonderlijke categorieën examens af te nemen, wordt gecontroleerd gedurende minstens een totaal van een halve dag voor elke groep van rijbewijscategorieën;

in het geval dat door een controle blijkt dat een examinator niet aan de voorwaarden van deze afdeling voldoet kan de minister of zijn gemachtigde corrigerend optreden tegen de examinator.

De minister of zijn gemachtigde kan de examinator die in zijn functioneren ernstig tekortschiet, verplichten een specifiek bijscholingsprogramma te volgen.

De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de wijze van het corrigerend optreden tegen deze examinatoren;

De examencentra hanteren een gecertificeerd kwaliteitssysteem dat het werk van de examinatoren, de bijscholing en de resultaten van de rijexamens opvolgt, evalueert en zo nodig corrigeert.

§ 2. De verplichte periodieke bijscholing voor examinatoren, waarvoor het opleidingsprogramma is goedgekeurd door de minister of zijn gemachtigde, wordt gegeven door de exameninstellingen bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 of door de instelling bedoeld in artikel 4, 9°, of door een groepering waarbij de examencentra bedoeld in artikel 25 zijn aangesloten.

De verplichte periodieke bijscholing voor examinatoren bestaat uit :

een minimumbijscholing van in totaal vier dagen per periode van twee jaar, waarvan het opleidingsprogramma er ten minste op gericht is om :

a) de vereiste kennis en examineringsvaardigheden op peil te houden en te actualiseren;

b) nieuwe vaardigheden op te doen die onmisbaar zijn geworden voor de uitoefening van het beroep;

c) te verzekeren dat examinatoren bij het afnemen van examens blijvend eerlijke en uniforme maatstaven hanteren;

een vaste minimumbijscholing van ten minste in totaal vijf dagen per vijf jaar om de vereiste praktische rijvaardigheid op peil te houden en te verbeteren.

De periodieke bijscholing kan bestaan uit :

a) informatiebijeenkomsten;

b) klassikaal onderwijs;

c) klassieke lessen of online;

d) individueel of in groepsverband.

§ 3. De instellingen die de periodieke bijscholing geven stellen een opleidingsprogramma dat voldoet aan de vereisten voor de periodieke bijscholing zoals bedoeld in artikel 26quater, § 2, 1°.

Een opleidingsprogramma moet worden opgesteld per groep rijbewijscategorieën. Dit programma dient een voorafgaande goedkeuring te krijgen van de minister of zijn gemachtigde. Dit opleidingsprogramma moet worden uitgebreid op basis van de vereisten genoemd in artikel 26quater, § 2, en van de vaststellingen of corrigerende maatregelen die voortkomen uit de kwaliteitswaarborging.

Het periodieke bijscholingsprogramma wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde, die het goedkeurt of afwijst binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum waarop het opleidingscentrum voor periodieke bijscholing in kennis werd gesteld van de volledigheid van de aanvraag.

De goedkeuring van het opleidingsprogramma voor periodieke bijscholing door de minister of zijn gemachtigde is vereist om de periodieke bijscholing te kunnen geven aan examinatoren.

Indien het opleidingsprogramma wordt afgekeurd, legt het opleidingscentrum binnen maximaal één maand een aangepast opleidingsprogramma voor aan de minister of zijn gemachtigde.

§ 4. De examinator die in vierentwintig maanden geen rijexamen heeft afgenomen voor een bepaalde rijbewijscategorie, wordt herbeoordeeld op basis van een te volgen bijscholingsprogramma.

§ 5. Een examinator die bevoegd is om in meerdere rijbewijscategorieën examens af te nemen heeft voldaan aan de eisen inzake periodieke bijscholing wanneer er in één afzonderlijke groep rijbewijscategorieën aan de verplichtingen voor periodieke bijscholing wordt voldaan.

§ 6. De minister of zijn gemachtigde kan nadere regels stellen omtrent de systemen van de kwaliteitswaarborging en de periodieke bijscholing van examinatoren.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “minister” telkens vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” telkens vervangen door de woorden “Waalse Minister”.

Afdeling III. — Vrijstellingen

Artikel 27.

De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van de theoretische en de praktische examens, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet :

houder zijn van een Belgisch militair rijbewijs waarvan de geldigheid bevestigd is door de militaire overheden, op voorwaarde dat de categorie van de voertuigen vermeld in de kolom « burger » overeenstemt met deze waarvoor de geldigheid wordt aangevraagd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20. Deze vrijstelling is beperkt tot de categorieën AM, A1, A2, A, B en B+E;

houder zijn van een Europees rijbewijs of van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23 § 2, 1° van de wet; deze vrijstelling geldt slechts voor dezelfde categorie of voor een gelijkwaardige categorie als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.

Voor de buitenlandse rijbewijzen moet er daarenboven voldaan worden aan de volgende voorwaarden :

a) het rijbewijs moet afgegeven zijn door het land waar de houder zijn gewone verblijfplaats had op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs;

b) het rijbewijs moet afgegeven zijn vóór de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een Belgische gemeente.

Om de vervulling van de voorwaarden bedoeld in a) en b) na te gaan, wordt in voorkomend geval de datum van de eerste afgifte, de vervanging of de hernieuwing van het voorgelegde document in aanmerking genomen.

De bepalingen voorgeschreven in a) en b) zijn niet van toepassing op de personen die het bewijs leveren dat zij, op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs, als student ten minste zes maanden ingeschreven waren in het land dat het rijbewijs heeft afgegeven en op de personen bedoeld in het artikel 3 § 1, 3°;

Voor vreemde rijbewijzen worden de geldige categorieën, verkregen ten laatste op de datum die in aanmerking komt overeenkomstig het tweede en derde lid, in aanmerking genomen.

Een Europees rijbewijs, afgegeven ter inwisseling van een buitenlands rijbewijs afgegeven door een Staat waarvan de rijbewijzen niet erkend zijn overeenkomstig artikel 23, § 2, 1°, van de wet, komt niet in aanmerking voor de toepassing van deze bepaling;

Opgeheven

geslaagd zijn voor de theoretische en praktische proeven georganiseerd na de opleiding bedoeld in artikel 4, 6° en 9°, geldig voor de voertuigcategorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.

Artikel 28.

De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het theoretische examen, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet :

houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie :

a) B, C1, C, D1 of D om een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie of de subcategorie B+E, C1+E, C+E, D1+E of D+E te verkrijgen;

b) C1 of D1 om een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie C of D te verkrijgen;

c) A1 of A2 sinds ten minste twee jaar afgegeven om een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A te verkrijgen;

geslaagd zijn voor het theoretische examen opgelegd krachtens artikel 38 van de wet en geldig voor dezelfde categorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De kandidaat geniet slechts van deze vrijstelling als hij een getuigschrift van theoretisch onderricht voorlegt, afgegeven door een rijschool.

houder zijn van een rijgetuigschrift voor landbouwtractor, bedoeld in bijlage 12, met het oog op het bekomen van een rijbewijs geldig voor de categorie G.

Artikel 29.

De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het praktische examen wanneer hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :

(opgeheven)

geslaagd zijn voor het praktische examen opgelegd krachtens artikel 38, §3 van de wet, geldig voor dezelfde categorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De kandidaat kan maar genieten van deze vrijstelling als hij een getuigschrift van praktisch onderricht voorlegt afgegeven door een rijschool.

De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B volgt daarenboven een scholing van ten minste drie maanden op basis van een voorlopige rijbewijs, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B.

(opgeheven)

Artikel 30.

Elke vrijstelling van het theoretische examen en van het praktische examen wordt op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs vermeld door de overheid bedoeld in het artikel 7 .

Afdeling IV. — Theoretisch examen

Artikel 31.

Het theoretische examen bepaald in de artikelen 23 § 1, 4° en 38 van de wet heeft betrekking op de stof die in bijlage 4 wordt opgesomd.

Het wordt afgelegd in de vorm van een audiovisueel examen.

Het theoretische examen wordt beoordeeld en verbeterd zoals aangeduid in bijlage 4.

De inschrijving voor het theoretische examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Waalse Minister”.
Artikel 32. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretische examen is vastgesteld op drie maanden vóór de leeftijd bepaald in artikel 6, 1°, h).

De leeftijd is evenwel vastgesteld op:

  • 17 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het voorlopige rijbewijs B, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B;
  • 17 jaar voor het examen, afgelegd door de kandidaten die de opleiding volgen bedoeld in artikel 4, 7°;
  • 3 maanden voor de leeftijd van 16 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het rijbewijs geldig voor de categorie G of voor categorie AM.

§2. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een van de documenten voor die opgesomd zijn in artikel 3, §1.

§3. (Opgeheven)

§4. (Opgeheven)

§5. (Opgeheven)

§6. (Opgeheven)

§7. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het slagen voor het theoretische examen op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Artikel 32. Vlaams Gewest

§1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretische examen is vastgesteld op drie maanden vóór de leeftijd bepaald in artikel 6, 1°, h).

De leeftijd is evenwel vastgesteld op:

  • 17 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het voorlopige rijbewijs B, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B;
  • 17 jaar voor het examen, afgelegd door de kandidaten die de opleiding volgen bedoeld in artikel 4, 7°;
  • 3 maanden voor de leeftijd van 16 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het rijbewijs geldig voor de categorie G of voor categorie AM.

§2. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een bewijs voor dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, §1.

De kandidaat die wegens een onregelmatigheid uitgesloten is van het afleggen van een examen, mag gedurende de periode waarin hij uitgesloten is, niet worden toegelaten tot het theoretische examen.

§3. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, kan het theoretische examen met behulp van een audiovertaling afleggen.

Kandidaten hebben recht op redelijke aanpassingen waarin het examencentrum voorziet. Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een beëdigd doventolk die het examencentrum aanwijst, onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

In het geval, vermeld in het tweede lid, mogen de examens derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

§4. De kandidaat schikt zich naar de aanwijzingen die hem tijdens het examen worden gegeven.

Als de kandidaat een onregelmatigheid begaat, wordt de evaluatie opgeschort en wordt hij onmiddellijk uit de zaal verwijderd.

§5. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, het examen afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het overleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een centrum voor leerlingenbegeleiding, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.

De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor het theoretische examen kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen.

§6. Na twee opeenvolgende niet geslaagde theoretische examens, mag de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie B slechts een nieuwe theoretisch examen afleggen op vertoon van een getuigschrift van theoretisch onderricht afgegeven door een rijschool.

De in het eerste lid voorgeschreven verplichting is niet van toepassing op :

de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze het onderricht bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen;

de kandidaten bedoeld in paragraaf 5.

§7. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het slagen voor het theoretische examen op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Artikel 32. Waals Gewest

§1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretische examen is vastgesteld op drie maanden vóór de leeftijd bepaald in artikel 6, 1°, h).

De leeftijd is evenwel vastgesteld op:

  • 17 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het voorlopige rijbewijs B, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van de categorie B;
  • 17 jaar voor het examen, afgelegd door de kandidaten die de opleiding volgen bedoeld in artikel 4, 7°;
  • 3 maanden voor de leeftijd van 16 jaar voor het examen voor het verkrijgen van het rijbewijs geldig voor de categorie G of voor categorie AM.

§2. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een van de documenten voor die opgesomd zijn in artikel 3, §1.

§ 3. De kandidaat, die de Franse taal of de Duitse taal niet machtig is, kan het theoretisch examen in het Nederlands of het Engels afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door de kandidaat betaald wordt.

De kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. De tolk wordt door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

§ 4. De kandidaat schikt zich naar de aanwijzingen die hem tijdens het examen worden gegeven.

Wanneer de examinator een onregelmatigheid vaststelt van de kandidaat voor het rijbewijs, schorst hij zijn evaluatie, in voorkomend geval, na een voorlopige inhouding van de elementen die onregelmatig in het bezit zijn van de kandidaat. De kandidaat wordt op de hoogte gebracht van de relevante feitelijke gegevens en van de stukken tot vastlegging van de onregelmatigheid die werd vastgesteld. De kandidaat als hij meerderjarig is, wordt onmiddellijk gehoord over zijn toelichting en verdedigingsmiddelen wat betreft de onregelmatigheid die hem wordt verweten. Als de kandidaat minderjarig is, is één van zijn ouders of de persoon bekleed met het ouderlijk gezag aanwezig tijdens het verhoor. Na het verhoor, wordt een proces-verbaal van verhoor in twee exemplaren opgesteld dat door de examinator en de kandidaat en in voorkomend geval door de ouders of voogden moet worden ondertekend. Één van de twee exemplaren wordt afgegeven aan de kandidaat of in voorkomend geval aan de ouders of de voogden van de kandidaat; het ander exemplaar wordt door het examencentrum bewaard. De examinator maakt gewag van de feiten en middelen en beslist of er al dan niet een onregelmatigheid was. Als er een onregelmatigheid geweest is, zakt de kandidaat voor het theoretisch examen en wordt hij uitgesloten tijdens de twaalf volgende maanden vooraleer hij de test opnieuw kan afleggen. De examinator deelt aan de kandidaat de beslissing mee die tegen hem genomen is, alsook de motiveringen dit tot de aanneming ervan hebben geleid. De kandidaat kan een beroep indienen bij de beroepscommissie bedoeld in artikel 47.

§ 5. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, het examen afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Waalse Minister of zijn gemachtigde.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het overleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een centrum voor leerlingenbegeleiding, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering waarvan het model door de Waalse minister of diens afgevaardigde wordt bepaald. Het getuigschrift of attest kan evenwel door andere instellingen afgeleverd worden die door de Waalse Minister aangewezen zijn.

§ 6. Na twee opeenvolgende niet geslaagde theoretische examens, volgt de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie B twaalf uur theoretische opleiding in een erkende rijschool vooraleer hij terug toegelaten wordt tot het examen.

De in het eerste lid voorgeschreven verplichting is niet van toepassing op :

de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze het onderricht bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen;

de kandidaten bedoeld in paragraaf 5.

§7. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het slagen voor het theoretische examen op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Afdeling V. — Praktisch examen

Artikel 33.

Het in artikel 23 § 1, 2° en 38 van de wet bepaalde praktische examen bestaat uit de in bijlage 5 opgesomde proeven.

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.

Het examen wordt beoordeeld op de in bijlage 5 aangeduide wijze.

De inschrijving voor het praktische examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Waalse Minister”.
Artikel 34. Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen moet de kandidaat sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28.

Het praktisch examen kan op zijn vroegst één maand na de afgifte van het voorlopige rijbewijs model 3 plaatsvinden.

Artikel 34. Vlaams Gewest

Een kandidaat die voldoet aan al de volgende voorwaarden, kan tot het praktische examen worden toegelaten:

1° de kandidaat is sinds minder dan drie jaar geslaagd voor het theoretische examen of is daarvan vrijgesteld;

2° de kandidaat heeft de minimumleeftijd voor het behalen van een rijbewijs, vermeld in artikel 18 en 19, bereikt;

3° de kandidaat is niet wegens een onregelmatigheid uitgesloten van het afleggen van een examen;

4° de kandidaat biedt zich aan met een begeleider, een instructeur of een stagiair-instructeur die niet wegens een onregelmatigheid uitgesloten is van het begeleiden van kandidaten tijdens een examen.

Het praktisch examen kan op zijn vroegst één maand na de afgifte van het voorlopige rijbewijs model 3 plaatsvinden.

Artikel 35. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie AM, B+E of G, legt de kandidaat voor :

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht indien het gaat over een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, B+E of G.

De kandidaat legt bovendien hetzij een getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool, hetzij het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is, voor. Die bepaling is niet van toepassing op de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie G.

De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of is vergezeld van, naargelang het geval, één of twee van de attesten voorgeschreven in artikel 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid.

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van onderricht dat bewijst dat de lesuren voorgeschreven na twee mislukkingen gevolgd zijn.

c) (opgeheven)

d) (opgeheven)

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

behalve wanneer het gaat om een voertuig van de categorie AM, het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3° en 4° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

het gelijkvormigheidsattest voor het voertuig van de categorie AM;

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie, indien het een kandidaat betreft voor een rijbewijs geldig voor de categorie B+E;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in het artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider of de bestuurder houder is.

Artikel 35. Vlaams Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie AM, B, B+E of G, legt de kandidaat voor :

een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) het bewijs dat de kandidaat geslaagd is voor het theoretische examen van de categorie waarvoor hij het praktische examen aflegt, of dat hij daarvan vrijgesteld is.

Met uitzondering van de kandidaat voor een rijbewijs voor categorie G legt de kandidaat hetzij een getuigschrift van praktisch onderricht voor dat afgegeven is door een rijschool, hetzij het bewijs dat hij is vrijgesteld van scholing.

De kandidaat legt bovendien de verklaring, vermeld in artikel 41, § 1, voor, in voorkomend geval samen met, naargelang het geval, een of twee van de attesten, vermeld in artikel 41, § 2 en § 3, of in artikel 45, tweede lid;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van onderricht dat bewijst dat de lesuren voorgeschreven na twee mislukkingen gevolgd zijn.

c) (opgeheven)

d) (opgeheven)

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3° en 4° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

(opgeheven)

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie, indien het een kandidaat betreft voor een rijbewijs geldig voor de categorie B+E;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in het artikel 39, § 4, alsook een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1.

Artikel 35. Waals Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie AM, B, B+E of G, legt de kandidaat voor :

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht indien het gaat over een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, B+E of G.

De kandidaat legt bovendien hetzij een getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool, hetzij het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is, voor. Die bepaling is niet van toepassing op de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie G.

De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of is vergezeld van, naargelang het geval, één of twee van de attesten voorgeschreven in artikel 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid.

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs. Als de kandidaat twee keer op een rij niet geslaagd is voor het praktisch examen, wordt het voorlopige rijbewijs vergezeld van een bewijs dat de lesuren voorgeschreven na elke tweede opeenvolgende mislukking gevolgd zijn.

c) (opgeheven)

d) (opgeheven)

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

behalve wanneer het gaat om een voertuig van de categorie AM, het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3° en 4° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

het gelijkvormigheidsattest voor het voertuig van de categorie AM;

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie, indien het een kandidaat betreft voor een rijbewijs geldig voor de categorie B+E;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in het artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider of de bestuurder houder is.

Artikel 35/1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Om toegelaten te worden tot de proef op een terrein buiten het verkeer van het praktisch examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 4°/1, gevolgd heeft;

b) het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is;

c) (opgeheven)

d) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

het nog geldige attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretisch examen; en de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

als de kandidaat al minstens tweemaal niet geslaagd is voor de proef buiten het verkeer van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, c), heeft gevolgd na de tweede mislukking.

Om te worden toegelaten tot de proef op de openbare weg voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°/2, gevolgd heeft;

b) het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is;

c) het nog geldige voorlopig rijbewijs;

d) (opgeheven)

e) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

de aanvraag om een rijbewijs waarop het nog geldige attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretisch examen is aangebracht en het nog geldige attest van slagen voor de proef buiten het verkeer bedoeld in het eerste lid. De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of is vergezeld van, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

de documenten voorgeschreven in 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, A2 of A, bedoeld in artikel 39, § 4;

als de kandidaat al minstens tweemaal niet geslaagd is voor de proef op de openbare weg van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, g), heeft gevolgd na de tweede mislukking.

Artikel 35/1. Vlaams Gewest

Om toegelaten te worden tot de proef op een terrein buiten het verkeer van het praktisch examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 4°/1, gevolgd heeft of het bewijs dat hij is vrijgesteld van scholing;

b) (opgeheven)

c) (opgeheven)

d) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

het bewijs dat de kandidaat geslaagd is voor het theoretische examen van de categorie waarvoor hij het praktische examen aflegt, of dat hij daarvan vrijgesteld is.

De kandidaat legt bovendien de verklaring, vermeld in artikel 41, § 1, voor, in voorkomend geval samen met, naargelang het geval, een of twee van de attesten, vermeld in artikel 41, § 2 en § 3, of in artikel 45, tweede lid;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

als de kandidaat al minstens tweemaal niet geslaagd is voor de proef buiten het verkeer van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, c), heeft gevolgd na de tweede mislukking.

Om te worden toegelaten tot de proef op de openbare weg voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°/2, gevolgd heeft of het bewijs dat hij is vrijgesteld van scholing;

b) (opgeheven)

c) het nog geldige voorlopig rijbewijs;

d) (opgeheven)

e) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

het bewijs dat de kandidaat geslaagd is voor het theoretische examen van de categorie waarvoor hij het praktische examen aflegt, of dat hij daarvan vrijgesteld is.

De kandidaat legt bovendien de verklaring, vermeld in artikel 41, § 1, voor, in voorkomend geval samen met, naargelang het geval, een of twee van de attesten, vermeld in artikel 41, § 2 en § 3, of in artikel 45, tweede lid.

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

de documenten voorgeschreven in 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, A2 of A, bedoeld in artikel 39, § 4;

als de kandidaat al minstens tweemaal niet geslaagd is voor de proef op de openbare weg van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, g), heeft gevolgd na de tweede mislukking.

Artikel 35/1. Waals Gewest

Om toegelaten te worden tot de proef op een terrein buiten het verkeer van het praktisch examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 4°/1, gevolgd heeft;

b) het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is;

c) (opgeheven)

d) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

het nog geldige attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretisch examen; en de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

als de kandidaat twee keer op een rij niet geslaagd is voor de proef buiten het verkeer van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1o, c), heeft gevolgd na elke tweede opeenvolgende mislukking.

Om te worden toegelaten tot de proef op de openbare weg voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, legt de kandidaat voor:

één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

één van de hierna opgesomde documenten:

a) het getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°/2, gevolgd heeft;

b) het Europees rijbewijs of het buitenlands rijbewijs waarvan hij houder is;

c) het nog geldige voorlopig rijbewijs;

d) (opgeheven)

e) als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A of A2 die houder is van een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A2 of A1, afgegeven sinds ten minste twee jaar:

  • als deze kandidaat, houder van een rijbewijs voor de categorie A2 of A1 waarop de code 78 voorkomt, een rijbewijs geldig voor respectievelijk de categorie A of A2 zonder de vermelding van deze code wenst te bekomen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat hij de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a), gevolgd heeft;
  • in de andere gevallen, het getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, dat bewijst dat de kandidaat de opleiding bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, c), gevolgd heeft;

de aanvraag om een rijbewijs waarop het nog geldige attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretisch examen is aangebracht en het nog geldige attest van slagen voor de proef buiten het verkeer bedoeld in het eerste lid. De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of is vergezeld van, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, § 2 en § 3 of in artikel 45, tweede lid;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;

de documenten voorgeschreven in 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, A2 of A, bedoeld in artikel 39, § 4;

als de kandidaat twee keer op een rij niet geslaagd is voor de proef op de openbare weg van het praktisch examen, het bewijs dat de kandidaat de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1o, g), heeft gevolgd na elke tweede opeenvolgende mislukking.

Artikel 36. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E legt de kandidaat voor:

een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie. De kandidaat voor het rijbewijs, geldig voor de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E legt het Belgische of Europese rijbewijs voor, geldig voor het besturen van het trekkende voertuig, behalve als het gaat over een in artikel 4, 15° bedoelde kandidaat.

Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of de vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.

In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor of het Europese rijbewijs of het buitenlandse rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, waarvan hij houder is.

De aanvraag is vergezeld van het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een bewijs dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2°, a), gevolgd zijn;

c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 7°, 8° of 15° bedoelde opleiding gevolgd heeft;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider houder is.

Artikel 36. Vlaams Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E legt de kandidaat voor:

een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1;

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie. De kandidaat voor het rijbewijs, geldig voor de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E legt het Belgische of Europese rijbewijs voor, geldig voor het besturen van het trekkende voertuig, behalve als het gaat over een in artikel 4, 15° bedoelde kandidaat.

Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) het bewijs dat de kandidaat geslaagd is voor het theoretische examen van de categorie waarvoor hij het praktische examen aflegt, of dat hij daarvan vrijgesteld is.

De kandidaat legt bovendien het attest, vermeld in artikel 44, § 5, voor, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor al een attest is voorgelegd om dat rijbewijs te behalen;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een bewijs dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2°, a), gevolgd zijn;

c) een getuigschrift van praktisch onderricht dat afgegeven is door een rijschool, het bewijs dat hij is vrijgesteld van scholing, of het attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding, vermeld in artikel 4, 4°, 5°, 7°, 8° of 15°, heeft gevolgd;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen wordt afgelegd alsook een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1.

Artikel 36. Waals Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E legt de kandidaat voor:

een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie. De kandidaat voor het rijbewijs, geldig voor de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E legt het Belgische of Europese rijbewijs voor, geldig voor het besturen van het trekkende voertuig, behalve als het gaat over een in artikel 4, 15° bedoelde kandidaat.

Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of de vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.

In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor of het Europese rijbewijs of het buitenlandse rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, waarvan hij houder is.

De aanvraag is vergezeld van het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Als de kandidaat twee keer op een rij niet geslaagd is voor het praktisch examen, wordt het voorlopige rijbewijs vergezeld van een bewijs dat de lesuren bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2o, a) na elke tweede opeenvolgende mislukking gevolgd zijn;

c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 7°, 8° of 15° bedoelde opleiding gevolgd heeft;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider houder is.

Artikel 37. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen met het oog op de opheffing van de code 78 of het plaatsen van de code 96 die voorkomt op zijn rijbewijs, legt de kandidaat voor :

een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.

In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht voor, afgegeven door een rijschool.

De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of moet, naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3 en 45, tweede lid; bij de aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E wordt het attest, voorgeschreven in artikel 44, § 5, gevoegd, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs, waarvoor, voor het verkrijgen ervan, dit attest reeds voorgelegd werd;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van onderricht dat bewijst dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, e), gevolgd zijn;

c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° of 15° bedoelde opleiding gevolgd heeft;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig;

het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3°, 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

een van de volgende documenten :

  • het Belgische of Europese rijbewijs waarvan hij houder is, met de code 78 waarvan hij de opheffing wil;
  • het Belgische of Europese rijbewijs geldig voor de categorie B waarvan hij houder is, indien hij code 96 erbij wil;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van de begeleider of de bestuurder.

Artikel 37. Vlaams Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen met het oog op de opheffing van de code 78 of het plaatsen van de code 96 die voorkomt op zijn rijbewijs, legt de kandidaat voor :

een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) het bewijs dat de kandidaat geslaagd is voor het theoretische examen van de categorie waarvoor hij het praktische examen aflegt, of dat hij daarvan vrijgesteld is.

De kandidaat voor het rijbewijs voor categorie A1, A2, A, B of B+E legt de verklaring, vermeld in artikel 41, § 1, voor, in voorkomend geval samen met, naargelang het geval, een of twee van de attesten, vermeld in artikel 41, § 2 en § 3, of in artikel 45, tweede lid.

De kandidaat voor het rijbewijs voor categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E legt het attest, vermeld in artikel 44, § 5, voor, behalve als hij houder is van een geldig rijbewijs waarvoor hij al een attest heeft voorgelegd om dat rijbewijs te behalen;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van onderricht dat bewijst dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, e), gevolgd zijn;

c) een getuigschrift van praktisch onderricht dat afgegeven is door een rijschool, het bewijs dat hij is vrijgesteld van scholing, of het attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding, vermeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° of 15°, heeft gevolgd;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig;

het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3°, 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

een van de volgende documenten :

  • het Belgische of Europese rijbewijs waarvan hij houder is, met de code 78 waarvan hij de opheffing wil;
  • het Belgische of Europese rijbewijs geldig voor de categorie B waarvan hij houder is, indien hij code 96 erbij wil;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4, alsook een bewijs dat hij voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1.

Artikel 37. Waals Gewest

Om toegelaten te worden tot het praktische examen met het oog op de opheffing van de code 78 of het plaatsen van de code 96 die voorkomt op zijn rijbewijs, legt de kandidaat voor :

een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;

een van de hierna opgesomde documenten :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.

In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht voor, afgegeven door een rijschool.

De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of moet, naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3 en 45, tweede lid; bij de aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E wordt het attest, voorgeschreven in artikel 44, § 5, gevoegd, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs, waarvoor, voor het verkrijgen ervan, dit attest reeds voorgelegd werd;

b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.

Als de kandidaat twee keer op een rij niet geslaagd is voor het praktisch examen, wordt het voorlopige rijbewijs vergezeld van een bewijs dat de lesuren bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1o, e) na elke tweede opeenvolgende mislukking gevolgd zijn;

c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° of 15° bedoelde opleiding gevolgd heeft;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig;

het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;

in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3°, 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;

een van de volgende documenten :

  • het Belgische of Europese rijbewijs waarvan hij houder is, met de code 78 waarvan hij de opheffing wil;
  • het Belgische of Europese rijbewijs geldig voor de categorie B waarvan hij houder is, indien hij code 96 erbij wil;

in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van de begeleider of de bestuurder.

Artikel 38.

§1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM legt het praktische examen af met een bromfiets klasse B.

De voertuigen met meer dan twee wielen dienen uitgerust te zijn met een achteruitrijstand.

Het praktische examen mag niet afgenomen worden met een driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van de wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m.

§2. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1 legt het praktisch examen af met een motorfiets van de categorie A1 zonder zijspan, met een maximumvermogen van 11 kW, en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg, die een snelheid van ten minste 90 km per uur kan bereiken. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens 115 cm³. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,08 kW/kg.

De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A2 legt het praktisch examen af met een motorfiets zonder zijspan, met een vermogen van ten minsten 20 kW en ten hoogste 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van hoogstens 0,2 kW/kg. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens 245 cm³. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,15 kW/kg.

De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A legt het praktische examen af met een motorfiets zonder zijspan, met een ledige massa van meer dan 175 kg en een vermogen van minstens 50 kW. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens 595 cm³. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,25 kW/kg.

De kandidaat is uitgerust met een motorhelm, handschoenen, een vest met lange mouwen en een lange broek of een overall, alsook laarzen of bottines die de enkels beschermen.

De kandidaat die de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a) gevolgd heeft, legt het examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.

§3 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). (Opgeheven)

§3 (Vlaams Gewest en Waals Gewest). De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het praktische examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten minste drie plaatsen, voorzien van een cabine, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.

Het voertuig moet met veiligheidsgordels uitgerust zijn.

§ 3bis. De kandidaat die code 96 erbij wil behalen voor de categorie B, legt het praktische examen af met een samenstel met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg en ten hoogste 4.250 kg, bestaande uit een voertuig van de categorie B dat voldoet aan de voorwaarden in § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg.

§4. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B + E legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.000 kg en met een lengte van ten minste 9 m, en dat niet onder de categorie B valt en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.

De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.

De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.

De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.

§5. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie C, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12.000 kg, de lengte ten minste 8 m en de breedte ten minste 2,40 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS, met een versnellingsbak waarbij de versnelling manueel door de bestuurder kan worden gekozen en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.

De feitelijke totale massa van het voertuig moet minimaal 10.000 kg bedragen.

Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig.

§6. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C + E legt het praktische examen af met een geleed voertuig of een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie C, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 5, en een aanhangwagen van ten minste 7,5 m lang.

Het gelede voertuig of samenstel moet een maximaal toegelaten massa van ten minste 20.000 kg hebben, ten minste 14 m lang en ten minste 2,40 m breed zijn en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.

Het gelede voertuig of samenstel moet uitgerust zijn met ABS, met een versnellingsbak waarbij de versnelling manueel door de bestuurder kan worden gekozen en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.

De feitelijke totale massa van het gelede voertuig of het samenstel moet minimaal 15.000 kg bedragen.

Het gelede voertuig of het samenstel moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het gelede voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken.

De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in voorkomend geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.

§7. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie D, dat ten minste 10 m lang en ten minste 2,40 m breed is en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

§8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D, dat beantwoordt aan de in § 7 voorgeschreven voorwaarden en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1.500 kg. Het samenstel heeft een breedte van ten minste 2,40 m en een lengte van ten minste 14 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.

De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.

De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.

§9. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C1 legt het praktische examen af met een voertuig van de subcategorie C1 waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5.500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.

Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.

§10. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 9, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 2.500 kg.

Het samenstel moet een lengte hebben van ten minste 9 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.

De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine van het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn als het trekkende voertuig zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.

De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.

Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel.

De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.

§11. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D1 legt het praktische examen af met een voertuig van de categorie D1, met een maximaal toegelaten massa van ten minste 4.000 kg en een lengte van ten minste 5 m, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

§12. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in § 11, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.

De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.

De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.

§12bis. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een land- of bosbouwtrekker met een maximale toegelaten massa van ten minste 6 000 kg en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 18 000 kg.

Het samenstel heeft een lengte van ten minste 9 m en bereikt, op een horizontale weg, een snelheid van tenminste 30 km/u.

De cabine van het trekkend voertuig is gesloten en is uitgerust met een passagierszetel voor de examinator.

De opbouw van de aanhangwagen moet minstens zo zijn, dat de kandidaat verplicht is de buitenste achteruitkijkspiegels te gebruiken, om vanaf zijn zitplaats het verkeer achter, links en rechts gade te slaan, en om onder meer een ander voertuig waar te nemen dat begonnen is met in te halen.

§13. De kandidaat bedoeld in artikel 37 die de opheffing van code 78 wenst, legt het praktische examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.

De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types van voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktische examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen, komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of in artikel 45, tweede lid.

Het praktische examen moet afgelegd worden met een voertuig dat de uitvoering van de in bijlage 5 bepaalde voorafgaande controles en manoeuvres toelaat.

§14. De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool legt het praktisch examen af met de bijstand van een instructeur of een stagiair en met een scholingsvoertuig van de rijschool waar hij het praktisch onderricht volgde en dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.

De houder van een voorlopige rijbewijs model 3 legt het praktisch examen af :

hetzij met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 6, 2°. De begeleider moet aanwezig zijn;

hetzij onder de voorwaarden bedoeld in eerste lid.

Evenwel, na tweemaal niet geslaagd te zijn voor het praktisch examen of, als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs A1, A2 of A, na tweemaal niet geslaagd te zijn voor de proef op de openbare weg, kan de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 het praktisch examen enkel afleggen onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid. De kandidaat voor het rijbewijs A1, A2 of A moet in dat geval niet de opleiding volgen, voorzien in artikel 15, tweede lid, 1° /2.

Evenwel, de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM kan ook het praktisch examen afleggen zonder de bijstand van een instructeur en met een voertuig van de categorie overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1.

De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G legt het praktische examen af :

hetzij met bijstand van een instructeur van de landbouwschool of het landbouwopleidingscentrum waar hij de opleiding heeft gevolgd en met het voertuig van de school of het centrum of door hem erkend;

hetzij onder de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.

hetzij met de bijstand van een persoon die gemachtigd is om een voertuig van de categorie G te besturen en aan boord van een voertuig geleverd door de kandidaat en uitgerust op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats met het teken « L », waarvan het model is bepaald door de Minister.

§15. Als een van de hierna opgesomde bedieningsorganen van het in § 14, tweede lid, 1°, bedoelde voertuig dubbel geïnstalleerd is, moeten de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel ook dubbel geïnstalleerd worden. De begeleider moet bovendien de grootlichten kunnen uitschakelen en in de plaats daarvan de dimlichten aansteken.

De dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de begeleider gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de kandidaat wordt gehinderd.

Een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de begeleider het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt.

Artikel 38/1.

§ 1. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie C1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 9. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie C1 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 36, 3°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie C1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie D1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 11. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie D1 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 36, 3°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie D1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C+E mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie C1+E met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 10. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie C1+E nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 36, 3°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C+E waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie C1+E.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D+E mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie D1+E met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 12. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie D1+E nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 36, 3°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D+E waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie D1+E.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie B+E mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen met het oog op het behalen van code 96 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 3bis. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie B met vermelding van code 96 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 37, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie B+E waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie B met het oog op de plaatsing van code 96.

§ 2. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A of A2 mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie A1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 2. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie A1 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 35/1, tweede lid, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A of A2 waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie A1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie A2 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 2, tweede lid. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie A2 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 35/1, tweede lid, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie A2.

§ 3. Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie C geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie C1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie D geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie D1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie C+E geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie C1+E.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie D+E geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie D1+E.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A2 en van categorie A1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A2 geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie B+E geldt eveneens als het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer van B met plaatsing van code 96.

Artikel 39. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§1. Het praktisch examen bevat de volgende proeven :

categorie AM : een proef op een terrein buiten het verkeer;

(opgeheven)

categorie A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of het plaatsen van de code 96 : een proef op een terrein buiten het verkeer en een proef op de openbare weg in het verkeer.

De duur van het praktische examen wordt als volgt bepaald :

categorieën AM, A1, A2 en A : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan dertig minuten zijn;

1°/1 categorie B+E en het plaatsen van code 96 : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfentwintig minuten zijn;

categorieën C1, C, D1 en D : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie C1+E en C+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens dertig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie D1+E en D+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijfentwintig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn.

categorie B : de duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§1bis. Het praktisch examen van de categorie G bestaat uit een proef op een terrein buiten het verkeer en uit een proef op de openbare weg.

De duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minimum vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§2. De kandidaat moet, om tot de proef op de openbare weg toegelaten te worden, geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer. Het slagen in deze proef blijft één jaar geldig, behalve als de kandidaat voor een rijbewijs voor de categorie C + E voor de proef op de openbare weg komt met een geleed voertuig, terwijl hij de proef op een terrein buiten het verkeer met een samenstel aflegde, en omgekeerd.

Dit slagen wordt vermeld op de aanvraag om een rijbewijs of op het voorlopig rijbewijs en, als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Bij het slagen voor een van de twee proeven met een voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt het volledige examen geacht afgelegd te zijn met dit type van voertuig. Als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, wordt de code 78 vermeld op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

§3. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig dat niet tot de categorieën A1, A2 en A behoort, moet, naast de examinator, de instructeur of een stagiair van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, is naast de examinator, vergezeld van een persoon die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.

Indien het voertuig behorend tot de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, of indien het voertuig behoort tot de categorie G, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in § 8, mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§4. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig van de A1, A2 of A neemt de examinator plaats in een voertuig dat tot de categorie A2 of A of bij tijdelijke onbeschikbaarheid hiervan categorie B behoort en dat de kandidaat volgt; hij deelt zijn onderrichtingen mee aan de kandidaat bij middel van een radio-inrichting.

Buiten de bestuurder van het voertuig, de tolk bedoeld in § 8 en de examinator mogen alleen personen aangeduid door de Minister of zijn gemachtigde plaatsnemen in het voertuig dat de kandidaat volgt.

§5. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2, vierde lid niet over de voorgeschrevene uitrusting beschikt of indien het voertuig geen voldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.

Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt, in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider of indien de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in § 4 onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of zijn onderrichtingen niet opvolgt.

De kandidaat die door zijn gedrag het verloop van het examen verstoort is niet geslaagd. Deze kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.

De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.

§6. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruitvolgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage 5.

§7. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktische examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13. In het geval bedoeld in artikel 48, § 2, wordt het slagen voor het praktische examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7.

§8. (Opgeheven)

Artikel 39. Vlaams Gewest

§1. Het praktisch examen bevat de volgende proeven :

categorie AM : een proef op een terrein buiten het verkeer;

categorie B : een proef op de openbare weg in het verkeer;

categorie A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of het plaatsen van de code 96 : een proef op een terrein buiten het verkeer en een proef op de openbare weg in het verkeer.

De duur van het praktische examen wordt als volgt bepaald :

categorieën AM, A1, A2 en A : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan dertig minuten zijn;

1°/1 categorie B+E en het plaatsen van code 96 : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfentwintig minuten zijn;

categorieën C1, C, D1 en D : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie C1+E en C+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens dertig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie D1+E en D+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijfentwintig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn.

categorie B : de duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§1bis. Het praktisch examen van de categorie G bestaat uit een proef op een terrein buiten het verkeer en uit een proef op de openbare weg.

De duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minimum vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§2. De kandidaat moet, om tot de proef op de openbare weg toegelaten te worden, geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer. Het slagen in deze proef blijft één jaar geldig, behalve als de kandidaat voor een rijbewijs voor de categorie C + E voor de proef op de openbare weg komt met een geleed voertuig, terwijl hij de proef op een terrein buiten het verkeer met een samenstel aflegde, en omgekeerd.

Dit slagen wordt vermeld op de aanvraag om een rijbewijs of op het voorlopig rijbewijs en, als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Bij het slagen voor een van de twee proeven met een voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt het volledige examen geacht afgelegd te zijn met dit type van voertuig. Als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, wordt de code 78 vermeld op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

§3. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig dat niet tot de categorieën A1, A2 en A behoort, moet, naast de examinator, de instructeur of een stagiair van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, is naast de examinator, vergezeld van een persoon die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.

Indien het voertuig behorend tot de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, of indien het voertuig behoort tot de categorie G, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in § 8, mogen enkel de door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§4. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig van de A1, A2 of A neemt de examinator plaats in een voertuig dat tot de categorie A2 of A of bij tijdelijke onbeschikbaarheid hiervan categorie B behoort en dat de kandidaat volgt; hij deelt zijn onderrichtingen mee aan de kandidaat bij middel van een radio-inrichting.

Buiten de bestuurder van het voertuig, de tolk bedoeld in § 8 en de examinator mogen alleen personen aangeduid door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde plaatsnemen in het voertuig dat de kandidaat volgt.

§5. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2, vierde lid niet over de voorgeschrevene uitrusting beschikt of indien het voertuig geen voldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.

Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt, in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider, in geval van een onregelmatigheid van de kandidaat, de begeleider, de instructeur of de stagiair-instructeur of indien de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in § 4 onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of zijn onderrichtingen niet opvolgt.

§6. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruitvolgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage 5.

§7. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktische examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13. In het geval bedoeld in artikel 48, § 2, wordt het slagen voor het praktische examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7.

§8. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het praktische examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die door hem onder de beëdigde vertalers wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

Kandidaten hebben recht op redelijke aanpassingen waarin het examencentrum voorziet. Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een beëdigd doventolk die het examencentrum aanwijst, onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

In afwijking van het eerste lid kan een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, de proef gevaarherkenningstest tijdens het praktische examen voor categorie B met behulp van een audiovertaling afleggen.

Artikel 39. Waals Gewest

§1. Het praktisch examen bevat de volgende proeven :

categorie AM : een proef op een terrein buiten het verkeer;

categorie B : een proef op de openbare weg in het verkeer;

categorie A1, A2, A, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of het plaatsen van de code 96 : een proef op een terrein buiten het verkeer en een proef op de openbare weg in het verkeer.

De duur van het praktische examen wordt als volgt bepaald :

categorieën AM, A1, A2 en A : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan dertig minuten zijn;

1°/1 categorie B+E en het plaatsen van code 96 : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfentwintig minuten zijn;

categorieën C1, C, D1 en D : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie C1+E en C+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens dertig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;

categorie D1+E en D+E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijfentwintig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn.

categorie B : de duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§1bis. Het praktisch examen van de categorie G bestaat uit een proef op een terrein buiten het verkeer en uit een proef op de openbare weg.

De duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minimum vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan veertig minuten.

§2. De kandidaat moet, om tot de proef op de openbare weg toegelaten te worden, geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer. Het slagen in deze proef blijft één jaar geldig, behalve als de kandidaat voor een rijbewijs voor de categorie C + E voor de proef op de openbare weg komt met een geleed voertuig, terwijl hij de proef op een terrein buiten het verkeer met een samenstel aflegde, en omgekeerd.

Dit slagen wordt vermeld op de aanvraag om een rijbewijs of op het voorlopig rijbewijs en, als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

Bij het slagen voor een van de twee proeven met een voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt het volledige examen geacht afgelegd te zijn met dit type van voertuig. Als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2 of A, wordt de code 78 vermeld op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.

§3. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig dat niet tot de categorieën A1, A2 en A behoort, moet, naast de examinator, de instructeur of een stagiair van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, is naast de examinator, vergezeld van een persoon die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs met begeleider is naast de examinator, vergezeld van een begeleider die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7/1, § 2 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.

Indien het voertuig behorend tot de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, of indien het voertuig behoort tot de categorie G, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in § 8, mogen enkel de door de Waalse Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§4. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig van de A1, A2 of A neemt de examinator plaats in een voertuig dat tot de categorie A2 of A of bij tijdelijke onbeschikbaarheid hiervan categorie B behoort en dat de kandidaat volgt; hij deelt zijn onderrichtingen mee aan de kandidaat bij middel van een radio-inrichting.

Buiten de bestuurder van het voertuig, de tolk bedoeld in § 8 en de examinator mogen alleen personen aangeduid door de Waalse Minister of zijn gemachtigde plaatsnemen in het voertuig dat de kandidaat volgt.

§5. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2, vierde lid niet over de voorgeschrevene uitrusting beschikt of indien het voertuig geen voldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.

Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt, in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider of indien de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in § 4 onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of zijn onderrichtingen niet opvolgt.

§6. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruitvolgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage 5.

§7. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktische examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13. In het geval bedoeld in artikel 48, § 2, wordt het slagen voor het praktische examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7.

§8. De kandidaat, die noch de Franse, noch de Duitse taal machtig is, kan zich op eigen kosten laten bijstaan door een tolk in de Nederlandse taal of de Engelse taal gekozen uit de beëdigde vertalers door het examencentrum.

Afdeling V/1. — Onregelmatigheden (enkel Vlaams Gewest)

Art. 39/1. Als de examinator of de medewerker van het examencentrum in het kader van het theoretische of het praktische examen meent dat er sprake is van een onregelmatigheid van de kandidaat of van de begeleider, de instructeur of de stagiair-instructeur van de kandidaat, schort hij de evaluatie van de kandidaat op tot op het moment dat er een beslissing over de vastgestelde onregelmatigheid is genomen.

De examinator of de medewerker van het examencentrum brengt de betrokkene op de hoogte van de relevante feitelijke gegevens en van de eventuele stukken waaruit de vastgestelde onregelmatigheid blijkt.

De betrokkene wordt onmiddellijk in zijn verdediging gehoord over de onregelmatigheid die hem wordt verweten. Als de betrokkene een minderjarige kandidaat is, is een van zijn ouders of de persoon die met het ouderlijke gezag bekleed is, aanwezig tijdens de hoorzitting.

Nadat de betrokkene is gehoord of, als de betrokkene niet gehoord kon of wou worden, nadat de onmogelijkheid om de betrokkene te horen is vastgesteld, wordt onmiddellijk beslist of er zich al dan niet een onregelmatigheid heeft voorgedaan.

Naar aanleiding van de vastgestelde feiten wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin al de volgende onderdelen zijn opgenomen:

1° de identificatie- en contactgegevens waaronder het rijksregisternummer van de betrokkene en bij een minderjarige kandidaat van de ouders of de voogden;
2° de identificatiegegevens van de medewerker van het examencentrum, vermeld in het eerste en tweede lid;
3° de identificatiegegevens van de medewerker van het examencentrum, vermeld in het zevende lid;
4° de gegevens van het theoretische of het praktische examen;
5° alle relevante feitelijke gegevens, eventueel aangevuld met alle dienstige stukken;
6° een verslag van het horen;
7° de gegevens of de stukken die de betrokkene meedeelt of bezorgt;
8° de beslissing, de opgelegde maatregelen en de motiveringen die tot de aanneming ervan hebben geleid.

Het proces-verbaal wordt in twee exemplaren opgesteld en wordt ondertekend. Een van beide exemplaren wordt met een beveiligde zending aan de betrokkene of, bij een minderjarige kandidaat, aan de ouders of de voogden van de kandidaat bezorgd. Het examencentrum bewaart het andere exemplaar en bezorgt een kopie daarvan binnen twee werkdagen aan het Departement op de wijze die het Departement bepaalt. Als de betrokkene een begeleider, een instructeur of een stagiair-instructeur is, wordt er ook een kopie met een beveiligde zending aan de kandidaat bezorgd.

Het horen van de betrokkene, het nemen van de beslissing over de vastgestelde onregelmatigheid en de opmaak en de ondertekening van het proces-verbaal gebeurt, in alle onafhankelijkheid, door een andere medewerker van het examencentrum dan de medewerker, vermeld in het eerste en tweede lid.

Als wordt beslist dat er sprake is van een onregelmatigheid, worden al de volgende maatregelen opgelegd:

1° de kandidaat wordt uitgesteld voor het examen;

2° de betrokkene wordt uitgesloten van het afleggen van een examen of het begeleiden van kandidaten tijdens een examen in de examencentra voor:

a) drie maanden in de volgende gevallen:

1) verstoring van de orde;
2) het niet-naleven van richtlijnen of instructies die examinatoren of medewerkers van het examencentrum hebben gegeven;
3) elke vorm van verbale agressie, met uitzondering van bedreigingen als vermeld in punt b);

b) zes maanden in geval van bedreigingen of in geval van fysieke agressie tegen zaken;

c) twaalf maanden in geval van een poging tot fraude of fraude of bij elke vorm van fysieke agressie tegen personen.

De betrokkene kan beroep indienen bij de beroepscommissie, vermeld in artikel 47, conform de procedure, vermeld in artikel 48.

Art. 39/2. Als het Departement nadat de kandidaat het theoretische of het praktische examen heeft afgelegd, kennis krijgt van fraude of van een poging tot fraude door de kandidaat of door de begeleider, de instructeur of de stagiair-instructeur van de kandidaat in het kader van dat examen, deelt het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde dat mee aan de betrokkene. Het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde brengt de betrokkene daarbij op de hoogte van de relevante feitelijke gegevens en van de eventuele stukken waaruit de vastgestelde onregelmatigheid blijkt.

Het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde informeert de betrokkene in de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, over de mogelijkheid om met een aangetekende brief of op elektronische wijze een schriftelijk verweer te richten binnen dertig dagen na de datum van de kennisgeving, vermeld in het eerste lid.

Het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde beslist of er zich al dan niet een onregelmatigheid heeft voorgedaan. Die beslissing wordt genomen binnen dertig dagen na de dag waarop het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde het schriftelijke verweer heeft ontvangen, of, als hij niet tijdig een schriftelijk verweer heeft ontvangen, binnen dertig dagen nadat de termijn, vermeld in het tweede lid, is verstreken, bij gebreke waaraan het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde wordt geacht af te zien van een maatregel.

Het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde maakt naar aanleiding van de vastgestelde feiten een proces-verbaal op waarin al de volgende elementen worden vermeld:

1° de identificatie- en contactgegevens waaronder het rijksregisternummer van de betrokkene en bij een minderjarige kandidaat van de ouders of de voogden;
2° de identificatiegegevens van het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde;
3° de gegevens van het theoretische of het praktische examen;
4° alle relevante feitelijke gegevens, eventueel aangevuld met alle dienstige stukken;
5° een samenvatting van het schriftelijke verweer;
6° de gegevens of de stukken die de betrokkene meedeelt of bezorgt;
7° de beslissing, de opgelegde maatregelen en de motiveringen die tot de aanneming ervan hebben geleid.

Het proces-verbaal wordt in twee exemplaren opgesteld en wordt door het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde ondertekend. Een van beide exemplaren wordt met een beveiligde zending aan de betrokkene of, bij een minderjarige kandidaat, aan de ouders of de voogden van de kandidaat bezorgd. Het Departement bewaart het andere exemplaar en bezorgt een kopie daarvan binnen twee werkdagen aan het examencentrum waar het examen is afgelegd op de wijze die het Departement bepaalt. Als de betrokkene een begeleider, een instructeur of een stagiair-instructeur is, wordt er ook een kopie met een beveiligde zending aan de kandidaat bezorgd.

De beslissing van het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde dat er sprake is van een onregelmatigheid, heeft al de volgende gevolgen:

1° het examen van de kandidaat wordt ongeldig verklaard;
2° het examenresultaat wordt gewijzigd in een uitstel voor het examen;
3° de betrokkene wordt voor twaalf maanden uitgesloten van het afleggen van een examen of van het begeleiden van kandidaten tijdens een examen in de examencentra.

De betrokkene kan beroep indienen bij de beroepscommissie, vermeld in artikel 47, conform de procedure, vermeld in artikel 48.

Art. 39/3. Het examen dat wordt afgelegd na het examen waar een onregelmatigheid is vastgesteld maar vóór de datum van de beslissing tot uitsluiting wegens een onregelmatigheid, en het examen dat wordt afgelegd gedurende de periode waarin de kandidaat uitgesloten is van het afleggen van een examen wegens een onregelmatigheid, zijn ongeldig en het examenresultaat wordt gewijzigd in een uitstel.

Afdeling VI. — Geneeskundig onderzoek

Artikel 40.

De lichaamsgebreken en aandoeningen bedoeld in artikel 23, § 1, 3° van de wet zijn bepaald in bijlage 6.

Artikel 41.

§1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E of G ondertekent op de aanvraag om een rijbewijs, of op de aanvraag om een voorlopige rijbewijs, een verklaring waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet te lijden aan een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte betreffende het gezichtsvermogen.

Elke kandidaat die geen houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs, moet bij het theoretische examen een leestest afleggen voor de examinator of de aangestelde bedoeld in artikel 25, § 1, volgens de nadere regels die gezamenlijk door de Minister en door zijn collega tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort, worden bepaald.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Waalse Minister”.

§2. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan ondertekenen, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen geneesheer. De geneesheer vraagt, in voorkomend geval, het verslag van een geneesheer specialist overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Behalve in het geval bedoeld in artikel 45, oordeelt de geneesheer of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, I, II, IV en V en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VII.

§3. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende het gezichtsvermogen niet kan ondertekenen of die niet voldoet bij de leestest bedoeld in § 1, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen oogarts.

De oogarts oordeelt of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, III en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VIII.

§4. Indien de geneesheer bedoeld in §§ 2 en 3 oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat in de vorm van de codes, zoals voorgeschreven in bijlage 7.

Artikel 42.

De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E moet een onderzoek ondergaan dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2.

Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 44.

Artikel 43.

Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 en zij een voertuig bestemd voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen:

de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocar;

de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur bedoeld in artikel 6, § 1, X, 8° van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980;

(opgeheven)

(opgeheven)

(opgeheven)

het vervoer van personen met ambulance, zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 68, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

het bezoldigde leerlingenvervoer.

De instructeurs van de rijscholen die het praktische onderricht voorgeschreven in artikel 15 verstrekken, zijn eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan.

Artikel 44.

§1. Het onderzoek bedoeld in artikel 42 wordt afgelegd voor een geneesheer van een medisch centrum van het Bestuur van de medische expertise.

De aanvrager legt een verklaring voor waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet aangetast te zijn door een aandoening die het normaal besturen van een voertuig, zelfs tijdelijk, zou kunnen verhinderen of belemmeren en deelt het resultaat mee dat hij bekwam bij een eventueel vorig geneeskundig onderzoek. Het model van deze verklaring komt voor in bijlage 6, IX.

Hij legt bovendien het verslag voor van een oogarts waarvan het model bepaald is in bijlage 6, X.

§2. Als de geneesheer van het Bestuur van de medische expertise besluit tot de ongeschiktheid van de kandidaat of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen, kan deze laatste een beroep instellen bij dat Bestuur. Het beroep wordt ingeleid bij ter post aangetekende brief, binnen de tien werkdagen na de betekening van de beslissing. De verzoeker wijst in deze brief de geneesheer aan die hem tijdens de procedure zal bijstaan.

Het Bestuur van de medische expertise deelt zonder verwijl aan die geneesheer de medische gegevens mee die de beslissing hebben gemotiveerd.

Binnen de tien werkdagen, volgend op de mededeling van het dossier, kan de geneesheer aangewezen door de verzoeker :

hetzij zijn akkoord betuigen met de beslissing;

hetzij een tegensprekelijke raadpleging vragen met de geneesheer die de beslissing heeft genomen of, bij verhindering, met zijn plaatsvervanger;

hetzij een rapport neerleggen waarin de argumenten die de beslissing motiveerden, weerlegd worden.

In geval van akkoord tussen de onderzoekende geneesheer en deze die door de verzoeker werd gekozen, wordt de beslissing dienovereenkomstig gehandhaafd of gewijzigd.

Indien de twee geneesheren het onderling niet eens kunnen worden, wordt een arbitrageonderzoek gedaan door de hoofdgeneesheer van het Bestuur van de medische expertise of door zijn gemachtigde, die de verzoeker nog niet heeft onderzocht tijdens het geneeskundig onderzoek of de tegensprekelijke raadpleging. Bij het arbitrageonderzoek mag de verzoeker zich laten bijstaan door de door hem gekozen geneesheer.

Na afloop van het arbitrageonderzoek is de beslissing daaromtrent definitief.

§3. De verzoeker betaalt voor elk onderzoek de retributie die vastgesteld wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur van de medische expertise behoort alsook, in voorkomend geval, de honoraria en kosten van de geneesheer die hij gekozen heeft om hem bij te staan bij de beroepsprocedure.

§4. In afwijking van de bepalingen van §1, kan het onderzoek bedoeld in artikel 42 afgelegd worden voor :

een geneesheer van een erkende Arbeidsgeneeskundige Dienst. Wanneer de Arbeidsgeneesheer tot de ongeschiktheid van de kandidaat besluit of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen kan beroep ingesteld worden volgens de bepalingen betreffende de beslissingen van de Arbeidsgeneesheer voorgeschreven in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming ;

een geneesheer van het «Office communautaire et Régional de la Formation professionnelle et de l’Emploi», van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, «Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft» of van het «Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle»;

een geneesheer van de medische dienst van het leger;

een geneesheer van een centrum voor leerlingenbegeleiding;

een geneesheer van de medische dienst van de federale politie.

De aanvrager legt aan de onderzoekende geneesheer de verklaring voor, zoals voorgeschreven in §1, tweede lid.

§5. De in §§ 1 en 4 bedoelde geneesheer levert aan de aanvrager een attest af, overeenkomstig het in bijlage 6, XI voorgeschreven model.

Indien de geneesheer oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van de verplichting om bepaalde types van voertuigen of om een speciaal aangepast voertuig of om een voertuig uitgerust met een automatische schakeling te gebruiken of van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat, in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7.

Het attest is vijf jaar geldig. Het kan evenwel afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Artikel 45.

Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2 en 44, §§ 1 en 4 een vermindering van de functionele vaardigheden van een kandidaat of van een bestuurder vaststelt tengevolge van een aantasting van het musculo - skelettaal systeem, van een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel of van elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en beoordelingsvermogen, verwijst hij de aanvrager door naar een centrum aangeduid door de Minister en belast met het bepalen van de rijgeschiktheid van de bestuurders alsook de eventuele aanpassingen die aan het voertuig moeten aangebracht worden en, in voorkomend geval, de voorwaarden of de beperkingen aan het gebruik van het rijbewijs.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Waalse Minister of zijn afgevaardigde”.

De geneesheer van het centrum maakt het attest op bepaald in bijlage 6, XII wanneer het gaat om een kandidaat bedoeld in artikel 41, § 1 ; hij deelt zijn conclusies mee aan de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 of 4 als het gaat om een kandidaat bedoeld in de artikelen 42 en 43.

Voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Vlaams Gewest, zie M.B. 27-03-1998 ter uitvoering van artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Voor wat betreft het Waals Gewest, zie M.B. 21-12-2018 ter uitvoering van artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Artikel 46.

§1. Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2, 44, §§ 1 en 4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7.

§2. De houder van een rijbewijs dat in toepassing van artikel 24 van de wet werd ingeleverd kan de teruggave verkrijgen indien hij aan de in artikel 7 bedoelde overheid een attest voorlegt waarin bevestigd wordt dat hij opnieuw geschikt is om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het rijbewijs geldig is.

Het attest bedoeld in het eerste lid wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 41, §§ 2 en 3, 44 en 45.

Indien de handicap van de houder een voertuig vereist dat speciaal aan zijn handicap is aangepast of gebruiksbeperkingen noodzakelijk maakt, zal daarvan melding gemaakt worden op het rijbewijs.

Indien het attest hem slechts het besturen toelaat van sommige categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs werd geldig verklaard, bekomt hij zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een nieuw rijbewijs alleen geldig voor de categorieën of subcategorieën waarvoor hij tot het besturen ervan geschikt is. De procedure van artikel 49 is van toepassing.

Afdeling VII. — Beroep in geval van niet slagen voor het praktische examen (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

Artikel 47.

(Opgeheven)

Artikel 48.

(Opgeheven)

Afdeling VII. — Beroep in verband met het uitstel voor het praktische examen en in verband met het uitstel en de uitsluiting wegens een onregelmatigheid (Vlaams Gewest)

Artikel 47.

§1. Er wordt een beroepscommissie opgericht die uitspraak moet doen over de beroepen in verband met het uitstel voor het praktische examen en in verband met het uitstel en de uitsluiting wegens een onregelmatigheid.

De beroepscommissie bestaat uit drie commissarissen, die politierechters of vrederechters zijn die gedurende ten minste vijf jaar een politierechtbank hebben voorgezeten. Ze worden door de Vlaamse minister voor een termijn van twee jaar aangesteld. Dit mandaat kan hernieuwd worden.

De Vlaamse minister wijst een voorzitter en een vicevoorzitter onder de commissarissen aan.

De beroepscommissie stelt het huishoudelijke reglement vast, dat door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde wordt goedgekeurd.

§2. De functie van commissaris is onverenigbaar met elke betrekking of met elke functie in een rijschool of in een instelling belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

De commissaris moet zich onbevoegd verklaren bij elk beroep ingeleid door een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.

§3. De beroepscommissie zetelt op geldige wijze wanneer twee van haar leden aanwezig zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn afwezigheid, deze van de vice-voorzitter beslissend.

Het secretariaat van de beroepscommissie wordt uitgeoefend door een gemachtigde van de Vlaamse minister. Deze gemachtigde roept de commissie tijdig samen en brengt aan de commissarissen verslag uit over de ingeleide beroepen, zo nodig na de noodzakelijke onderzoeken te hebben gedaan; hij woont de debatten bij tijdens dewelke hij een raadgevende stem heeft.

§ 4. De vergoeding voor de leden van de beroepscommissie bedraagt:

1° 150 euro per zitting voor de voorzitter;

2° 125 euro per zitting voor de commissarissen.

De bedragen van de vergoeding zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2019 is bereikt. Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

De leden van de beroepscommissie worden bovendien vergoed voor de reiskosten die hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de bepalingen die gelden voor het Vlaamse overheidspersoneel. Voor de toepassing van die bepalingen worden ze gelijkgesteld met de titularissen van rang A2.

§ 5. De zittingen van de beroepscommissie zijn niet openbaar.

Artikel 48.

§ 1. In al de volgende gevallen kan er beroep worden ingediend bij de beroepscommissie, vermeld in artikel 47:

1° door de kandidaat na een uitstel voor het praktische examen;

2° door de kandidaat of door de begeleider, de instructeur of de stagiair-instructeur van de kandidaat als conform artikel 39/1, achtste lid, wordt beslist om de kandidaat uit te stellen voor het examen en om de betrokkene uit te sluiten van het afleggen van een examen of het begeleiden van kandidaten tijdens een examen in de examencentra;

3° door de kandidaat of door de begeleider, de instructeur of de stagiair-instructeur van de kandidaat als het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde conform artikel 39/2, zesde lid, beslist om het examen van de kandidaat ongeldig te verklaren, het examenresultaat te wijzigen in een uitstel voor het examen en om de betrokkene uit te sluiten van het afleggen van een examen of het begeleiden van kandidaten tijdens een examen in de examencentra.

§ 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep stuurt de indiener het beroep met een aangetekende brief naar de voorzitter van de beroepscommissie, vermeld in artikel 47, binnen vijftien dagen vanaf de dag volgend op volgende data:

1° de datum van de kennisgeving van het uitstel, in het geval, vermeld in paragraaf 1, 1°;

2° de datum van de kennisgeving van het proces-verbaal, vermeld in artikel 39/1, vijfde lid, in het geval, vermeld in paragraaf 1, 2°;

3° de datum van de kennisgeving van het proces-verbaal, vermeld in artikel 39/2, vierde lid, in het geval, vermeld in paragraaf 1, 3°.

Als de laatste dag van de termijn van vijftien dagen, vermeld in het eerste lid, een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

De retributie, vermeld in artikel 63, § 3, eerste lid, wordt betaald conform artikel 63, § 3, tweede lid.

§ 3. De betrokkene of, bij een minderjarige kandidaat, zijn ouders of de persoon die met het ouderlijke gezag bekleed is, ondertekenen het beroep en dienen het in.

In het beroepschrift worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, al de volgende gegevens vermeld:

1° de identificatiegegevens waaronder het rijksregisternummer van de betrokkene en bij een minderjarige kandidaat van de ouders of de voogden;
2° het domicilieadres;
3° het telefoonnummer;
4° het e-mailadres;
5° het examencentrum waar het examen is afgenomen;
6° de datum van het examen;
7° de voor het beroep relevante feiten die betrekking kunnen hebben op de personen, de plaats, de tijd en de procedure van het examen;
8° de beroepsgrieven.

§ 4. De beroepscommissie, vermeld in artikel 47, verricht alle bijkomende onderzoeken die ze nodig acht.

Het examencentrum of het Departement bezorgt alle stukken over het examen, de genomen beslissing en de opgelegde maatregelen in geval van een onregelmatigheid aan de beroepscommissie, vermeld in artikel 47. De beroepscommissie, vermeld in artikel 47, kan personen oproepen om gehoord te worden en kan alle dienstige stukken opvragen.

De beroepscommissie, vermeld in artikel 47, kan de volgende beslissingen nemen:

1° in het geval, vermeld in paragraaf 1, 1°, beslist de beroepscommissie of de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt ze het uitstel. De beroepscommissie kan de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen, in voorkomend geval na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopige rijbewijs waarvan de verzoeker houder was, en kan bepalen onder welke voorwaarden het examen plaatsvindt;

2° in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, oordeelt de beroepscommissie of de feiten al dan niet een onregelmatigheid vormen en beslist ze over de regelmatigheid van de beslissingen en de maatregelen van het examencentrum of van het hoofd van het Departement of zijn gemachtigde. De beroepscommissie kan de opgelegde maatregelen vernietigen, bevestigen of herzien.

De beroepscommissie, vermeld in artikel 47, neemt haar beslissing binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de indiener het beroep verstuurt.

De beroepscommissie, vermeld in artikel 47, bezorgt een kopie van de beslissing binnen een ordetermijn van tien dagen aan de indiener van het beroep en aan het examencentrum of het Departement.

Afdeling VII. — Beroep (Waals Gewest)

Artikel 47.

§1. Er wordt een beroepscommissie opgericht die uitspraak moet doen over de beroepen in verband met mislukking voor het praktische examen en over de beroepen voor uitsluiting en mislukking wegens een onregelmatigheid van de kandidaat voor het rijbewijs.

De beroepscommissie bestaat uit een kamer voor de examens die in de Franse taal en in de Duitse taal zijn afgelegd.

De commissie bestaat uit drie commissarissen, die politierechters of vrederechters zijn die gedurende ten minste vijf jaar een politierechtbank hebben voorgezeten. Ze worden door de Waalse Minister voor een termijn van twee jaar aangesteld. Dit mandaat kan hernieuwd worden.

De commissarissen die de Franstalige kamer samenstellen, moeten door hun diploma aantonen dat ze hun examens van doctor of licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd, en minstens één commissaris moet bovendien kennis van het Duits aantonen, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken.

De Waalse Minister duidt voor elke kamer een voorzitter en een vice-voorzitter onder de commissarissen aan.

De commissie stelt het huishoudelijke reglement vast, dat door de Waalse Minister of zijn gemachtigde wordt goedgekeurd.

§2. De functie van commissaris is onverenigbaar met elke betrekking of met elke functie in een rijschool of in een instelling belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

De commissaris moet zich onbevoegd verklaren bij elk beroep ingeleid door een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.

§3. De commissie zetelt op geldige wijze wanneer twee van haar leden aanwezig zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn afwezigheid, deze van de vice-voorzitter beslissend.

Het secretariaat van de beroepscommissie wordt uitgeoefend door een gemachtigde van de Waalse Minister. Deze gemachtigde roept de commissie tijdig samen en brengt aan de commissarissen verslag uit over de ingeleide beroepen, zo nodig na de noodzakelijke onderzoeken te hebben gedaan; hij woont de debatten bij tijdens dewelke hij een raadgevende stem heeft.

§4. De commissarissen bekomen een vergoeding ten laste van de Schatkist, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de Waalse Minister.

Zij worden bovendien vergoed voor de kosten die hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de voor de personeelsleden van het Waals openbaar bestuur geldende bepalingen. Voor de toepassing van deze bepalingen worden zij gelijkgesteld met de titularissen van een graad van de rang A2.

Artikel 48.

§1. Na twee mislukkingen in het praktische examen kan beroep worden ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47. Dit beroep moet ingediend worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken.

Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 63 voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.

Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd.

§2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht.

Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de mislukking.

Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopige rijbewijs waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke voorwaarden het examen plaats heeft.

Artikel 48bis.

§ 1. Wanneer de examinator van een examencentrum beslist om de kandidaat voor het rijbewijs die een onregelmatigheid heeft begaan van het theoretisch examen uit te sluiten en te doen mislukken, kan de kandidaat als hij meerderjarig is, zijn ouders of de persoon bekleed met het ouderlijk gezag als hij minderjarig is, een beroep indienen bij de commissie bedoeld in artikel 47. Dit beroep wordt ingediend binnen vijftien dagen na de mislukking en de uitsluiting.

Het beroep wordt, bij aangetekend schrijven, aan de voorzitter van de beroepscommissie gericht. De in artikel 63 voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze.

Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.

Het beroep, ondertekend door de kandidaat als hij meerderjarig is, zijn ouders of de persoon bekleed met het ouderlijk gezag als hij minderjarig is, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd.

§ 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht.

Ze beslist over de regelmatigheid van de beslissing van de examinator van het examencentrum en stelt vast dat de feiten, aan de basis van de mislukking en de uitsluiting van de kandidaat, een onregelmatigheid van de kandidaat vormen, zoals bepaald in artikel 1, 18o. In geval van onregelmatigheid, bevestigt zij de omstreden beslissing.

Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw theoretisch examen af te leggen en bepalen onder welke voorwaarden het examen plaats heeft.

Artikel 48ter.

§ 1. Wanneer de examinator van een examencentrum beslist om de kandidaat voor het rijbewijs die een onregelmatigheid heeft begaan van het theoretisch examen uit te sluiten en te doen mislukken, kan de kandidaat als hij meerderjarig is, zijn ouders of de persoon bekleed met het ouderlijk gezag als hij minderjarig is, een beroep indienen bij de commissie bedoeld in artikel 47. Dit beroep wordt ingediend binnen vijftien dagen na de mislukking en de uitsluiting.

Het beroep wordt, bij aangetekend schrijven aan de voorzitter van de beroepscommissie gericht. De in artikel 63 voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze.

Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.

Het beroep, ondertekend door de kandidaat als hij meerderjarig is, zijn ouders of de persoon bekleed met het ouderlijk gezag als hij minderjarig is, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd.

§ 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht.

Ze beslist over de regelmatigheid van de beslissing van de examinator van het examencentrum en stelt vast dat de feiten, aan de basis van de mislukking en de uitsluiting van de kandidaat, een onregelmatigheid van de kandidaat vormen, zoals bepaald in artikel 1, 18o. In geval van onregelmatigheid, bevestigt zij de omstreden beslissing. Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuwe test af te leggen en bepalen onder welke voorwaarden de test plaats heeft.

HOOFDSTUK V. — Vervanging en duplicaten van het rijbewijs en van het voorlopige rijbewijs

Artikel 49.

De houder van een rijbewijs die een rijbewijs wenst te verkrijgen geldig voor één of meerdere andere categorieën van motorvoertuigen dan die waarvoor het oorspronkelijke document werd afgegeven, dient een nieuwe aanvraag in overeenkomstig de in dit besluit beschreven procedure; hij bekomt een nieuw rijbewijs en het oorspronkelijke document wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

Dezelfde procedure is van toepassing op de houder van een rijbewijs met de code 78 die een rijbewijs wil behalen waarop deze vermelding niet voorkomt en op de houder die een rijbewijs wil behalen waarop de code 96 voorkomt.

Artikel 50.

§1. Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven :

in geval van verlies of van diefstal van het rijbewijs;

als het rijbewijs beschadigd, onleesbaar of teniet gegaan is;

als de foto van de houder niet meer gelijkend is;

in het geval van intrekking van het rijbewijs door een buitenlandse overheid;

in de gevallen voorgeschreven in artikel 80 §2.

De aanvrager moet ofwel beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bepaalde voorwaarden ofwel ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van een Belgische consulaire post in een Staat die geen lid van de Europese Economische Ruimte is en houder zijn van een geldige identiteitskaart, bedoeld in het koninklijk besluit van 23 januari 2003 aangaande de consulaire bevolkingsregisters en identiteitskaarten.

Een nieuw rijbewijs, afgegeven in de gevallen bedoeld in het eerste lid, heeft een nieuwe administratieve geldigheidsduur, bepaald overeenkomstig artikel 20bis.

§2. Een aanvraag om een rijbewijs, zoals bedoeld in artikel 17, wordt ingediend bij de overheid bedoeld in artikel 7.

Zij is vergezeld van :

een attest van aangifte van verlies of diefstal gedaan bij de lokale politie, de federale politie of de overheid bedoeld in artikel 7 indien de ingeroepen reden verlies of diefstal is. Dit attest, waarvan het model is vastgesteld door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, mag niet gebruikt worden ter vervanging van het rijbewijs;

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

een attest van de buitenlandse overheid waarin zij verklaart geen nationaal rijbewijs te hebben afgegeven aan de aanvrager indien de ingeroepen reden de intrekking van het rijbewijs door deze overheid is;

het te vervangen rijbewijs in de andere gevallen.

§3. Een nieuw voorlopig rijbewijs wordt afgegeven voor de redenen bepaald in § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3° en voor de verandering van begeleider, nadat de houder een aanvraag om een voorlopig rijbewijs, zoals bedoeld in artikel 7, indient bij de overheid bedoeld in artikel 7 volgens de in § 2, tweede lid, 1° en 3° beschreven procedure.

Op het voorlopig rijbewijs bedoeld in het eerste lid worden, in voorkomend geval, de gegevens betreffende de begeleiders, de uiterste geldigheidsdatum en de opmerkingen en beperkingen overgenomen van het vervangen document. De datum van afgifte van het eerste voorlopig rijbewijs voor dezelfde categorie wordt eveneens als opmerking vermeld.

De voorwaarde bepaald in artikel 6, 1°, b) is niet van toepassing op de afgifte van het voorlopig rijbewijs bedoeld in het eerste lid.

De afgifte van het voorlopig rijbewijs, bedoeld in het eerste lid, geeft geen aanleiding tot het ingaan van een nieuwe stageperiode, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid van dit besluit en in artikel 8, eerste lid van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.

§4. Het rijbewijs of het voorlopig rijbewijs waarvoor een nieuw document werd afgegeven, is niet meer geldig.

Indien de houder, na de afgifte van een nieuw rijbewijs of van een nieuw rijbewijs of een nieuw voorlopig rijbewijs, opnieuw in het bezit komt van het kwijtgeraakte document, moet hij dit laatste onmiddellijk teruggeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

Artikel 51.

De houder van een Europees rijbewijs beantwoordend aan de voorwaarden van artikel 27.2° bekomt, in de gevallen voorgeschreven in artikel 50 §1, een Belgisch rijbewijs op basis van de inlichtingen die voorkomen op de inlichtingenfiche bedoeld in artikel 57 of in het Europees rijbewijzennetwerk, of van een attest van de bevoegde overheden van de Lid-Staat die het oorspronkelijke rijbewijs hebben afgegeven.

Artikel 52.

Al wie een rijbewijs, of een voorlopige rijbewijs waarvan hij niet de houder is, vindt of onregelmatig bij zich houdt, moet het document onmiddellijk afgeven aan de overheid bedoeld in artikel 7 of aan het dichtstbijgelegen politiebureau die het terugstuurt aan deze overheid.

HOOFDSTUK VI. — Het internationale rijbewijs

Artikel 53.

Het internationale rijbewijs komt overeen met het model voorkomend in bijlage 7 van het Verdrag inzake het wegverkeer, en Bijlagen, opgemaakt te Wenen op 8 november 1968.

Het internationale rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in artikel 7 tegen afgifte van een aanvraag om een internationaal rijbewijs, waarvan het model door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is bepaald.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Artikel 54.

Het internationale rijbewijs wordt uitgereikt aan de aanvrager die voldoet aan de volgende voorwaarden :

beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bepaalde voorwaarden, behalve als hij ofwel personeelslid van de NAVO of de SHAPE is ofwel ingeschreven is in de bevolkingsregisters van een Belgische consulaire post in een Staat die geen lid van de Europese Economische Ruimte is en houder is van een geldige identiteitskaart, bedoeld in het koninklijk besluit van 23 januari 2003 aangaande de consulaire bevolkingsregisters en identiteitskaarten.

houder zijn van een Belgisch of Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23 §2.1° van de wet;

niet vervallen zijn van het recht om voertuigen te besturen van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en, in voorkomend geval, geslaagd zijn voor de krachtens artikel 38 van de wet opgelegde onderzoeken;

de leeftijd bereikt hebben die voorgeschreven is in artikel 18.

Artikel 55.

De overheid die het internationale rijbewijs uitreikt, maakt het geldig voor de categorieën waarvoor het rijbewijs bedoeld in artikel 54, 2° geldig is.

Indien het nationale rijbewijs slechts geldig is voor het besturen van sommige voertuigen van een bepaalde categorie, wordt het internationale rijbewijs geldig gemaakt voor de overeenstemmende categorie en draagt het een beperkende vermelding.

De geldigheidsduur van het internationale rijbewijs kan niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het in artikel 54, 2° bedoelde rijbewijs en is beperkt tot maximum drie jaar.

Artikel 56.

In de in artikel 50 §1 bedoelde gevallen, wordt een nieuw internationaal rijbewijs uitgereikt op vertoon van een aanvraag om een internationaal rijbewijs, vergezeld van de documenten bedoeld in artikel 50 §2. 1° of 3°. De bepalingen van de artikelen 54 en 55 zijn van toepassing.

Bij het verstrijken van de geldigheid van het internationale rijbewijs wordt een nieuw document uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 53, 54 en 55.

HOOFDSTUK VII. — Formaliteiten die de overheden belast met de afgifte van de documenten dient te vervullen

Artikel 57.

§1. Voor elk rijbewijs wordt een inlichtingenfiche gemaakt, waarvan het model bepaald wordt door de Minister of zijn gemachtigde.

Er wordt eveneens een inlichtingenfiche opgemaakt voor het Europese rijbewijs waarvan de houder ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen- of het wachtregister van een Belgische gemeente of ingeschreven is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarom is de belanghebbende ertoe gehouden, om bij zijn inschrijving in België, het rijbewijs waarvan hij houder is voor te leggen aan de overheid bedoeld in artikel 7. Een fotokopie van het rijbewijs wordt bevestigd aan de inlichtingenfiche.

§2. Voor elk voorlopig rijbewijs wordt er een voorlopige inlichtingenfiche opgemaakt, waarvan het model bepaald wordt door de Minister of zijn gemachtigde.

Een voorlopige inlichtingenfiche wordt eveneens opgemaakt voor de personen die verval van het recht tot sturen oplopen indien er geen fiche bestaat op hun naam.

Artikel 58.

§1. De inlichtingenfiche en de voorlopige inlichtingenfiche bevatten de volgende gegevens :

naam en voornaam van de houder van het document;

geboortedatum en geboorteplaats;

overheid, datum en plaats van afgifte van het document;

nummer van het document;

categorie of subcategorie waarvoor het document is afgegeven;

per categorie of subcategorie, de datum van afgifte van het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid en de uiterste geldigheidsdatum van deze bewijzen;

bijkomende of beperkende vermeldingen;

datum van afgifte van het attest bedoeld in de artikelen 41, 44 of 45 en de naam en het adres van de geneesheer;

vervallenverklaringen van het recht tot sturen bedoeld in artikel 66;

10° datum van afgifte en nummer van het internationale rijbewijs;

11° datum van overlijden van de houder van het document;

12° datum van teruggave van het document in toepassing van artikel 24, 1° van de wet;

13° datum van het overhandigen van het document in toepassing van artikel 46, § 2, eerste lid.

De vermeldingen betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen voorkomend op de voorlopige inlichtingenfiche, worden overgeschreven op de inlichtingenfiche van het rijbewijs die de voorlopige inlichtingenfiche vervangt, binnen de beperkingen voorgeschreven in § 2.

§2. De gegevens betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen worden ingeschreven op de inlichtingenfiches en de voorlopige inlichtingenfiches teneinde controle toe te laten op de naleving door de in artikel 7 bedoelde overheid van de afgiftevoorwaarden van de voorlopige rijbewijzen, de rijbewijzen en de internationale rijbewijzen, bepaald in artikel 23, § 1 van de wet en in de artikelen 6, 7 en 54.

De gegevens betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen mogen niet meer voorkomen op de inlichtingenfiches en de voorlopige inlichtingenfiches in geval van uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten. Evenwel worden de gegevens betreffende de herstelonderzoeken in het recht tot sturen behouden tot op de datum van het herstel in het recht tot sturen.

Artikel 59.

Indien een persoon, op wiens naam een inlichtingenfiche of een voorlopige inlichtingenfiche bestaat, zich inschrijft of vermeld wordt in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een andere gemeente, wordt de fiche van de belanghebbende naar de burgemeester van die gemeente of zijn gemachtigde gezonden; deze laatste vermeldt daarop de nieuwe verblijfplaats alsook de datum van de inschrijving.

Artikel 60.

De Minister of zijn gemachtigde bepaalt de bestemming die moet worden gegeven aan de aanvraagformulieren en de inlichtingenfiches betreffende overledenen.

HOOFDSTUK VIII. — Retributies

Artikel 61. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Voor de hierna omschreven verrichtingen dient de ernaast vermelde retributie te worden betaald :

1° Afgifte van een voorlopig rijbewijs 20,00 EUR
2° Afgifte van een nieuw voorlopig rijbewijs (artikel 50) 20,00 EUR
3° Afgifte van een rijbewijs 20,00 EUR
4° Afgifte van een nieuw rijbewijs (artikel 49 of 50) 20,00 EUR
5° (Opgeheven)  
6° Afgifte van een internationaal rijbewijs 16,00 EUR
7° Omwisseling van een rijbewijs 20,00 EUR
8° Verzoekschrift aan de beroepscommissie 12,50 EUR

De vernieuwing van een voorlopig rijbewijs of een rijbewijs geldig voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E of G, om redenen van medische of psychische geschiktheid, bedoeld in artikel 21, § 3, geeft geen aanleiding tot de betaling van de retributie bedoeld in het eerste lid; deze bepaling is echter niet van toepassing op de rijbewijzen bedoeld in artikel 21, § 2.

De vervanging van een in een erkende natuurramp verloren, beschadigd, onleesbaar geworden of tenietgegaan rijbewijs of voorlopig rijbewijs geeft geen aanleiding tot de betaling van de retributie bedoeld in het eerste lid. De minister of zijn gemachtigde bepaalt de duur en de toekenningsvoorwaarden van deze maatregel, in geval van een erkende natuurramp.

De Minister bepaalt de betalingswijze van deze retributies.

Zij kunnen niet worden terugbetaald tenzij in het geval bedoeld in artikel 48, § 1.

De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

In dit geval, vermenigvuldigt hij het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend geval, de uitkomst met ten hoogste 0,5 EUR of vermindert het met ten hoogste 0,49 EUR om een eenheid te verkrijgen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

Artikel 61. Vlaams Gewest

Voor de hierna omschreven verrichtingen dient de ernaast vermelde retributie te worden betaald :

1° Afgifte van een voorlopig rijbewijs 20,00 EUR
2° Afgifte van een nieuw voorlopig rijbewijs (artikel 50) 20,00 EUR
3° Afgifte van een rijbewijs 20,00 EUR
4° Afgifte van een nieuw rijbewijs (artikel 49 of 50) 20,00 EUR
5° (Opgeheven)  
6° Afgifte van een internationaal rijbewijs 16,00 EUR
7° Omwisseling van een rijbewijs 20,00 EUR
8° (Opgeheven)  

De vernieuwing van een voorlopig rijbewijs of een rijbewijs geldig voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E of G, om redenen van medische of psychische geschiktheid, bedoeld in artikel 21, § 3, geeft geen aanleiding tot de betaling van de retributie bedoeld in het eerste lid; deze bepaling is echter niet van toepassing op de rijbewijzen bedoeld in artikel 21, § 2.

De Minister bepaalt de betalingswijze van deze retributies.

Zij kunnen niet worden terugbetaald tenzij in het geval bedoeld in artikel 48, § 1.

De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

In dit geval, vermenigvuldigt hij het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend geval, de uitkomst met ten hoogste 0,5 EUR of vermindert het met ten hoogste 0,49 EUR om een eenheid te verkrijgen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

Artikel 61. Waals Gewest

Voor de hierna omschreven verrichtingen dient de ernaast vermelde retributie te worden betaald :

1° Afgifte van een voorlopig rijbewijs 20,00 EUR
2° Afgifte van een nieuw voorlopig rijbewijs (artikel 50) 20,00 EUR
3° Afgifte van een rijbewijs 20,00 EUR
4° Afgifte van een nieuw rijbewijs (artikel 49 of 50) 20,00 EUR
5° (Opgeheven)  
6° Afgifte van een internationaal rijbewijs 16,00 EUR
7° Omwisseling van een rijbewijs 20,00 EUR
8° (Opgeheven)  

De vernieuwing van een voorlopig rijbewijs of een rijbewijs geldig voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E of G, om redenen van medische of psychische geschiktheid, bedoeld in artikel 21, § 3, geeft geen aanleiding tot de betaling van de retributie bedoeld in het eerste lid; deze bepaling is echter niet van toepassing op de rijbewijzen bedoeld in artikel 21, § 2.

De Minister bepaalt de betalingswijze van deze retributies.

Zij kunnen niet worden terugbetaald.

De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

In dit geval, vermenigvuldigt hij het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend geval, de uitkomst met ten hoogste 0,5 EUR of vermindert het met ten hoogste 0,49 EUR om een eenheid te verkrijgen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

Artikel 62.

(Opgeheven)

Artikel 63. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

§1. Voor de examens worden de volgende retributies betaald :

Theoretisch examen : 15,00 EUR
Praktisch examen :
- categorie AM 10,00 EUR
- categorieën B+E en B met code 96 :  
- volledig praktisch examen 36,00 EUR
- praktische proef alleen op de openbare weg 31,00 EUR
- categorie G:  
Praktisch examen afgelegd in het examencentrum:  
- Volledig praktisch examen: 45 EUR
- Praktisch examen alleen op de openbare weg: 37,5 EUR
Praktisch examen afgelegd in een rijschool, landbouwschool of landbouwopleidingscentrum:  
- Volledig praktisch examen: 65 EUR
- Praktisch examen alleen op de openbare weg: 57,5 EUR
- categorie B  
- praktisch examen 36,00 EUR
- categorieën A1, A2 en A :  
praktisch proef alleen op een terrein buiten het verkeer : 14,00 EUR
praktisch proef alleen op de openbare weg : 31,00 EUR
volledig praktisch examen : 36,00 EUR
Aanvullende retributie :  
- categorie A1, A2 en A indien het centrum instaat voor het voertuig dat volgt 19,00 EUR
- categorie A1, A2 of A indien de examinator een voertuig van categorie A1, A2 of A gebruikt : 19,00 EUR
- theoretisch examen met tolk 50,00 EUR
Retributiebijslag voor het praktische examen (art. 63, § 2) :  
- categorie AM 7,50 EUR
- andere categorieën of subcategorieën 25,00 EUR
- categorie B 36,00 EUR
Afgifte door de examencentra van een duplicaat van elk document voorgeschreven door dit besluit 7,50 EUR

In deze bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In dit geval, vermenigvuldigt hij het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin dit besluit in werking is getreden. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

De retributies worden voorafgaand aan het examen geïnd.

§2. De retributiebijslag bepaald in § 1 moet betaald worden door :

de kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste twee werkdagen, de zaterdag niet meegerekend, voor de dag van de proef te verwittigen.

Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat nalaat zich aan te melden. De kandidaat kan van het betalen van die bijslag worden vrijgesteld in geval van overmacht waarover de Minister of zijn gemachtigde oordeelt;

de kandidaat die zich voor het praktische examen heeft gemeld maar die het niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :

a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen voldoende veiligheid;

b) er was niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige rijbewijs;

c) de kandidaat was niet in staat te sturen;

d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 35, 36 en 37 niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur bedoeld in artikel 39, § 3;

e) de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in artikel 39, § 4, was niet in staat om te sturen of het voertuig bood geen voldoende veiligheid;

f) de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2 beschikte niet over de uitrusting voorgeschreven in dit artikel;

de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningsorganen van het voertuig.

Artikel 63. Vlaams Gewest

§1. Voor de examens worden de volgende retributies betaald:

1° theoretisch examen: 15 euro;

2° praktisch examen:

a) categorie AM: 10 euro;

b) categorieën B+E en B met code 96:

1) volledig praktisch examen: 36 euro;

2) praktische proef alleen op de openbare weg: 31 euro;

c) categorie G:

1) praktisch examen, afgelegd in het examencentrum:

i) volledig praktisch examen: 45 euro;

ii) praktisch examen alleen op de openbare weg: 37,50 euro;

2) praktisch examen, afgelegd in een rijschool, landbouwschool of landbouwopleidingscentrum:

i) volledig praktisch examen: 65 euro;

ii) praktisch examen alleen op de openbare weg: 57,50 euro;

d) categorie B: praktisch examen: 39 euro;

e) categorieën A1, A2 en A:

1) praktisch proef alleen op een terrein buiten het verkeer: 14 euro;

2) praktisch proef alleen op de openbare weg: 31 euro;

3) volledig praktisch examen: 36 euro;

3° aanvullende retributie:

a) categorie A1, A2 en A als het centrum zorgt voor het voertuig dat volgt: 19 euro;

b) categorie A1, A2 of A als de examinator een voertuig van categorie A1, A2 of A gebruikt: 19 euro;

c) de audiovertaling, vermeld in artikel 32, § 3: een toeslag van 35 euro;

4° retributiebijslag voor het praktisch examen, vermeld in paragraaf 2:

a) categorie AM: 7,50 euro;

b) andere categorieën: 25 euro;

5° afgifte door de examencentra van een duplicaat van elk document, voorgeschreven door dit besluit: 7,50 euro.

In de bedragen, vermeld in het eerste lid, is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2016 werd bereikt.

De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 31 december van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en worden tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

De retributies, vermeld in het eerste lid, worden vóór het examen geïnd.

§2. De retributiebijslag bepaald in § 1, eerste lid, 4°, moet betaald worden door :

de kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste twee werkdagen voor de dag van de proef te verwittigen.

Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat nalaat zich aan te melden. De kandidaat kan van het betalen van die bijslag worden vrijgesteld in geval van overmacht waarover de Vlaamse minister of zijn gemachtigde oordeelt;

de kandidaat die zich voor het praktische examen heeft gemeld maar die het niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :

a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen voldoende veiligheid;

b) er was niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige rijbewijs;

c) de kandidaat was niet in staat te sturen;

d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 35, 36 en 37 niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur bedoeld in artikel 39, § 3;

e) de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in artikel 39, § 4, was niet in staat om te sturen of het voertuig bood geen voldoende veiligheid;

f) de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2 beschikte niet over de uitrusting voorgeschreven in dit artikel;

de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningsorganen van het voertuig.

§ 3. De indiener van een verzoekschrift aan de beroepscommissie, vermeld in artikel 47, betaalt een retributie van 25 euro.

De Vlaamse minister bepaalt de betalingswijze van de retributie voor het verzoekschrift aan de beroepscommissie, vermeld in artikel 47.

Het bedrag van de retributie is gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2020 is bereikt. De bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december van het voorgaande jaar bereikt is, en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

Artikel 63. Waals Gewest

§1. Voor de examens en de tests bedoeld in artikel 25 worden de volgende retributies betaald :

Risicoperceptietest Categorie B : 15,00 EUR
Test over de technische rijvaardigheden Categorie B : 60,00 EUR
Theoretisch examen : 15,00 EUR
Praktisch examen :
- categorie AM 10,00 EUR
- categorieën B+E en B met code 96 :  
- volledig praktisch examen 36,00 EUR
- praktische proef alleen op de openbare weg 31,00 EUR
- categorie G:  
Praktisch examen afgelegd in het examencentrum:  
- Volledig praktisch examen: 45 EUR
- Praktisch examen alleen op de openbare weg: 37,5 EUR
Praktisch examen afgelegd in een rijschool, landbouwschool of landbouwopleidingscentrum:  
- Volledig praktisch examen: 65 EUR
- Praktisch examen alleen op de openbare weg: 57,5 EUR
- categorie B  
- praktisch examen 36,00 EUR
- categorieën A1, A2 en A :  
praktisch proef alleen op een terrein buiten het verkeer : 14,00 EUR
praktisch proef alleen op de openbare weg : 31,00 EUR
volledig praktisch examen : 36,00 EUR
Aanvullende retributie :  
- categorie A1, A2 en A indien het centrum instaat voor het voertuig dat volgt 19,00 EUR
- categorie A1, A2 of A indien de examinator een voertuig van categorie A1, A2 of A gebruikt : 19,00 EUR
- theoretisch examen met tolk 50,00 EUR
Retributiebijslag voor het praktische examen (art. 63, § 2) :  
- categorie AM 7,50 EUR
- andere categorieën of subcategorieën 25,00 EUR
Afgifte door de examencentra van een duplicaat van elk document voorgeschreven door dit besluit 7,50 EUR

In deze bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

De Waalse Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In geval van aanpassing, worden de tarieven jaarlijks aangepast in de loop van de maand januari aan de hand van volgende formule :

A = 100 ( (In-1/In-2)-1);

A = het schommelingspercentage van de tarieven voor het jaar n;

I = de door het Ministerie van Economische Zaken medegedeelde waarde van het indexcijfer van de consumptieprijzen op 30 juni;

n = het jaar van de tariefaanpassing;

n-1 = het jaar dat aan het jaar n voorafgaat;

n-2 = het jaar dat aan het jaar n-1 voorafgaat.

Wanneer de in het derde lid bedoelde formule toegepast wordt op het jaar volgend een jaar waarin de jaarlijkse aanpassing van de tarieven uitgesteld is, wordt index In-2 vervangen door In-3, waar n-3 het jaar voor het jaar n-1 is.

De retributies worden voorafgaand aan het examen geïnd.

De administratie deelt het resultaat van de formule voor de aanpassing van de tarieven mede aan de erkende instellingen bedoeld bij artikel 25, § 1.

De Administratie bepaalt de procedure voor de toezending van de voorstellen van tariefstructuren en stelt de datum vast waarvoor zij het in het vijfde lid bedoelde resultaat mededeelt alsmede de termijnen waarbinnen de voorstellen van tariefstructuren haar door de erkende instellingen bedoeld bij artikel 25, § 1, moeten worden toegezonden.

Op voorstel van de erkende instellingen bedoeld bij artikel 25, § 1, kan de Minister beslissen de jaarlijkse aanpassing van de tarieven uit te stellen als het resultaat van de in artikel 1 bedoelde formule overeenkomt met een schommeling van minder dan drie procent. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

§2. De retributiebijslag bepaald in § 1 moet betaald worden door :

de kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste twee werkdagen, de zaterdag niet meegerekend, voor de dag van de proef te verwittigen.

Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat nalaat zich aan te melden. De kandidaat kan van het betalen van die bijslag worden vrijgesteld in geval van overmacht waarover de Waalse Minister of zijn gemachtigde oordeelt;

de kandidaat die zich voor het praktische examen heeft gemeld maar die het niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :

a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen voldoende veiligheid;

b) er was niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige rijbewijs;

c) de kandidaat was niet in staat te sturen;

d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 35, 36 en 37 niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur bedoeld in artikel 39, § 3;

e) de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in artikel 39, § 4, was niet in staat om te sturen of het voertuig bood geen voldoende veiligheid;

f) de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2 beschikte niet over de uitrusting voorgeschreven in dit artikel;

de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningsorganen van het voertuig.

§ 3. De indiening van een verzoekschrift aan de beroepscommissie geeft aanleiding tot de betaling van een vergoeding van 12,50 euro.

De betalingswijze van de vergoeding wordt bepaald door de Waalse Minister.

Ze wordt niet terugbetaald, behalve in het geval bedoeld in artikel 48, § 1.

De Waalse Regering kan het bedrag van de vergoeding aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals bedoeld in paragraaf 1.

HOOFDSTUK IX. — Inspectie en controle

Artikel 64. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De ambtenaren die door de Minister of door zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en de controle op de afgifte van de rijbewijzen, de internationale rijbewijzen, de voorlopige rijbewijzen en de duplicaten, hebben toegang tot de lokalen waar die documenten worden afgegeven en waar de documenten en de voorraden van formulieren, van rijbewijzen, van internationale rijbewijzen, van voorlopige rijbewijzen bewaard worden; zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

Ze hebben dezelfde bevoegdheid inzake toezicht en controle in de examencentra, bedoeld in artikel 25, inzonderheid wat de examens betreft, alsook in de instellingen en scholen bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 15 en 16°, wat betreft de opleiding en, in voorkomend geval, de examens.

Ze hebben tevens dezelfde bevoegdheid inzake controle en inspectie in de opleidingscentra en de examencentra voor examinatoren, zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De ambtenaren aangeduid door de minister of zijn gemachtigde zijn belast met het toezicht en de controles van examinatoren in het kader van het kwaliteitwaarborgingssysteem zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De minister of zijn gemachtigde kan examens van examinatoren bijwonen.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde zijn de overheden bedoeld in artikel 7, de examencentra en de instellingen en instanties bedoeld in het tweede lid ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

Artikel 64. Vlaams Gewest

De ambtenaren die door de Minister of door zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en de controle op de afgifte van de rijbewijzen, de internationale rijbewijzen, de voorlopige rijbewijzen en de duplicaten, hebben toegang tot de lokalen waar die documenten worden afgegeven en waar de documenten en de voorraden van formulieren, van rijbewijzen, van internationale rijbewijzen, van voorlopige rijbewijzen bewaard worden; zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

De personeelsleden die door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en controle, hebben dezelfde bevoegdheid inzake toezicht en controle in de examencentra, bedoeld in artikel 25, inzonderheid wat de examens betreft, alsook in de instellingen en scholen bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 15 en 16°, wat betreft de opleiding en, in voorkomend geval, de examens.

Ze hebben tevens dezelfde bevoegdheid inzake controle en inspectie in de opleidingscentra en de examencentra voor examinatoren, zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De personeelsleden aangeduid door de Vlaamse minister of zijn gemachtigde zijn belast met het toezicht en de controles van examinatoren in het kader van het kwaliteitwaarborgingssysteem zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De Vlaamse minister of zijn gemachtigde kan examens van examinatoren bijwonen.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde of de Vlaamse Minister of zijn gemachtigde, ieder wat hem of haar betreft zijn de overheden bedoeld in artikel 7, de examencentra en de instellingen en instanties bedoeld in het tweede lid ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

Artikel 64. Waals Gewest

De ambtenaren die door de Minister of door zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en de controle op de afgifte van de rijbewijzen, de internationale rijbewijzen, de voorlopige rijbewijzen en de duplicaten, hebben toegang tot de lokalen waar die documenten worden afgegeven en waar de documenten en de voorraden van formulieren, van rijbewijzen, van internationale rijbewijzen, van voorlopige rijbewijzen bewaard worden; zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

De personeelsleden die door de Waalse Minister of zijn afgevaardigde belast zijn met de inspectie en de controle hebben dezelfde bevoegdheid inzake toezicht en controle in de examencentra, bedoeld in artikel 25, inzonderheid wat de examens betreft, alsook in de instellingen en scholen bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 15 en 16°, wat betreft de opleiding en, in voorkomend geval, de examens.

Ze hebben tevens dezelfde bevoegdheid inzake controle en inspectie in de opleidingscentra en de examencentra voor examinatoren, zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De personeelsleden aangeduid door de Waalse Minister of zijn gemachtigde zijn belast met het toezicht en de controles van examinatoren in het kader van het kwaliteitwaarborgingssysteem zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

De Waalse Minister of zijn gemachtigde kan examens van examinatoren bijwonen.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde of van de Waalse Minister of zijn gemachtigde, ieder wat hem betreft, zijn de overheden bedoeld in artikel 7, de examencentra en de instellingen en instanties bedoeld in het tweede lid ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

HOOFDSTUK X. — Het rijbewijs kaartmodel (opgeheven)

TITEL IV. — Beschikkingen betreffende de rechterlijke beslissingen houdende vervallenverklaring van het recht tot sturen van een motorvoertuig, de formaliteiten tot uitvoering ervan en de onderzoeken tot herkrijging van dit recht

HOOFDSTUK I. — Rechterlijke beslissingen houdende vervallenverklaring van het recht om een motorvoertuig te besturen en formaliteiten tot uitvoering ervan

Artikel 65.

Wanneer bij toepassing van artikel 45 van de wet, de vervallenverklaring van het recht tot sturen beperkt is tot sommige motorvoertuigen, vermeldt de beslissing op welke categorieën het verval slaat, met verwijzing naar de indeling bepaald in artikel 2.

Artikel 66.

(Opgeheven)

Artikel 67.

Hij die een verval van het recht tot sturen heeft opgelopen, is gehouden bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken, te laten toekomen, naargelang het geval :

het rijbewijs waarvan hij houder is, wanneer het gaat om verval van het recht tot sturen van een motorvoertuig waarvoor het document is afgegeven;

het voorlopig rijbewijs of het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid waarvan hij houder is bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E.

Deze formaliteit moet vervuld worden binnen de 4 dagen na de dag waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan, overeenkomstig artikel 40 van de wet of, in geval van verval uitgesproken wegens lichamelijke ongeschiktheid, binnen de 4 dagen na de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen, of na de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen niettegenstaande voorziening; zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet begrepen.

Artikel 68.

(Opgeheven)

Artikel 69.

§1. De griffier bewaart het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.

§2. Als het verval van het recht tot sturen krachtens artikel 38, § 2bis van de wet enkel uitgevoerd wordt tijdens het weekend en op feestdagen, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is buiten de in artikel 38, § 2bis van de wet vermelde weekends en feestdagen.

Het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, dat werd uitgereikt bij toepassing van het tweede lid, moet worden afgegeven aan de griffier die het terugzendt naar de overheid bedoeld in artikel 7.

Indien het door de griffie bewaarde rijbewijs een Europees rijbewijs is, wordt het teruggezonden naar de overheid bedoeld in artikel 7.

§3. Als het verval van het recht tot sturen enkel van toepassing is op bepaalde categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs afgegeven is, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is voor de categorieën waarvoor het verval niet van toepassing is.

Het rijbewijs dat werd uitgereikt bij toepassing van het tweede lid moet worden afgegeven aan de griffier, die het terugzendt naar de overheid bedoeld in artikel 7.

Indien het door de griffie bewaarde rijbewijs een Europees rijbewijs is, wordt het teruggezonden naar de overheid bedoeld in artikel 7.

§4. Het openbaar ministerie deelt uiterlijk de vijfde dag volgend op de datum van de kennisgeving die aan de veroordeelde overeenkomstig artikel 40 van de wet werd gedaan, of de dag volgend op deze waarop het verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ingaat, de volgende gegevens mee aan de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer :

  • de beslissing waarbij het verval wordt uitgesproken, de duur, de reden met inbegrip van de categorie van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan, desgevallend of het verval beperkt is tot de weekends en feestdagen, en desgevallend de categorieën waarvoor het verval van toepassing is;
  • de examens of onderzoeken die desgevallend ondergaan moeten worden krachtens artikel 38 van de wet.

§5. Wanneer examens of onderzoeken moeten worden ondergaan krachtens artikel 38 van de wet, deelt het openbaar ministerie, mits schriftelijk akkoord van de betrokkene, de in de vorige paragraaf bedoelde gegevens mee aan de instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken.

Het model van schriftelijk akkoord wordt door de griffier aan de betrokkene voorgelegd op het moment van de afgifte van het rijbewijs. Het model van schriftelijk akkoord wordt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer bepaald. Het bevat eveneens een lijst van alle erkende instellingen en hun vestigingen. De betrokkene duidt op de lijst de vestiging aan waar hij de examens of onderzoeken wenst af te leggen.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Indien de betrokkene geen keuze heeft gemaakt, of bij gebrek aan afgifte op de griffie van het rijbewijs door de betrokkene zelf, deelt het openbaar ministerie aan de betrokkene de instelling of vestiging mee bij de welke hij zijn examens of onderzoeken zal kunnen ondergaan.

Zie M.B. 08-03-2006 betreffende de kostprijs van de psychologische en medische herstelonderzoeken na verval van het recht tot sturen

§6. De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken stuurt de betrokkene een oproep tot verschijning voor het afleggen van de examens of onderzoeken.

De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken deelt de resultaten van de examens of onderzoeken mee aan de betrokkene, aan de griffie en aan het openbaar ministerie.

§7. De betrokkene kan het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs weer op de griffie afhalen wanneer :

de termijn van het verval verstreken is en het herstel van het recht tot sturen niet afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor de in artikel 38 van de wet bedoelde examens of onderzoeken;

de betrokkene de examens of onderzoeken krachtens artikel 38 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd en de termijn van het verval verstreken is;

de houder van een Europees of buitenlands rijbewijs, die niet beantwoordt aan de voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen, het grondgebied verlaat. In dit geval geeft het openbaar ministerie hem een attest af dat overeenstemt met het model van bijlage 8, en dat hem machtigt tot het besturen van zijn voertuig om zich op een vastgestelde dag en langs een bepaalde weg naar de grens te begeven.

Het openbaar ministerie brengt de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer op de hoogte van de teruggave van het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.

§ 8. In afwijking van § 7, eerste lid, 2°, wordt, indien de houder overeenkomstig artikel 72, § 4, tweede lid, geslaagd is voor het praktisch herstelexamen, het rijbewijs waarvan hij houder is niet teruggegeven in de volgende gevallen:

  • indien het praktisch herstelexamen werd afgelegd met een voertuig van categorie AM, behalve indien het rijbewijs waarvan hij houder is niet geldt voor categorie AM;
  • indien het praktisch herstelexamen werd afgelegd met een voertuig van categorie A1, A2, A, B, B+E of G, hoewel het rijbewijs waarvan hij houder is ook geldt voor minstens één van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of voor een gelijkwaardige categorie;
  • indien het praktisch herstelexamen werd afgelegd met een voertuig van categorie C1, C1+E, D1 of D1+E, hoewel het rijbewijs waarvan hij houder is ook geldt voor één van de categorieën C, C+E, D of D+E, of voor een gelijkwaardige categorie.

In dit geval wordt het door de griffie bewaarde rijbewijs, indien het een Europees rijbewijs is, teruggezonden naar de overheid bedoeld in artikel 7.

Op vraag van de houder, geeft de overheid bedoeld in artikel 7 een rijbewijs af voor de categorieën bedoeld in het attest van welslagen voor het praktisch herstelexamen, overeenkomstig de artikelen 17, § 4, derde lid, en 72, § 4, tweede lid, 1° tot 3°.

Wanneer hij een attest van welslagen voor het praktisch herstelexamen, voorlegt waaruit blijkt dat hij zich in het geval bedoeld in artikel 72, § 4, eerste lid, bevindt, is, al naargelang het rijbewijs dat bij de griffie werd neergelegd, een van de volgende gevallen van toepassing:

1° het Belgische of niet-Europees buitenlands rijbewijs wordt aan hem teruggegeven door de griffie;

2° als hij houder was van een Europees rijbewijs dat door de griffie naar de overheid bedoeld in artikel 7 werd teruggezonden, wordt aan hem een Belgisch rijbewijs afgegeven overeenkomstig artikel 17.

Het rijbewijs bedoeld in het derde lid wordt door de houder aan de griffie teruggegeven op het moment waarop hij het rijbewijs waarvan hij houder was terugkrijgt of, indien dit rijbewijs een Europees rijbewijs was, op het moment van de afgifte van het nieuwe rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7.

In het geval bedoeld in artikel 45, derde lid van de wet, in afwijking van het eerste lid, wordt het rijbewijs waarvan de bestuurder houder is teruggegeven door de griffier.

§ 9. In afwijking van § 7, eerste lid, 2°, wordt, indien de houder geschikt wordt verklaard naar aanleiding van het medisch of het psychologisch herstelonderzoek en het deelnemingsdocument attesteert zijn rijgeschiktheid onder voorwaarden of met beperkingen, het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan hij houder is niet teruggegeven door de griffier.

In dit geval wordt het door de griffie bewaarde rijbewijs, indien het een Europees rijbewijs is, teruggezonden naar de overheid bedoeld in artikel 7.

Op vraag van de houder, geeft de overheid bedoeld in artikel 7 een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs af voor de categorieën bedoeld in het deelnemingsdocument dat zijn rijgeschiktheid attesteert onder voorwaarden of met beperkingen, gevoegd bij de aanvraag, overeenkomstig artikel 17, § 4, vierde lid.

Wanneer hij een deelnemingsdocument voorlegt dat zijn rijgeschiktheid attesteert zonder voorwaarden of beperkingen, is, al naargelang het rijbewijs dat bij de griffie werd neergelegd, een van de volgende gevallen van toepassing:

1° het Belgische of niet-Europees buitenlands rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs wordt aan hem teruggegeven door de griffie;

2° als hij houder was van een Europees rijbewijs dat door de griffie naar de overheid bedoeld in artikel 7 werd teruggezonden, wordt aan hem een Belgisch rijbewijs afgegeven overeenkomstig artikel 17.

Het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs bedoeld in het derde lid wordt door de houder aan de griffie teruggegeven op het moment dat het rijbewijs waarvan hij houder was aan hem wordt teruggegeven of, indien dit rijbewijs een Europees rijbewijs was, op het moment van de afgifte van het nieuwe rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7.

Artikel 70.

(Opgeheven)

HOOFDSTUK II. — Verval van het recht tot sturen – Onderzoeken

Artikel 71.

(Opgeheven)

Artikel 72.

§1. De theoretische en de praktische examens worden afgelegd in de examencentra bedoeld in artikel 25.

Zij worden afgelegd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 31 tot 39, 47 en 48 en de bepalingen van de paragrafen 2 tot 5 van dit artikel.

§2. De kandidaat die het theoretische en het praktische examen moet afleggen, doet het theoretische examen dat overeenstemt met de categorie die hij voor het praktische examen gekozen heeft.

De kandidaat die het theoretische maar niet het praktische examen moet afleggen, doet het examen :

voor de categorie D1 of D indien hij houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1°, van de wet, geldig voor de categorie D1, D1+E, D of D+E of een gelijkwaardige categorie;

voor de categorie C1 of C indien hij houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1°, van de wet, geldig voor de categorie C1, C1+E, C of C+E of een gelijkwaardige categorie, zonder geldig te zijn voor de categorie D1 of D;

voor de categorie A1, A2, A, B of G wanneer hij houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, geldig voor de categorie A1, A2, A, B, B+E of G of voor een gelijkwaardige categorie;

voor de categorie AM, A1, A2, A of B wanneer hij geen houder is van een rijbewijs of wanneer hij houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, geldig voor de categorie A3 of voor een gelijkwaardige categorie.

(Opgeheven)

§3. Het praktische examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie AM, A1, A2, A of B als de kandidaat geen houder is van een rijbewijs ofwel met een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs, waarvan hij houder is, geldig is. Het voertuig moet evenwel behoren tot een van de categorieën waarvoor het verval van toepassing is.

Indien het rijbewijs slechts geldig is voor het besturen van bepaalde voertuigen van een categorie, heeft het praktische examen plaats met een voertuig waarmee de houder mag rijden.

§4. De houder van een rijbewijs mag, na het slagen voor de opgelegde examens, het rijbewijs waarvan hij houder is terugkrijgen.

In afwijking van de bepalingen van het eerste lid bekomt :

de houder van een rijbewijs die het praktische examen aflegt met een voertuig van de categorie AM, een rijbewijs geldig voor de categorie A3;

de houder van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of voor een gelijkwaardige categorie die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie A1, A2, A, B, B+E of G krijgt een rijbewijs geldig voor deze van de categorieën A1, A2, A, B, B+E en G waarvoor het rijbewijs was geldig verklaard.

de houder van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1°, van de wet, geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor een gelijkwaardige categorie die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie C1, C1+E, D1 of D1+E, een rijbewijs geldig voor de categorieën A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, D1, D1+E en G, waarvoor het rijbewijs geldig was verklaard;

in afwijking van de bepalingen onder 1° tot 3°, wordt, indien het praktische examen werd afgelegd met een voertuig van dezelfde categorie als datgene waarmee de overtreding die heeft geleid tot het verval werd begaan, het rijbewijs waarvan de bestuurder houder is teruggegeven door de griffier.

§5. Om toegelaten te worden tot het theoretische en het praktische examen legt de kandidaat, die geen houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, een getuigschrift van theoretisch of praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, voor.

Hij legt het praktische examen af met een lesvoertuig van de categorie A3, A1, A2, A, of B van een rijschool.

Artikel 73.

De instellingen die instaan voor de geneeskundige en psychologische onderzoeken, bedoeld in artikel 38,§ 3, 3° en 4° van de wet, worden door de minister erkend als psycho-medische-sociale centra overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden bepaald in dit besluit.

De geneeskundige en psychologische onderzoeken gebeuren in de vestigingen van de erkende instellingen.

Om erkend te worden moet de instelling op het moment van de erkenning minstens aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :

  • de instelling heeft een zetel op Belgisch grondgebied;
  • elke vestiging van de instelling beschikt over een multidisciplinair team dat minstens bestaat uit één arts en één psycholoog;
  • elke arts of psycholoog werkzaam in de vestiging is in België geregistreerd;
  • elke vestiging voldoet aan de technische uitrusting bepaald in bijlage 13 van het besluit;
  • de medische onderzoeken worden uitgevoerd door artsen met minimum 3 jaar beroepservaring;
  • de psychologische onderzoeken worden uitgevoerd door psychologen met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek of assistenten in de psychologie met minimum 6 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek. Deze assistenten staan onder leiding van een psycholoog met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek;
  • de inhoud en methode van de onderzoeken voldoen aan bijlage 14 van dit besluit;
  • de instelling dient een dossier in bij de minister, bestaande uit :
    • de inhoudelijke procedure aangaande de onderzoeken en het multidisciplinair overleg tussen de artsen en psychologen,
    • de organisatie van de onderzoeken,
    • de integrale kwaliteitszorg,
    • een financieel plan.
  • Uit het dossier moet blijken dat de instelling op het moment van de erkenning aan alle erkenningsvoorwaarden zal voldoen;
  • de instelling houdt zich aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van personengegevens;
  • de instelling beschikt over voldoende capaciteit om de geneeskundige of psychologische onderzoeken die de kandidaat voor de eerste maal aflegt te laten plaatsvinden binnen de 14 dagen nadat de instelling het dossier van het openbaar ministerie heeft ontvangen en de kandidaat de betaling bedoeld in het zesde lid heeft gedaan;
  • de instelling verleent de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast zijn met de controle op de naleving van de erkenningsvoorwaarden vrije toegang tot de lokalen van de vestigingen en inzage in de voor de controle relevante dossiers.

Wanneer de instelling niet langer voldoet aan de bepalingen van dit besluit kan de minister de erkenning schorsen of intrekken. De minister kan de schorsing of intrekking van de erkenning beperken tot die vestiging van de instelling die niet langer voldoen aan de bepalingen van dit besluit. De instelling wordt vooraf bij aangetekend schrijven op de hoogte gebracht van het voornemen tot schorsing of intrekking en krijgt de mogelijkheid om voorafgaand aan de beslissing haar standpunt kenbaar te maken.

De onderzoeken worden georganiseerd door de erkende instellingen en hebben betrekking op de normen en tests vermeld in bijlage 6 van dit besluit.

De kandidaat betaalt de kosten van de onderzoeken en de erelonen van de geneesheer en psycholoog. Deze kosten en erelonen komen overeen met de door de minister vastgelegde tarieven.

De geneesheer of de psycholoog bevestigt op het deelnemingsdocument het slagen door de vermelding «geschikt» met eventueel de toevoeging van voorwaarden of beperkingen die hij aanduidt en die, in voorkomend geval, zullen overgenomen worden op het teruggekregen of het verkregen rijbewijs.

Wanneer de kandidaat zowel een geneeskundig als psychologisch onderzoek heeft ondergaan, moet de geneesheer na overleg met de psycholoog beslissen of de kandidaat al dan niet « geschikt » is en onder welke voorwaarden of beperkingen.

De kandidaat die, bij twee achtereenvolgende medische of psychologische onderzoeken in dezelfde vestiging, niet geschikt werd bevonden of die de voorwaarden of beperkingen, toegevoegd aan de geschiktheidsverklaring, betwist, ondergaat op zijn aanvraag dezelfde onderzoeken in een andere vestiging van dezelfde of een andere instelling, aangewezen door de Minister of zijn gemachtigde.

TITEL IVbis. — Bepalingen betreffende het rijbewijs waarvan, met toepassing van artikel 37/1 van de wet, de geldigheid is beperkt tot voertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot

Art. 73/1. § 1. Wanneer, bij toepassing van artikel 37/1 van de wet, de rechter de geldigheid van het rijbewijs beperkt tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, gaat de beperkte geldigheid van het rijbewijs in de dertigste dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 november 2010 betreffende de installatie van het alcoholslot en het omkaderingsprogramma.

Indien de rechter evenwel tegelijkertijd en voor dezelfde categorieën van voertuigen veroordeelt tot het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste een maand, gaat de beperkte geldigheid van het rijbewijs in op de dag dat de vervallenverklaarde bestuurder hersteld is in het recht tot sturen.

§ 2. De veroordeelde bestuurder is ertoe gehouden het rijbewijs waarvan hij houder is, bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken, te laten toekomen.

Deze formaliteit moet vervuld worden binnen de dertig dagen na de dag van de kennisgeving bedoeld in § 1, lid 1, of op de dag van het herstel in het recht tot sturen in het geval bedoeld in § 1, tweede lid.

Art. 73/2. § 1. De griffier bewaart het rijbewijs.

De griffier reikt, bij de afgifte van het rijbewijs, een attest uit waarvan het model bepaald wordt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Zie bijlage 16 aan het M.B. 27-03-1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

§ 2. De overheden bedoeld in artikel 7 reiken, bij het tonen van het attest bedoeld in § 1, een rijbewijs uit dat, naast de betrokken categorieën ook een codering vermeldt, bedoeld in bijlage 7, I, die het rijden met een alcoholslot verplicht.

De griffier geeft het rijbewijs bedoeld in § 1 terug na het verstrijken van de periode voor dewelke de rechter de geldigheid van het rijbewijs heeft beperkt tot motorvoertuigen uitgerust met een alcoholslot.

Het rijbewijs dat werd uitgereikt bij toepassing van § 2 moet worden afgegeven aan de griffier die het terugzendt naar de overheid bedoeld in artikel 7.

§ 3. In afwijking van § 1, wordt, indien het rijbewijs bewaard bij de griffier een Europees rijbewijs is, dit rijbewijs teruggestuurd naar de overheid bedoeld in artikel 7.

De griffier reikt, bij de afgifte van het rijbewijs, het attest bedoeld in § 1, tweede lid, uit. Paragraaf 2, eerste lid wordt van toepassing.

In dit geval, vraagt de bestuurder aan de overheid bedoeld in artikel 7 de aflevering van een rijbewijs overeenkomstig artikel 17 na het verstrijken van de periode waarvoor de rechter de geldigheid van het rijbewijs heeft beperkt tot motorvoertuigen uitgerust met een alcoholslot. Het rijbewijs dat werd uitgereikt bij toepassing van het tweede lid moet worden afgegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.

TITEL V. — Centraal bestand (opgeheven voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest)

Art. 74-77. (Opgeheven voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest)

TITEL V. — Verwerking van gegevens (Vlaams Gewest)

Art. 74. § 1. Het examencentrum houdt al de volgende gegevens bij:

1° de beslissing tot uitsluiting van het examen omwille van een vastgestelde onregelmatigheid;
2° de gegevens van de documenten, vermeld in artikel 32, § 2, en artikel 35 tot en met 37;
3° de identificatiegegevens en het beëdigingsnummer van de tolk, vermeld in artikel 32, § 3, tweede lid, en artikel 39, § 8, tweede lid;
4° het proces-verbaal, vermeld in artikel 39/1, vijfde lid;
5° een kopie van het proces-verbaal als vermeld in artikel 39/2, vijfde lid;
6° een kopie van de beslissing van de beroepscommissie als vermeld in artikel 48, § 4, vijfde lid, over het beroep in het geval, vermeld in artikel 48, § 1, 1°;
7° een kopie van de beslissing van de beroepscommissie als vermeld in artikel 48, § 4, vijfde lid, over het beroep in de gevallen, vermeld in artikel 48, § 1, 2° en 3°.

§ 2. Het examencentrum is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de gegevens, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:

1° de controle van de toelatingsvoorwaarden tot het examen, vermeld in artikel 32 tot en met 39;
2° het nemen van maatregelen na de vaststelling van onregelmatigheden, vermeld in artikel 39/1;
3° het bezorgen van de stukken aan de beroepscommissie, vermeld in artikel 48, § 4, tweede lid;
4° de inspectie en de controle, vermeld in artikel 64;
5° de opmaak van algemene en naamloze statistieken door het Departement om de beleidsmaatregel te onderzoeken en te evalueren.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1° en 3°, worden verzameld en verwerkt voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 1°, 4° en 5°.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 2° en 4° tot en met 7°, worden verzameld en verwerkt voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°.

De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 5°, worden geanonimiseerd.

§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3° worden tien jaar bijgehouden.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1° en 4° tot en met 7°, worden twee jaar bijgehouden.

Art. 75. § 1. De beroepscommissie, vermeld in artikel 47 van dit besluit, houdt al de volgende gegevens bij:

1° het beroepschrift en de gegevens, vermeld in artikel 48, § 3, tweede lid;
2° de stukken die het examencentrum of het Departement heeft bezorgd, vermeld in artikel 48, § 4, tweede lid;
3° alle dienstige stukken, vermeld in artikel 48, § 4, tweede lid;
4° de beslissing, vermeld in artikel 48, § 4, derde lid.

§ 2. De beroepscommissie, vermeld in artikel 47 van dit besluit, is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de gegevens, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:

1° de beslissing, vermeld in artikel 48, § 4, derde lid;
2° de opmaak van algemene en naamloze statistieken door het Departement om de beleidsmaatregel te onderzoeken en te evalueren.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, worden verzameld en verwerkt voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 1°.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 4°, worden verzameld en verwerkt voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 2°.

De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 2°, worden geanonimiseerd.

§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, worden één jaar bijgehouden.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 4°, worden twee jaar bijgehouden.

Art. 76. § 1. Het Departement houdt al de volgende gegevens bij:

1° de informatie, vermeld in artikel 25, § 2/1;
2° een kopie van het proces-verbaal als vermeld in artikel 39/1, zesde lid;
3° het proces-verbaal, vermeld in artikel 39/2, vierde lid;
4° het schriftelijke verweer, vermeld in artikel 39/2, derde lid;
5° een kopie van de beslissing van de beroepscommissie als vermeld in artikel 48, § 4, vijfde lid, over het beroep in het geval, vermeld in artikel 48, § 1, 1°;
6° een kopie van de beslissing van de beroepscommissie als vermeld in artikel 48, § 4, vijfde lid, over het beroep in de gevallen, vermeld in artikel 48, § 1, 2° en 3°.

§ 2. Het Departement is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de gegevens, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:

1° het nemen van maatregelen na de vaststelling van onregelmatigheden, vermeld in artikel 39/2;
2° het bezorgen van de stukken aan de beroepscommissie, vermeld in artikel 48, § 4, tweede lid;
3° de inspectie en de controle, vermeld in artikel 64;
4° de opmaak van algemene en naamloze statistieken door het Departement om de beleidsmaatregel te onderzoeken en te evalueren.

De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 4°, worden geanonimiseerd.

§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1°, worden bijgehouden gedurende de levensloop van de betrokkene.

De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 6°, worden twee jaar bijgehouden.

Art. 77. (Opgeheven)

TITEL VI. — Allerhande bepalingen

Artikel 78

De rijbewijzen, conform het model van bijlage 9, blijven geldig voor het besturen van motorvoertuigen volgens de volgende regels:

1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2 en A te besturen;

2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2, A, B en B+E te besturen;

3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E en G te besturen;

4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E en G te besturen;

5° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie AF laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2 of A, die speciaal aangepast zijn in functie van de handicap van de houder, te besturen; het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie BF laat toe voertuigen van de categorie B, die speciaal aangepast zijn in functie van de handicap van de houder, te besturen.

De rijbewijzen, conform het model van bijlage 10, blijven geldig voor het besturen van motorvoertuigen volgens de volgende regels:

1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A3 laat toe voertuigen van de categorie AM te besturen;

2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A2 laat toe voertuigen van de categorie AM, A1, A2 en A te besturen;

3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A1 laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2 en A te besturen;

4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van de categorieën AM en B te besturen;

5° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, C1 en C te besturen;

6° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, D1 en D te besturen;

7° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie BE laat toe voertuigen van de categorieën AM, B en B+E te besturen;

8° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie CE laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E en G te besturen;

9° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie DE laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, D1, D1+E, D en D+E te besturen;

10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categoriën CE en D laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E en G te besturen.

De rijbewijzen conform het model van bijlage 15, bijlage 16, bijlage 17 en bijlage 18 blijven geldig voor het besturen van motorvoertuigen volgens de volgende regels:

1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A3 laat toe voertuigen van de categorie AM te besturen;

2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A met de vermelding « A ≤ 25 kW ≤ 0,16 kW/kg » laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1 en A2 te besturen;

2°/1 het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A met de vermelding « A ≤ 25 kW ≤ 0,16 kW/kg » en de code 72 laat toe voertuigen van de categorieën AM en A1 te besturen;

3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A laat toe voertuigen van de categorieën AM, A1, A2 en A te besturen;

4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van de categorieën AM en B te besturen;

5° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B+E laat toe voertuigen van de categorieën AM, B en B+E te besturen;

6° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C1 laat toe voertuigen van de categorieën AM, B en C1 te besturen;

7° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C1+E laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, C1 en C1+E te besturen;

8° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, C1 en C te besturen;

9° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E en G te besturen;

10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D1 laat toe voertuigen van de categorieën AM, B en D1 te besturen;

11° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D1+E laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, D1 en D1+E te besturen;

12° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, D1 en D te besturen;

13° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D+E laat toe voertuigen van de categorieën AM, B, B+E, D1, D1+E, D en D+E te besturen;

14° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie G laat toe voertuigen van de categorie G te besturen.

Het Belgische of Europees rijbewijs geldig voor de categorie B, afgegeven vóór 1 mei 2013, laat toe gemotoriseerde driewielers te besturen. Deze toelating word ook toegekend aan de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie B afgegeven vóór 1 mei 2013.

Het rijbewijs Belgische of Europees geldig voor de categorie B, afgegeven vóór 1 mei 2011, laat toe voertuigen van de categorie A1 te besturen, zonder dat de houder de opleiding, zoals bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, b), heeft gevolgd. Deze toelating word ook toegekend aan de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie B afgegeven vóór 1 mei 2011.

Het rijbewijs Belgische of Europees geldig voor de categorie B+E, afgegeven vóór 1 mei 2013, laat toe in artikel 2, § 1, 8°, tweede streepje, bedoelde voertuigen te besturen. Deze toelating word ook toegekend aan de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie B+E afgegeven vóór 1 mei 2013.

Art. 78bis

Elk rijbewijs dat niet overeenstemt met bijlage 1 wordt verplicht omgewisseld op een door de minister te bepalen tijdstip. Het verliest zijn geldigheid zes maanden na dit tijdstip en ten laatste op 19 januari 2033.

Elk geldig Europees rijbewijs zonder administratieve geldigheidsduur, waarvan de houder sinds twee jaar is ingeschreven in een Belgische gemeente, wordt verplicht omgewisseld voor een Belgische rijbewijs met een nieuwe administratieve geldigheidsduur.

Art. 78ter

De voorlopige rijbewijzen model 3, conform het model van bijlage 20 en geldig gemaakt voor categorie A1, A2, A, B, B+E, C1, C, C1+E, C+E, D1, D, D1+E of D+E, blijven geldig tot de op het document vermelde uiterste geldigheidsdatum.

Artikel 79

Wanneer, krachtens artikel 49 of artikel 50, een rijbewijs conform het model van bijlage 1 wordt afgegeven in plaats van een rijbewijs, conform het model van bijlage 9, bijlage 10 of van bijlage 15, bijlage 16, bijlage 17 of bijlage 18 worden de regels voorgeschreven in artikel 78 toegepast.

De houders van een rijbewijs conform het model van bijlage 9, bijlage 10, bijlage 15, bijlage 16, bijlage 17 of bijlage 18, kunnen dit omwisselen tegen een rijbewijs, waarvan het model bepaald wordt in bijlage 1. Zij verkrijgen een rijbewijs, geldig voor dezelfde categorie of categorieën van voertuigen die zij gemachtigd waren te besturen op basis van het rijbewijs waarvan zij houder waren, overeenkomstig de regels bepaald in artikel 78.

De personen die het bewijs leveren dat zij houder geweest zijn van een rijbewijs, conform het model van bijlage 10, verkrijgen onder dezelfde voorwaarden een rijbewijs waarvan het model bepaald is in bijlage 1, volgens de regels voorgeschreven in artikel 78.

De personen, bedoeld in het tweede en derde lid, dienen bij de overheid bedoeld in artikel 7 een aanvraag tot omwisseling in waarvan het model bepaald wordt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Zie Ministerieel besluit van 27 maart 1998 tot bepaling van de modellen van de documenten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Artikel 80

§1. De personen die na 25 mei 1965 en vóór 1 januari 1989 tengevolge van een herstelonderzoek hersteld zijn in het recht tot sturen voor een of meerdere categorieën van voertuigen, dienen voor het verkrijgen van een rijbewijs, geldig voor een of meerdere andere categorieën van voertuigen, geen nieuw herstelonderzoek af te leggen.

Wanneer een verval van het recht tot sturen, uitgesproken vóór de inwerkingtreding van dit besluit, beperkt is tot bepaalde categorieën van voertuigen, worden voor de bepaling van deze categorieën, de regels voorgeschreven in artikel 78 toegepast.

§2. De houder van een rijbewijs waarop vermeldingen met betrekking tot het verval van het recht tot sturen zijn aangebracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit kan, bij het einde van de vervalperiode en voor zover hij geslaagd is voor de onderzoeken die hem eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd, een nieuw rijbewijs verkrijgen zonder dat de vermeldingen van verval worden overgenomen op het document. De bepalingen van de artikelen 50 en 51 zijn van toepassing.

Wanneer op het rijbewijs vermeldingen voorkomen met betrekking tot een verval van het recht tot sturen dat loopt op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit en dat beperkt is tot sommige categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs werd afgegeven, kan de houder een nieuw rijbewijs verkrijgen dat enkel geldig is voor de categorieën waarop het verval niet van toepassing is overeenkomstig de bepalingen van artikel 49. Wanneer het verval beëindigd is en na het slagen voor de onderzoeken die hem eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd, kan de houder een nieuw oorspronkelijk rijbewijs verkrijgen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 50 en 51.

Artikel 81-83. (Opgeheven)

TITEL VII. — Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding

Artikel 84

Het voorlopig rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A3 laat toe voertuigen van de categorie AM te besturen.

Artikel 85

§ 1. In afwijking van artikel 18, wordt de minimumleeftijd voor het verkrijgen van een rijbewijs vastgesteld op:

1° 18 jaar voor de categorie A2:

a) als het gaat om een kandidaat die vóór 1 mei 2013 geslaagd is voor het praktisch examen voor het rijbewijs geldig voor de categorie A geldig gemaakt voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW;

b) voor een houder van een voorlopig rijbewijs zoals bedoeld in § 2, die geslaagd is voor het praktisch examen tijdens de geldigheidsduur van dit voorlopig rijbewijs.

2° 20 jaar voor de categorie A:

a) als het gaat om de houder van een rijbewijs geldig gemaakt voor het besturen van enkel motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW, afgegeven vóór 1 mei 2011. Er kan enkel vóór 1 mei 2014 gebruik gemaakt worden van deze afwijking;

b) als het gaat om de houder van een rijbewijs geldig gemaakt voor het besturen van enkel motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW en een vermogen/gewichtsverhouding) van minder dan of gelijk aan 0,16 kW, afgegeven, enerzijds ná 30 april 2011 en vóór 1 mei 2013, en anderzijds sinds ten minste twee jaar. Er kan van deze afwijking enkel gebruik gemaakt worden gedurende drie jaar te rekenen vanaf de datum van de afgifte van het rijbewijs A, geldig gemaakt voor het besturen van enkel motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW;

3° 21 jaar voor de categorie A:

a) als het gaat om een houder van een voorlopig rijbewijs A afgeleverd vóór 1 mei 2013, die geslaagd is voor het praktisch examen tijdens de geldigheidsduur van dit voorlopig rijbewijs;

b) als het gaat om een kandidaat die vóór 1 mei 2013 geslaagd is voor het praktisch examen voor het rijbewijs geldig voor de categorie A.

§ 2. Het voorlopig rijbewijs A geldig gemaakt voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW wordt gelijkgesteld aan een voorlopig rijbewijs geldig gemaakt voor de categorie A2.

§ 3. De houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A of A2 afgeleverd vóór 1 mei 2013, legt dat voorlopig rijbewijs voor in plaats van één van de documenten bedoeld in artikel 35/1, eerste lid, 2°.

§ 4. De personen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en b) zijn vrijgesteld van het theoretisch en het praktisch examen voor categorie A zolang de in deze paragraaf bedoelde afwijking uitwerking heeft.

Artikel 86

De kandidaten die vóór 1 mei 2013 geslaagd zijn voor het theoretisch examen voor categorie D worden onderworpen aan de voor deze datum van kracht zijnde bepalingen betreffende de scholing, het praktisch examen en de afgifte van het rijbewijs.

Artikel 87

De examinatoren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV, die hun functie uitoefenen vóór 1 mei 2013 dienen voor wat betreft de rijbewijscategorieën waarin zij vóór 1 mei 2013 reeds bevoegd waren praktische rijexamens af te nemen enkel te voldoen aan de vereisten van kwaliteitswaarborging en periodieke bijscholing, bedoeld in deze afdeling.

De personen die vóór 1 mei 2013 werkzaam zijn in de instellingen bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° en die praktische rijexamens afnemen, ontvangen automatisch de erkenning van examinator in de zin van artikel 26 voor wat betreft de rijbewijscategorieën waarin zij vóór 1 mei 2013 reeds bevoegd waren praktische rijexamens af te nemen.

Artikel 88

§ 1. Artikel 38/1 is van toepassing op de voorlopige rijbewijzen afgegeven na 1 mei 2012 en op de examens geslaagd na 1 mei 2012.

§ 2. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A of A2 afgegeven voor 1 mei 2013 mag, indien hij het wenst, deelnemen aan de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 2, eerste lid. In afwijking van artikel 35/1, eerste lid, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie Aof A2 waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie A1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A afgegeven voor 1 mei 2013 mag, indien hij het wenst, deelnemen aan de proef op het terrein buiten het verkeer van categorie A2 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 2, tweede lid. In afwijking van artikel 35/1, eerste lid, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie A waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie A2.

Artikel 89

In afwijking van artikel 38, § 2, derde lid, mag de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A tot en met 31 december 2018 het praktische examen afleggen met een motorfiets met een ledige massa van minder dan 175 kg en een vermogen van minder dan 50 kW, maar niet minder dan 40 kW.

Artikel 90

In afwijking van de bepalingen van artikel 38, §§ 4 tot 12, mogen de praktische examens tot 31 maart 2014 afgelegd worden met een voertuig dat voor de eerste keer voor 5 september 2005 ingeschreven werd en aan de volgende voorwaarden voldoet :

1° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie B + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie B dat beantwoordt aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 38, § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.000 kg, met een lengte van ten minste 9 m en dat niet behoort tot de categorie B en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u. bereikt.

De kast van de aanhangwagen moet een breedte hebben van ten minste 1,6 m en een hoogte van ten minste 1,5 m, berekend vanaf de grond en moet voorzien zijn van een gesloten opbouw;

2° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie C waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12.000 kg en de lengte ten minste 9 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten opbouw en van een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.

Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn;

3° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C + E mag afgelegd worden met een voertuig dat beantwoordt aan de in a) of in b) gestelde eisen :

a) geleed voertuig met een gesloten opbouw, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 18.000 kg en de lengte ten minste 14 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt. Het voertuig moet met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 uitgerust zijn;

b) samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in 2°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een lengte van ten minste 5 m, dat een maximale toegelaten massa van ten minste 18.000 kg en een lengte van ten minste 14 m heeft en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig en het samenstel bedoeld in a) en b) moeten een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in het in b) bedoeld geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen;

4° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie D waarvan de lengte ten minste 10 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85;

5° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D+E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D dat beantwoordt aan de in 4° voorgeschreven voorwaarden en een aanhangwagen voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, dat een lengte van ten minste 14 m heeft en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt;

6° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C1 mag afgelegd worden met een voertuig van de categorie C1, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5.500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt.

Het voertuig moet van een gesloten opbouw en van een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 voorzien zijn.

Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn;

7° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C1 + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in 6°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 2.500 kg, dat een lengte van ten minste 9 m heeft en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.

Het samenstel moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen;

8° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D1 mag afgelegd worden met een voertuig van de categorie D1, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt.

Het voertuig moet met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 uitgerust zijn;

9° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D1 + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in 8°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt.

Art. 90bis

(Opgeheven)

Art. 90ter

§ 1. (Opgeheven)

§ 2. (Opgeheven)

§ 3. De houders van een rijbewijs geldig voor de categorie B en van een rijgetuigschrift voor landbouwtractor, afgeleverd voor 15 september 2006 bekomen een rijbewijs geldig voor de categorie G zonder een opleiding te moeten volgen, noch het slagen voor een theoretisch of praktisch examen.

Art. 90quater

(Opgeheven)

Art. 90quinquies

§ 1. In afwijking van dit besluit en van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, worden de in het tweede lid opgesomde documenten automatisch verlengd op één van de volgende wijzen:
ofwel tot en met 31 december 2021 als hun geldigheidsduur na 15 maart 2020 en vóór 1 oktober 2021 verstrijkt;
ofwel tot en met 31 maart 2022 als hun geldigheidsduur na 30 september 2021 en vóór 1 januari 2022 verstrijkt.

Deze maatregel betreft de volgende documenten:

1° (opgeheven)

2° het voorlopig rijbewijs M3 bedoeld in artikel 6 en volgende;

3° het voorlopig rijbewijs M18 bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;

4° het voorlopig rijbewijs M36 bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;

5° het voorlopig rijbewijs M12 bedoeld in artikel 5/1, § 1/1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006.

§ 2. In afwijking van dit besluit worden de datums van het einde van de geldigheid van de rijbewijscategorieën vermeld op de in § 1 bedoelde documenten automatisch verlengd tot en met 30 september 2021 indien zij voor die datum vervallen.

§ 3. Indien de aanvrager vóór 16 maart 2020 is geslaagd voor het praktisch examen, loopt de in artikel 17, § 1, vierde lid, voorziene termijn van drie jaar tot en met 30 september 2021, voor zover deze termijn niet na deze datum afliep.

Indien de aanvrager vóór 16 maart 2020 is geslaagd voor het theoretisch examen, loopt de in artikel 6, 1°, b), en artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 voorziene termijn van drie jaar tot en met 30 september 2021, voor zover deze termijn niet na deze datum afliep.

§ 4. In afwijking van dit besluit zijn de in het tweede lid opgesomde documenten die na 15 maart 2020 vervallen, geldig tot en met 30 september 2021 indien hun geldigheidsduur verstrijkt voor deze datum.

Deze maatregel betreft de volgende documenten:

1° het attest bedoeld in artikel 69, § 2;

2° het attest bedoeld in artikel 69, § 3.

§ 5. In afwijking van dit besluit zijn de in het tweede lid opgesomde documenten die na 15 maart 2020 vervallen, geldig tot en met 30 september 2021, indien hun geldigheidsduur verstrijkt voor deze datum.

Deze maatregel betreft de volgende documenten:

1° de attesten bedoeld in bijlage 6, VII tot XI;
2° het attest bedoeld in artikel 73, zevende lid, indien de opgelegde voorwaarden en beperkingen een vervaldatum bevatten.

§ 6. In afwijking van artikel 17, § 1, vijfde lid, kunnen de rijbewijzen die niet zijn afgegeven na 15 december 2019 alsnog worden afgegeven tot en met 30 september 2021 indien de in dit artikel voorziene termijn van drie maanden voor deze datum afloopt.

§ 7. (Opgeheven)

§ 8. Dit artikel treedt buiten werking op de dag die volgt op 31 maart 2022.

Artikel 91

Treden in werking op 1 oktober 1998 :

1° de artikelen 23 en 36 van de wet van 18 juli 1990 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

2° dit besluit.

Artikel 92

Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGEN

Bijlage 1. — Voorschriften betreffende het kaartmodel van het rijbewijs

1 De fysieke kenmerken van de kaart van het modelrijbewijs van de Europese Unie zijn in overeenstemming met ISO-norm 7810.

De kaart is gemaakt van polycarbonaat.

De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.

2 Het voor rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd:

  • de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;
  • beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopiëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;
  • optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopiëren of vervalsen van de foto;
  • lasergravure;
  • in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);
  • inkt met kleuromslag;
  • aangepaste hologrammen;
  • variabele laserbeelden;
  • ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;
  • voelbare karakters, symbolen of patronen.

3 Het rijbewijs heeft twee zijden:

Bladzijde 1 bevat:

a) de vermelding "rijbewijs", in hoofdletters, in de drie landstalen en het Engels;

b) het onderscheidingsteken "B" van België, negatief afgedrukt in een blauwe rechthoek en omringd door twaalf gele sterren;

c) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven rijbewijs, met de volgende nummers:

1. de naam van de houder;

2. de voornaam van de houder;

3. geboortedatum en -plaats van de houder;

4. a. de datum van afgifte van het rijbewijs
b. de datum waarop de administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs afloopt;
c. de naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft;

5. nummer van het rijbewijs;

6. de foto van de houder;

7. de handtekening van de houder;

9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën)

d) de vermelding "model van de Europese Unie" en de vermelding "rijbewijs" in de overige talen van de Gemeenschap, gedrukt in roze letters en op een zodanige wijze dat deze de achtergrond van het rijbewijs vormen:

Свидетепcтвo за уnравпение на MПС
Permiso de Conducción
Řidičský průkaz
Kørekort
Führerschein
Juhiluba
'Aδεια Oδήγησης
Driving Licence
Permis de conduire
Vozačka dozvola
Ceadúnas Tiomána
Patente di guida
Vadītāja apliecība
Vairuotojo pažymėjimas
Vezetői engedély
Liċenzja tas-Sewqan
Prawo Jazdy
Carta de Condução
Permis de conducere
Vodičský preukaz
Vozniško dovoljenje
Ajokortti
Körkort,

e) referentiekleuren:

  • blauw: Reflex Blauw Pantone;
  • geel: Pantone Geel.

Bladzijde 2 bevat:

a) 9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën)

10. de datum van eerste afgifte per categorie (deze datum moet bij iedere latere vervanging of inwisseling op het nieuwe rijbewijs worden vermeld); in elk datumveld moeten twee cijfers worden ingevuld en wel in de volgende volgorde: dag.maand.jaar (DD.MM.JJ);

11. de datum waarop de geldigheidsduur afloopt voor elke categorie; in elk datumveld moeten twee cijfers worden ingevuld en wel in de volgende volgorde: dag.maand.jaar (DD.MM.JJ);

12. de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7, naast elke desbetreffende categorie.
Wanneer een code geldt voor alle categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven, kan hij worden afgedrukt onder de rubrieken 9, 10 en 11;

b) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het rijbewijs voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5, 10, 11 en 12

4 De informatie op de voor- en achterzijde van het rijbewijs dient met het oog leesbaar te zijn, waarbij voor de punten 9 tot en met 12 aan de achterzijde een letterkorps van minimaal 5 punten moet worden gebruikt.

Rijbewijs kaartmodel

Bijlage 2. — Voorschriften betreffende het kaartmodel van het voorlopig rijbewijs Model 3

1. De fysieke kenmerken van de kaart van het voorlopig rijbewijs zijn in overeenstemming met ISO-norm 7810.

De kaart is gemaakt van polycarbonaat.

De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.

2. Het voor voorlopige rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd:

  • de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;
  • beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopiëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;
  • optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopiëren of vervalsen van de foto;
  • lasergravure;
  • in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);
  • inkt met kleuromslag;
  • aangepaste hologrammen;
  • variabele laserbeelden;
  • ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;
  • voelbare karakters, symbolen of patronen.

3. Het voorlopig rijbewijs heeft twee zijden:

Bladzijde 1 bevat:

a) de vermelding "voorlopig rijbewijs", in hoofdletters;
b) de tekst "Enkel geldig in België";
c) het onderscheidingsteken "B" van België;
d) het onderscheidingsteken "M3" van model 3;
e) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven voorlopig rijbewijs, met de volgende nummers:

1. de naam van de houder;
2. de voornaam van de houder;
3. geboortedatum en -plaats van de houder;
4. a. de datum van afgifte van het voorlopig rijbewijs;
b. de datum waarop de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs afloopt;
c. de naam van de bevoegde instantie die het voorlopig rijbewijs afgeeft;
5. nummer van het voorlopig rijbewijs;
6. de foto van de houder;
7. de handtekening van de houder;
8. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen;

f) referentiekleur: licht lila.

Bladzijde 2 bevat:

a) de datum van afgifte van het eerste voorlopig rijbewijs van de categorie waarvoor het voorlopig rijbewijs geldig wordt verklaard;

a/1) de datum waarop de houder geslaagd is voor het theoretisch examen en het gewest waar dit theoretisch examen heeft plaatsgevonden;

a/2) naam en voornaam van de eerste en de tweede begeleider;

b) de tekst "De houder die geen 24 jaar oud is, mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, de vooravond van de wettelijke feestdagen en de wettelijke feestdagen.";

c) (opgeheven)

d) de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7;

e) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het voorlopig rijbewijs (ten minste voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5 en 8).

M3NL1

M3NL2

Bijlage 3. — Leervergunning (opgeheven)

Bijlage 4. — Theoretisch examen

A. Stof voor het theoretische examen

B. Wijze van beoordeling

C. Wijze van verbetering


A. STOF VOOR HET THEORETISCHE EXAMEN

I. Stof voor het rijbewijs AM, A1, A2, A, B, C1, C, D1 en D

A. Gemeenschappelijke examenstof

  1. Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  2. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  3. Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer] en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  4. Belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere weggebruikers;
  5. Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;
  6. De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;
  7. Verkeersrisico’s in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
  8. Kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;
  9. Specifieke risico’s in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers en in verband met de kwetsbaarste categorieën van weggebruikers, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit gehinderd zijn;
  10. Risico’s in verband met deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;
  11. Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
  12. Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers;
  13. Veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;
  14. Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig;
  15. De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, wielophanging, remmen, banden, verlichting en richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, voorruit en ruitenwissers, uitlaatsysteem, veiligheidsgordels en geluidstoestel;
  16. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;
  17. Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig : alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen;
  18. Veiligheid in tunnels.

B. Specifieke stof voor de categorieën A1, A2 en A

  1. Gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  2. Zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers;
  3. Specifieke risico’s in verband met uiteenlopende wegomstandigheden, met bijzondere aandacht voor gladde delen van het wegdek, zoals putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails;
  4. Mechanische onderdelen die voor de verkeersveiligheid van belang zijn, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil en de ketting.

C. Specifieke stof voor de categorieën C1 en C

  1. Voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  2. Voorschriften inzake het vervoer van goederen;
  3. Kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of vergelijkbare gebeurtenis, zoals de evacuatie van passagiers, en de grondbeginselen van eerste hulp;
  4. Voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen;
  5. Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het verwisselen van wielen;
  6. Voorschriften inzake gewichten, afmetingen en snelheidsbegrenzers;
  7. Beperking van het gezichtsveld die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  8. Veiligheidseisen bij het laden van het voertuig : het beheersen van de lading (laden en vastzetten), problemen met verschillende soorten lading (bijvoorbeeld vloeistoffen, hangende lading), het laden en lossen van goederen en het gebruik van laadapparatuur;
  9. Principes van de constructie en werking van : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak);
  10. Smering en antivriesbescherming;
  11. Principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  12. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  13. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme;
  14. Methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  15. Preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties;
  16. Verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak;
  17. Beginselen van het verantwoorde gebruik van de snelheidsregelaar.

D. Specifieke stof voor de categorieën D1 en D

  1. Voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  2. Voorschriften inzake het vervoer van personen;
  3. Voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van personen;
  4. Kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of vergelijkbare gebeurtenis, zoals de evacuatie van passagiers, en de grondbeginselen van eerste hulp;
  5. Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het verwisselen van wielen;
  6. Voorschriften inzake gewichten, afmetingen en snelheidsbegrenzers;
  7. Beperking van het gezichtsveld die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  8. Verantwoordelijkheid van de bestuurder met betrekking tot het vervoer van passagiers, het comfort en de veiligheid van passagiers, het vervoer van kinderen en de nodige controles vóór het wegrijden;
  9. Principes van de constructie en werking van : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak);
  10. Smering en antivriesbescherming;
  11. Principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  12. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  13. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme;
  14. Methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  15. Preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties;
  16. Beginselen van het verantwoorde gebruik van de snelheidsregelaar.

II. Stof voor het rijbewijs G

  1. Stof voorzien in punt I, A;
  2. Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
B. WIJZE VAN BEOORDELING

I. Categorieën AM en G

Maximum aantal punten : 40
Minimum vereist om te slagen : 33

II. Categorieën A1, A2, A, B, C1, C, D1 en D :

Maximum aantal punten : 50
Minimum vereist om te slagen : 41

II Vlaams Gewest.

1° Categorieën A1, A2, A, C1, C, D1 en D:

a) maximum aantal punten: 50;
b) minimum vereist om te slagen: 41.

2° Categorie B:

a) maximum aantal punten: 50;
b) minimum vereist om te slagen: 41.

De kandidaat is niet geslaagd als hij ten minste twee verkeerde antwoorden geeft op vragen die betrekking hebben op de overtredingen van de derde of vierde graad, vermeld in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, of die betrekking hebben op het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid, bepaald in de reglementen die zijn uitgevaardigd op grond van de wet.

II Waals Gewest. Categorieën A1, A2, A, B, C1, C, D1 en D :

Maximum aantal punten : 50
Minimum vereist om te slagen : 41

De kandidaat is niet geslaagd als hij ten minste twee verkeerde antwoorden geeft op vragen die betrekking hebben op de overtredingen van de derde of vierde graad, vermeld in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, of die betrekking hebben op het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid, bepaald in de reglementen die zijn uitgevaardigd op grond van de wet.

C. WIJZE VAN VERBETERING

De Minister of zijn gemachtigde bepaalt de procedure tot verbetering van het theoretische examen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Vlaamse minister”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” vervangen door de woorden “Waalse Minister”.

Bijlage 5. — Praktisch examen (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

I. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE AM

Proef op een terrein buiten het verkeer :

1. Plaats en hantering van de bedieningsorganen

a) Remmen;
b) Versnellingen;
c) Schakelaar van de motor;
d) Gashandgreep of -pedaal;
e) Geluidstoestel;
f) Richtingaanwijzers;
g) Schakelaar en verklikkerlichtjes voor de lichten;
h) Alleen voor tweewielige bromfietsen : zijdelingse steunvoet of centrale steunvoet naar keuze van de kandidaat.

2. Manoeuvres voor tweewielige bromfietsen

a) Slalom;
b) In lussen rijden;
c) Over een afstand van 10 m tussen twee evenwijdige lijnen stapvoets rijden;
d) Plots remmen.

3. Manoeuvres voor bromfietsen met meer dan twee wielen

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Keren in een straat;
c) Vooruit in een garage rijden;
d) Tussen twee voertuigen parkeren.

II. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN A1, A2 EN A

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. Voorafgaande controles

a) Motorfiets op de standaard plaatsen;
b) Correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar, ketting, oliepeil, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd.

3. Motorfiets van de standaard halen, zonder hulp van de motor de motorfiets verplaatsen door ernaast te lopen, de motorfiets achterwaarts parkeren in het parkeervak en de motorfiets weer op de standaard plaatsen;

4. Wegrijden uit een parkeervak;

5. Slalom;

6. In lussen rijden;

7. Bocht bij een snelheid van 30 km/u., daarna ontwijken bij een snelheid van 50 km/u. en precisieremmen;

8. Stapvoets rijden;

9. "S"-bocht;

10. Bocht bij een snelheid van 30 km/u.., daarna versnelling tot 50 km/u en plots remmen.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden uit een parkeervak, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;

5. Veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;

6. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;

7. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen (indien mogelijk), obstakels voorbijrijden, ingehaald worden (indien mogelijk);

8. Speciale verkeersinrichtingen (indien aanwezig), waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

9. Zelfstandig rijden

10. Parkeren, uit en weer in het voertuig stappen, opnieuw vertrekken met de nodige voorzorgen;

11. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

12. Toepassen verkeersregels;

13. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

14. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

15. Naleven snelheidsbeperkingen; aangepaste snelheid in functie van de omstandigheden;

16. Defensief rijden;

17. Sociaal rijgedrag.

III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN B en B + E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

Categorie B+E en categorie B, behalen van de code 96.

1. Voorafgaande controles

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
f) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;
g) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. In rechte lijn achteruitrijden;

3. Achteruitrijdend een bocht maken;

4. Langs het trottoir parkeren;

5. Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

6. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en de aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;

8. Zuinig en energie-efficiënt rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

17. Categorie B : de volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd :

1. Voorafgaande controles.

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;

2. Keren in een smalle straat;

3. Parkeren achter een voertuig.

IV. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN C1, C1+E, C EN C+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E :

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard;
f) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
g) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, eventueel laadmechanisme, cabineslot, manier van laden, vastzetten van de lading;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorie de categorieën C1+E en C+E alleen :

Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen.

2. Manoeuvres voor de categorieën C1 en C :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

3. Manoeuvres voor de categorie de categorieën C1+E en C+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen of oplegger; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controle van de laaddeuren, de ladingswijze en het vastmaken van de lading;

18. Controleapparatuur.

V. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN D1, D1+E, D EN D+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
d) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen, controle en gebruik van het dashboard;
e) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
f) In staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig, controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen;
g) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorieën D1+E en D+E alleen :

a) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
b) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;

2. Manoeuvres voor de categorieën D1 en D :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Langs een trottoir parkeren.

3. Manoeuvres voor de categorieën D1+E en D+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van autosnelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, veiligheidsgordel, hoofdsteun, stuurinrichting, zitplaats;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controleapparatuur.

Vbis. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE G

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles :

a) verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) afstellen van de achteruitkijkspiegels;
c) zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) controle van de stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard in verband met het rijden;
f) de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
g) controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;

2. In rechte lijn achteruitrijden.

3. Draaien in achteruit in een garage.

4. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

5. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;

6. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

7. Zuinig en milieuvriendelijk rijden, lettend op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;

8. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg en van kijken;

9. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

10. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

11. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

12. Snelheidsbeperkingen;

13. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

14. Het geven van signalen : nodige signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

15. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

VI. WIJZE VAN BEOORDELING VAN HET EXAMEN

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Categorie AM :

De proef wordt stopgezet indien de kandidaat niet voldoende vertrouwd is met de plaats en de hantering van de bedieningsorganen.

Voor alle categorieën :

de manoeuvres worden beoordeeld met : « goed », « voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « slecht »;
  • twee manoeuvres worden beoordeeld met « onvoldoende »;
  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
  • vier manoeuvres worden beoordeeld met « voorbehoud ».

B. Proef op de openbare weg

De proef wordt volgens de volgende rubrieken beoordeeld (uitgezonderd categorieën A1, A2 en A):

1° bediening van het voertuig
2° plaats op de openbare weg
3° bochten
4° kruisen en inhalen
5° richtingsverandering
6° voorrang
7° verkeerslichten en bevelen
8° snelheid en verkeersinzicht
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers
10° defensief rijden.
11° manoeuvres (alleen categorie B).

De rubrieken worden beoordeeld met « goed », « voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een rubriek beoordeeld wordt met « slecht »;
  • twee rubrieken beoordeeld worden met « onvoldoende »;
  • een rubriek beoordeeld wordt met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
  • vier rubrieken beoordeeld worden met « voorbehoud »;
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

De proef wordt volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld (categorieën A1, A2 en A) :

Rubrieken :

1. Wegrijden
2. Rechte wegen
3. Bochten
4. Kruispunten
5. Veranderen richting/rijstrook
6. Invoegen/uitvoegen
7. Inhalen/kruisen
8. Speciale verkeerssituaties
9. Stoppen, parkeren, opnieuw invoegen

Beoordelingsaspecten :

A. Bediening van het voertuig
B. Toepassen verkeersregels
C. Plaats op de weg
D. Kijktechniek
E. Aangepaste snelheid
F. Defensief rijden
G. Sociaal rijgedrag

De rubrieken worden beoordeeld in functie van de beoordelingsaspecten. De elementen die verkregen worden door de rubrieken en de beoordelingsaspecten te combineren, worden beoordeeld met "goed", "voldoende te verbeteren" of "slecht".

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een element beoordeeld wordt met "slecht";
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, kandidaat of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

Bijlage 5. — Praktisch examen (Vlaams Gewest)

I. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE AM

Proef op een terrein buiten het verkeer :

1. Plaats en hantering van de bedieningsorganen

a) Remmen;
b) Versnellingen;
c) Schakelaar van de motor;
d) Gashandgreep of -pedaal;
e) Geluidstoestel;
f) Richtingaanwijzers;
g) Schakelaar en verklikkerlichtjes voor de lichten;
h) Alleen voor tweewielige bromfietsen : zijdelingse steunvoet of centrale steunvoet naar keuze van de kandidaat.

2. Manoeuvres voor tweewielige bromfietsen

a) Slalom;
b) In lussen rijden;
c) Over een afstand van 10 m tussen twee evenwijdige lijnen stapvoets rijden;
d) Plots remmen.

3. Manoeuvres voor bromfietsen met meer dan twee wielen

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Keren in een straat;
c) Vooruit in een garage rijden;
d) Tussen twee voertuigen parkeren.

II. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN A1, A2 EN A

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. Voorafgaande controles

a) Motorfiets op de standaard plaatsen;
b) Correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar, ketting, oliepeil, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd.

3. Motorfiets van de standaard halen, zonder hulp van de motor de motorfiets verplaatsen door ernaast te lopen, de motorfiets achterwaarts parkeren in het parkeervak en de motorfiets weer op de standaard plaatsen;

4. Wegrijden uit een parkeervak;

5. Slalom;

6. In lussen rijden;

7. Bocht bij een snelheid van 30 km/u., daarna ontwijken bij een snelheid van 50 km/u. en precisieremmen;

8. Stapvoets rijden;

9. "S"-bocht;

10. Bocht bij een snelheid van 30 km/u.., daarna versnelling tot 50 km/u en plots remmen.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden uit een parkeervak, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;

5. Veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;

6. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;

7. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen (indien mogelijk), obstakels voorbijrijden, ingehaald worden (indien mogelijk);

8. Speciale verkeersinrichtingen (indien aanwezig), waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

9. Zelfstandig rijden

10. Parkeren, uit en weer in het voertuig stappen, opnieuw vertrekken met de nodige voorzorgen;

11. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

12. Toepassen verkeersregels;

13. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

14. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

15. Naleven snelheidsbeperkingen; aangepaste snelheid in functie van de omstandigheden;

16. Defensief rijden;

17. Sociaal rijgedrag.

III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN B en B + E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

Categorie B+E en categorie B, behalen van de code 96.

1. Voorafgaande controles

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
f) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;
g) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. In rechte lijn achteruitrijden;

3. Achteruitrijdend een bocht maken;

4. Langs het trottoir parkeren;

5. Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

6. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en de aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;

8. Zuinig en energie-efficiënt rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

17. Zelfstandig rijden alleen voor categorie B.

18. Categorie B: de volgende manoeuvres worden uitgevoerd:

1. voorafgaande controles:

a) verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel: steekproefsgewijze controle;
e) de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;

2. twee van volgende drie door lottrekking gekozen manoeuvres:

a) keren in een smalle straat;
b) in rechte lijn achteruitrijden;
c) parkeren: door loting één van volgende parkeermanoeuvres uit te voeren:

1) evenwijdig ten opzichte van de weg rechts parkeren tussen twee voertuigen;
2) evenwijdig ten opzichte van de weg links parkeren tussen twee voertuigen;
3) loodrecht ten opzichte van de weg vooruit in een vak parkeren;
4) loodrecht ten opzichte van de weg achteruit in een vak parkeren.

De manoeuvres, vermeld in III.B, 18, 1, en de parkeermanoeuvres, vermeld in III.B, 18, 2, c), 3) en 4), worden uitgevoerd op een openbare plaats. De manoeuvres, vermeld in III.B, 18, 2, a) en b) en de parkeermanoeuvres, vermeld in III.B, 18, 2, c), 1) en 2), worden uitgevoerd op de openbare weg.”;

C. Proef gevaarherkenningstest (alleen voor categorie B): computertest in het examencentrum.

IV. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN C1, C1+E, C EN C+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E :

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard;
f) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
g) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, eventueel laadmechanisme, cabineslot, manier van laden, vastzetten van de lading;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorie de categorieën C1+E en C+E alleen :

Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen.

2. Manoeuvres voor de categorieën C1 en C :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

3. Manoeuvres voor de categorie de categorieën C1+E en C+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen of oplegger; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controle van de laaddeuren, de ladingswijze en het vastmaken van de lading;

18. Controleapparatuur.

V. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN D1, D1+E, D EN D+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
d) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen, controle en gebruik van het dashboard;
e) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
f) In staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig, controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen;
g) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorieën D1+E en D+E alleen :

a) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
b) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;

2. Manoeuvres voor de categorieën D1 en D :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Langs een trottoir parkeren.

3. Manoeuvres voor de categorieën D1+E en D+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van autosnelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, veiligheidsgordel, hoofdsteun, stuurinrichting, zitplaats;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controleapparatuur.

Vbis. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE G

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles :

a) verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) afstellen van de achteruitkijkspiegels;
c) zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) controle van de stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard in verband met het rijden;
f) de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
g) controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;

2. In rechte lijn achteruitrijden.

3. Draaien in achteruit in een garage.

4. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

5. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;

6. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

7. Zuinig en milieuvriendelijk rijden, lettend op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;

8. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg en van kijken;

9. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

10. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

11. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

12. Snelheidsbeperkingen;

13. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

14. Het geven van signalen : nodige signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

15. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

VI. WIJZE VAN BEOORDELING VAN HET EXAMEN

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Categorie AM :

De proef wordt stopgezet indien de kandidaat niet voldoende vertrouwd is met de plaats en de hantering van de bedieningsorganen.

Voor alle categorieën :

de manoeuvres worden beoordeeld met : « goed », « voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « slecht »;
  • twee manoeuvres worden beoordeeld met « onvoldoende »;
  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
  • vier manoeuvres worden beoordeeld met « voorbehoud ».

B. Proef op de openbare weg.

B.1. De proef wordt volgens de volgende rubrieken beoordeeld, uitgezonderd voor categorieën A1, A2, A en B:

1° bediening van het voertuig;
2° plaats op de openbare weg;
3° bochten;
4° kruisen en inhalen;
5° richtingsverandering;
6° voorrang;
7° verkeerslichten en bevelen;
8° snelheid en verkeersinzicht;
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers;
10° defensief rijden.

De rubrieken, vermeld in punt 1° tot en met 10°, worden beoordeeld met “goed”, “voorbehoud”, “onvoldoende” of “slecht”. De kandidaat wordt uitgesteld als:

1° een rubriek beoordeeld wordt met “slecht”;
2° twee rubrieken beoordeeld worden met “onvoldoende”;
3° een rubriek beoordeeld wordt met “onvoldoende” en twee met “voorbehoud”;
4° vier rubrieken beoordeeld worden met “voorbehoud”;
5° rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

B.2. De proef wordt volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld voor de categorieën A1, A2 en A:

1° rubrieken:

1. wegrijden;
2. rechte wegen;
3. bochten;
4. kruispunten;
5. veranderen richting en rijstrook;
6. invoegen en uitvoegen;
7. inhalen en kruisen;
8. speciale verkeerssituaties;
9. stoppen, parkeren, opnieuw invoegen;

2° beoordelingsaspecten:

A. bediening van het voertuig
B. toepassen verkeersregels
C. plaats op de weg
D. kijktechniek
E. aangepaste snelheid
F. defensief rijden
G. sociaal rijgedrag.

De rubrieken, vermeld in punt 1°, worden beoordeeld op basis van de beoordelingsaspecten. De elementen die verkregen worden door de rubrieken en de beoordelingsaspecten te combineren, worden beoordeeld met “goed”, “voldoende te verbeteren” of “slecht”. De kandidaat wordt uitgesteld als:

1° een element beoordeeld wordt met “slecht”;

2° rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de kandidaat of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

B.3 De proef openbare weg en de proef gevaarherkenningstest wordt voor de categorie B volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld:

1° bediening van het voertuig;
2° plaats op de openbare weg;
3° bochten;
4° kruisen en inhalen;
5° richtingsverandering;
6° voorrang;
7° verkeerslichten en bevelen;
8° snelheid en verkeersinzicht;
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers;
10° defensief rijden;
11° zelfstandig rijden;
12° manoeuvres;
13° gevaarherkenningstest.

De rubrieken, vermeld in punt 1° tot en met 13°, worden beoordeeld met “goed”, “voorbehoud”, “onvoldoende” of “slecht”. De kandidaat wordt uitgesteld als:

1° een rubriek beoordeeld wordt met “slecht”;
2° twee rubrieken beoordeeld worden met “onvoldoende”;
3° een rubriek beoordeeld wordt met “onvoldoende” en twee met “voorbehoud”;
4° vier rubrieken beoordeeld worden met “voorbehoud”;
5° rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

Bijlage 5. — Praktisch examen en tests (Waals Gewest)

I. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE AM

Proef op een terrein buiten het verkeer :

1. Plaats en hantering van de bedieningsorganen

a) Remmen;
b) Versnellingen;
c) Schakelaar van de motor;
d) Gashandgreep of -pedaal;
e) Geluidstoestel;
f) Richtingaanwijzers;
g) Schakelaar en verklikkerlichtjes voor de lichten;
h) Alleen voor tweewielige bromfietsen : zijdelingse steunvoet of centrale steunvoet naar keuze van de kandidaat.

2. Manoeuvres voor tweewielige bromfietsen

a) Slalom;
b) In lussen rijden;
c) Over een afstand van 10 m tussen twee evenwijdige lijnen stapvoets rijden;
d) Plots remmen.

3. Manoeuvres voor bromfietsen met meer dan twee wielen

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Keren in een straat;
c) Vooruit in een garage rijden;
d) Tussen twee voertuigen parkeren.

II. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN A1, A2 EN A

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. Voorafgaande controles

a) Motorfiets op de standaard plaatsen;
b) Correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar, ketting, oliepeil, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd.

3. Motorfiets van de standaard halen, zonder hulp van de motor de motorfiets verplaatsen door ernaast te lopen, de motorfiets achterwaarts parkeren in het parkeervak en de motorfiets weer op de standaard plaatsen;

4. Wegrijden uit een parkeervak;

5. Slalom;

6. In lussen rijden;

7. Bocht bij een snelheid van 30 km/u., daarna ontwijken bij een snelheid van 50 km/u. en precisieremmen;

8. Stapvoets rijden;

9. "S"-bocht;

10. Bocht bij een snelheid van 30 km/u.., daarna versnelling tot 50 km/u en plots remmen.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden uit een parkeervak, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;

5. Veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;

6. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;

7. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen (indien mogelijk), obstakels voorbijrijden, ingehaald worden (indien mogelijk);

8. Speciale verkeersinrichtingen (indien aanwezig), waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

9. Zelfstandig rijden

10. Parkeren, uit en weer in het voertuig stappen, opnieuw vertrekken met de nodige voorzorgen;

11. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

12. Toepassen verkeersregels;

13. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

14. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

15. Naleven snelheidsbeperkingen; aangepaste snelheid in functie van de omstandigheden;

16. Defensief rijden;

17. Sociaal rijgedrag.

III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN B en B + E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

Categorie B+E en categorie B, behalen van de code 96.

1. Voorafgaande controles

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
f) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;
g) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

2. In rechte lijn achteruitrijden;

3. Achteruitrijdend een bocht maken;

4. Langs het trottoir parkeren;

5. Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

6. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en de aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;

8. Zuinig, veilig en energie-efficiënt rijden, d.w.z. tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen, door waar dat nodig is manueel te schakelen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

17. Categorie B : de volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd :

1. Voorafgaande controles.

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;

2. Evenwijdig ten opzichte van de weg links of rechts achteruit parkeren tussen twee voertuigen, en het verlaten van het parkeervak;

3. Één van volgende vier door lottrekking gekozen manoeuvres en uitgevoerd op de openbare weg of een openbare plaats:

1o keren in een smalle straat;
2o in rechte lijn achteruitrijden;
3o loodrecht ten opzichte van de weg vooruit in een vak parkeren en het verlaten van het vak achterwaarts;
4o loodrecht ten opzichte van de weg achteruit in een vak parkeren en het verlaten van het vak voorwaarts;

18. Zelfstandig rijden.

C. Risicoperceptietest (enkel voor de categorie B) :

De effectiviteit van een risico toegelicht tijdens de test moet leiden tot een besluitvorming en de uitvoering van een actie van de bestuurder die hij niet genomen zou hebben in een vergelijkbare verkeerssituatie waarin dit risico niet aanwezig zou zijn.

D. De test over de technische rijvaardigheden heeft betrekking op de volgende punten:

  1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
  2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3. Rijden door bochten;
  4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
  5. Inhalen en voorbijrijden: inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
  6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder: rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;
  7. Beheersing van het voertuig: correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, veiligheidsgorder, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
  8. Goed kijken: rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
  9. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
  10. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
  11. Veilige afstand: voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
  12. Snelheidsbeperkingen;
  13. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
  14. Het geven van signalen: de nodige signalen geven op de juiste momenten;
  15. Remmen en stoppen: tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden;
  16. De rijpositie afstellen;
  17. Manoeuvres uitvoeren op de openbare weg: Parkeren, achteruitrijden, keren.
Het woord "veiligheidsgorder" dient gelezen te worden als "veiligheidsgordel".
IV. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN C1, C1+E, C EN C+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën C1, C1+E, C en C+E :

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard;
f) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
g) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, eventueel laadmechanisme, cabineslot, manier van laden, vastzetten van de lading;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorie de categorieën C1+E en C+E alleen :

Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen.

2. Manoeuvres voor de categorieën C1 en C :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;

3. Manoeuvres voor de categorie de categorieën C1+E en C+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen of oplegger; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controle van de laaddeuren, de ladingswijze en het vastmaken van de lading;

18. Controleapparatuur.

V. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN D1, D1+E, D EN D+E

A. Proef op een terrein buiten het verkeer :

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles voor de categorieën D1, D1+E, D en D+E

a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
d) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen, controle en gebruik van het dashboard;
e) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
f) In staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig, controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen;
g) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;

Bovendien voor de categorieën D1+E en D+E alleen :

a) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
b) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;

2. Manoeuvres voor de categorieën D1 en D :

a) In een rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruit in een garage rijden;
c) Langs een trottoir parkeren.

3. Manoeuvres voor de categorieën D1+E en D+E :

a) In rechte lijn achteruitrijden;
b) Achteruitrijdend een bocht maken;
c) Langs het trottoir parkeren;
d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Oprijden en verlaten van autosnelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;

5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;

7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, veiligheidsgordel, hoofdsteun, stuurinrichting, zitplaats;

8. Veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden : tijdens het rijden de veiligheid waarborgen, letten op het aantal omwentelingen per minuut, het schakelen, remmen en versnellen en het brandstofverbruik en de uitstoot verminderen door waar nodig manueel te schakelen tijdens het optrekken, afremmen of op stijgende en dalende hellingen;

9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;

10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

13. Snelheidsbeperkingen;

14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;

17. Controleapparatuur.

Vbis. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE G

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Manoeuvres

1. Voorafgaande controles :

a) verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) afstellen van de achteruitkijkspiegels;
c) zorgen dat de portieren gesloten zijn;
d) banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) controle van de stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard in verband met het rijden;
f) de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
g) controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;

2. In rechte lijn achteruitrijden.

3. Draaien in achteruit in een garage.

4. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.

B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :

1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;

2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;

3. Rijden door bochten;

4. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;

5. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;

6. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;

7. Zuinig en milieuvriendelijk rijden, lettend op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;

8. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg en van kijken;

9. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;

10. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;

11. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;

12. Snelheidsbeperkingen;

13. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;

14. Het geven van signalen : nodige signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

15. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.

VI. WIJZE VAN BEOORDELING VAN DE TESTS EN VAN HET PRAKTISCH EXAMEN

A. Proef op een terrein buiten het verkeer

Categorie AM :

De proef wordt stopgezet indien de kandidaat niet voldoende vertrouwd is met de plaats en de hantering van de bedieningsorganen.

Voor alle categorieën :

de manoeuvres worden beoordeeld met : « goed », « voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « slecht »;
  • twee manoeuvres worden beoordeeld met « onvoldoende »;
  • een manoeuvre wordt beoordeeld met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
  • vier manoeuvres worden beoordeeld met « voorbehoud ».

B. Proef op de openbare weg

De proef wordt volgens de volgende rubrieken beoordeeld (uitgezonderd categorieën A1, A2, A en B):

1° bediening van het voertuig
2° plaats op de openbare weg
3° bochten
4° kruisen en inhalen
5° richtingsverandering
6° voorrang
7° verkeerslichten en bevelen
8° snelheid en verkeersinzicht
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers
10° defensief rijden.
11° (opgeheven)
12° (opgeheven)

De rubrieken worden beoordeeld met « goed », « voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een rubriek beoordeeld wordt met « slecht »;
  • twee rubrieken beoordeeld worden met « onvoldoende »;
  • een rubriek beoordeeld wordt met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
  • vier rubrieken beoordeeld worden met « voorbehoud »;
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

De proef wordt volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld (categorieën A1, A2 en A) :

Rubrieken :

1. Wegrijden
2. Rechte wegen
3. Bochten
4. Kruispunten
5. Veranderen richting/rijstrook
6. Invoegen/uitvoegen
7. Inhalen/kruisen
8. Speciale verkeerssituaties
9. Stoppen, parkeren, opnieuw invoegen

Beoordelingsaspecten :

A. Bediening van het voertuig
B. Toepassen verkeersregels
C. Plaats op de weg
D. Kijktechniek
E. Aangepaste snelheid
F. Defensief rijden
G. Sociaal rijgedrag

De rubrieken worden beoordeeld in functie van de beoordelingsaspecten. De elementen die verkregen worden door de rubrieken en de beoordelingsaspecten te combineren, worden beoordeeld met "goed", "voldoende te verbeteren" of "slecht".

De kandidaat wordt uitgesteld indien :

  • een element beoordeeld wordt met "slecht";
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, kandidaat of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

De proef wordt volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld (categorie B):

Rubriek:

  1. Wegrijden
  2. Rechte wegen
  3. Bochten
  4. Kruispunten en rotondes
  5. Veranderen richting en rijstrook
  6. Invoegen en uitvoegen
  7. Inhalen en kruisen
  8. Zwakke weggebruikers
  9. Voorafgaande controles
  10. Manoeuvres.

Beoordelingsaspecten

  1. Bediening van het voertuig
  2. Toepassen verkeersregels
  3. Kijktechniek
  4. Defensief, sociaal en ecologisch rijgedrag

De rubrieken worden beoordeeld op basis van de beoordelingsaspecten. De elementen die verkregen worden door de rubrieken en de beoordelingsaspecten te combineren, worden beoordeeld met ″goed″, ″te verbeteren″ of ″niet-verworven″.

De kandidaat wordt uitgesteld als:

  • een element beoordeeld wordt met ″niet-verworven″;
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de kandidaat of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

C. Risicoperceptietest (enkel voor de categorie B)

De proef wordt op de volgende manier beoordeeld:

De kandidaten voor het rijbewijs slagen voor de test als ze minstens 60 % van het totaal van de punten vereist voor deze proef behalen.

D. Test over de technische rijvaardigheden.

De proef wordt volgens de volgende rubrieken en beoordelingsaspecten beoordeeld:

Rubriek:

  1. Wegrijden
  2. Rechte wegen
  3. Bochten
  4. Kruispunten en rotondes
  5. Veranderen richting en rijstrook
  6. Invoegen en uitvoegen
  7. Inhalen en kruisen
  8. Zwakke weggebruikers
  9. Voorafgaande controles
  10. Maneuvers

Beoordelingsaspecten:

  1. Bediening van het voertuig
  2. Toepassen verkeersregels
  3. Kijktechniek

De rubrieken worden beoordeeld op basis van de beoordelingsaspecten. De elementen die verkregen worden door

de rubrieken en de beoordelingsaspecten te combineren, worden beoordeeld met ″goed″, ″te verbeteren″ of ″niet-verworven″.

De kandidaat wordt uitgesteld als:

  • een element beoordeeld wordt met ″niet-verworven″;
  • rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de kandidaat of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.

Bijlage 5/1.

Elke opleiding zal een belangrijk deel moeten wijden aan de verkeersveiligheid en aan de specifieke veiligheid van de (toekomstige) motorrijder. In geval van een opleiding met rechtstreekse toegang moet de opleiding ten minste de volgende documenten en informatie omvatten:

1° Een opleidingsfiche voor elke stap in de opleiding. Deze opleidingsfiche wordt bij het begin van de opleiding aan de leerling overhandigd en omvat ten minste:

a. een inleidende paragraaf waarin wordt uitgelegd wat het rijden op twee wielen inhoudt voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Ook moet er op worden gewezen dat de opleiding niet enkel om de verwerving van technieken draait, maar dat men zich ook vaardigheden evenals een verantwoordelijk gedrag en houding moet eigen maken;

b. de verschillende te onderwijzen onderwerpen: technieken, vaardigheden, gedragingen, houding, beoordeling, zelfbeoordeling;

c. de belangrijkste lessen die tijdens elke stap in de opleiding moeten worden verworven (technieken, vaardigheden, gedragingen,...) met betrekking tot het punt b;

d. de resultaten die men via deze verworvenheden beoogt te bereiken en dit zowel op technisch als op vaardigheidsniveau, en vooral op het vlak van gedrag en houding;

e. een beoordeling van elke verworvenheid: zelfbeoordeling door de leerling en beoordeling door de instructeur;

f. een beoordeling van de verworvenheden na elke stap van de opleiding (zelfbeoordeling door de leerling en beoordeling door de instructeur);

g. een eindbeoordeling van de kwaliteit van de opleiding zowel op het vlak van de kwaliteit van de verworvenheden als op het gebied van de kwaliteit van de opleiding zelf (beoordeling voor de leerling en beoordeling voor de instructeur).

2° De te onderrichten onderwerpen (in verband met 1°, b, c en d) moeten tenminste de volgende zijn:

a. Theoretische kennis:

1. verkeersreglement specifiek voor de motorrijder;
2. bewustwording van de kwetsbaarheid van de motorrijder in alle omstandigheden;
3. adequate uitrusting en het correct gebruik ervan;
4. bewustwording van de uitwerking van het motorrijden op de eigen levensstijl: houding ten aanzien van alcohol, drugs, de peer pressure, de stressbestendigheid, etc.;
5. kennis over en bijzonderheden van andere voertuigen: dode hoek, remvermogen, ontwijkvermogen, etc.

b. Kennis en beheersing van het voertuig in stilstand of bij lage snelheid (< 5 km/u.)

1. praktische kennis van de verschillende onderdelen van een motorfiets (bediening, onderhoud, slijtage,...);
2. evenwicht, inertiebeginsel (gewicht), gebruik van de steunvoet, rechtop zetten van de motorfiets, houding op het voertuig bij stilstand, kijktechniek,...;
3. de motorfiets verplaatsen zonder gebruik van de motor;
4. starten - stoppen (houding met 1 of 2 voeten aan de grond);
5. schakelen naar eerste, beheersing van de ontkoppeling, van de gashendel, terugkeren naar de neutraalstand,...;
6. waarneming van de ruimte, kijktechniek, rechtsomkeer, slalom,...;
7. bewustwording van de risico's, zelfs bij lage snelheid.

c. Beheersing van het voertuig bij lage snelheid (< 30 km/u.):

1. onderwerpen gezien in punt b en aangepast in verhouding tot de snelheid;
2. schakelen met betrekking tot de snelheid;
3. bocht, slalom, rechtsomkeer maken, in cirkels rijden,...;
4. versnellen, remmen, vertragen, (remmen op de motor - met de remmen);
5. evenwicht, houding op het voertuig, kijktechniek, heuppositie (gevolg);
6. verschillende manieren van starten (in een afdaling, op een helling, soort wegdek, weersomstandigheden,...);
7. verbanden tussen de opleiding en de risico's die men loopt;
8. vermogen om de verworvenheden te beoordelen: sterke en zwakke punten.

d. Beheersing van het voertuig bij stadssnelheid (30-70 km/u.):

1. onderwerpen behandeld in punt c maar aangepast in verhouding tot de snelheid;
2. remmen: vooraan -achteraan (beide), precisieremming, noodstop,...;
3. beginselen met betrekking tot de invoeging in het verkeer, gedrag in het verkeer,...;
4. beginsel van het inhalen;
5. beginsel van het inhalen van een file;
6. bewustwording van het belang van de verworvenheden voor de eigen veiligheid;
7. beheersing en zelfbeoordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie.

e. Voertuigbeheersing in een situatie met stadsverkeer en/of een drukke verkeerssituatie:

1. onderwerpen behandeld in de voorgaande punten maar aangepast in verhouding tot de situatie;
2. invoeging in het verkeer, gedrag in het verkeer, stressbeheersing,...;
3. plaats in het verkeer, beoordeling - kunnen omgaan met het verkeer en het onder de knie hebben van het verkeersreglement;
4. herkenning van potentiële risico's, van reële risico's;
5. inhalen - zich laten inhalen, kruisen van andere voertuigen, voorbijrijden van hindernissen,...;
6. omgaan met de verkeersinfrastructuur (verplichte rijrichting, kruispunten, verkeersdrempels, rails, wegmarkeringen,...);
7. omgaan met de verschillende soorten wegen: recht, bochtig, onoverzichtelijk (palen, bomen, andere voertuigen,...), smal,...;
8. veiligheidsafstand, remmen in het verkeer, veranderen van rijstrook, veranderen van richting,...;
9. inhalen van files;
10. waarneming van andere voertuigen en weggebruikers: zien van en gezien worden door de andere weggebruikers;
11. beheersing en zelfbeoordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie;
12. bewustzijn van de eigen "kwetsbaarheid" als bestuurder van een tweewieler (en aanpassing van het eigen gedrag in voorkomend geval).

f. Beheersing van het voertuig bij hoge snelheden (en in situaties) op de weg en de autosnelweg (van 70 km/u. tot 120 km/u.):

1. punten gezien in de vorige punten en aangepast aan de snelheid en aan de situatie;
2. bochten (tegensturen, af te leggen parcours,...);
3. rijden op (en omgaan met) de verschillende soorten wegen en met verschillende weersomstandigheden;
4. op- en afrijden van de autosnelweg, snelle rijstrook,...;
5. plaats op de openbare weg: weg, autosnelweg, stadsomgeving, in groep,...;
6. het eigen gedrag kunnen aanpassen naargelang van het soort weg, de situatie (verkeersdrukte, weersomstandigheden, verkeersinfrastructuur, het alleen of in groep rijden);
7. rijtechnieken aangepast aan de verkeersdoorstroming en aan het soort verkeer;
8. rijtechnieken aangepast aan de weersomstandigheden, de infrastructuur.

g. Tijdens alle stappen van het leerproces:

1. belang van het gedrag op de weg rekening houdend met de gevaren die inherent zijn aan de motorfiets;
2. waarneming van/door de andere weggebruikers;
3. inlevingsvermogen ten aanzien van de andere weggebruikers. Anticiperen op het gedrag (proactiviteit) van de andere weggebruikers;
4. anticiperen op risico's, gepast reageren naargelang de situatie;
5. permanente zelfbeoordeling van de eigen vaardigheden en het eigen gedrag, zich volop bewust zijn van het belang van het eigen gedrag voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Zich volop bewust zijn van de impact van de eigen handelingen.

Bijlage 5/2.

Een groot deel van elke opleiding moet aan de verkeersveiligheid en aan de eigen veiligheid van de (toekomstige) bromfietser worden besteed. De opleiding voor een voertuig van de categorie AM moet ten minste de volgende documenten en informatie bevatten:

1° Een opleidingsfiche, die bij het begin van de opleiding aan de leerling wordt overhandigd en die ten minste het volgende moet bevatten:

a. een inleidende alinea die uitlegt wat het rijden met een tweewieler voor de eigen veiligheid en voor de veiligheid van de andere weggebruikers inhoudt. De rijopleiding is niet uitsluitend gericht op de verwerving van technieken, maar ook op het zich eigen maken van vaardigheden, houdingen en een verantwoordelijk gedrag;

b. de verschillende te onderrichten materies en de bedoelde opleiding: technieken, vaardigheden, gedrag, houding, evaluatie en zelfbeoordeling;

c. de beoogde resultaten van de verworvenheden, zowel op technisch vlak als op het vlak van de vaardigheden en vooral op het vlak van het gedrag en de houding;

d. een evaluatie van de verworvenheden op het einde van een opleidingsmodule: zelfbeoordeling door de leerling en beoordeling door de opleider alsook een evaluatie van de kwaliteit van de opleiding.

2° De te onderrichten leerstof (in verband met 1°) moet tenminste de volgende materies bevatten:

a. Theoretische kennis:

1. herhaling van de verkeersreglementbepalingen die op tweewielers van toepassing zijn;
2. bewustwording van de kwetsbaarheid van het rijden met een bromfiets in alle omstandigheden;
3. kennis van de basismechanica;
4. correct gebruik van de geschikte uitrusting, boorddocumenten;
5. zich bewust worden van de impact van de levensstijl (alcohol-, druggebruik, invloed van derden, stress, enz.) op het rijgedrag;
6. kennis en kenmerken van de andere voertuigen: dode hoek, remcapaciteit, ontwijkingscapaciteit, enz.

b. Kennis en beheersing van het voertuig in stilstand of bij lage snelheid (< 5 km/u.):

1. praktische kennis van de verschillende elementen van de bromfiets (bedieningsorganen, onderhoud, slijtage,...);
2. evenwicht, inertiebeginsel (gewicht), houding op het stilstaande voertuig, kijktechniek,...;
3. de bromfiets verplaatsen zonder gebruik van de motor;
4. starten - stoppen, gashendel en remmen bedienen;
5. waarneming van de ruimte, kijktechniek, rechtsomkeer, slalom,...;
6. bewustwording van de risico's zelfs bij lage snelheid.

c. Beheersing van het voertuig bij lage snelheid (< 25 km/u.):

1. onderwerpen gezien in punt "b" en aangepast in verhouding tot de snelheid;
2. bocht, slalom, rechtsomkeer maken, in cirkels rijden, benadering van een ontwijkingsmanoeuver,...;
3. starten, versnellen, remmen, vertragen, (remmen op de motor - met de remmen), stilstaan;
4. evenwicht, houding op het voertuig, kijktechniek;
5. zijn snelheid kunnen aanpassen in verhouding tot de situatie;
6. zich bewust zijn van de dode hoek, van de juiste positie in het verkeer, gebruik van de achteruitkijkspiegels,...

d. Voertuigbeheersing in een verkeerssituatie (op de weg, in de stad en/of in een druk verkeer):

1. onderwerpen gezien in punt "c" maar aangepast in verhouding tot de situatie en de snelheid;
2. beginselen met betrekking tot de invoeging in het verkeer, gedrag in het verkeer, beheer van het verkeer, van de stress, van het verkeersreglement, van de infrastructuur (rotondes, kruispunten, verkeersdrempels, rails, wegmarkeringen,...);
3. herkenning van potentiële risico's, van reële risico's. Inhalen - zich laten inhalen; kruisen van andere voertuigen, voorbijrijden van hindernissen, veiligheidsafstanden (zijdelingse afstand inbegrepen),...;
4. beginsel van het inhalen van een file (bij het naderen van een kruispunt). Stoppen, starten, plaats in de verkeersstroom;
5. veiligheidsafstand, remmen in het verkeer, veranderen van rijstrook, veranderen van richting,...;
6. beheersing en zelfbeoordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie, de infrastructuur (rotondes, bewegwijzering, kruispunten, rails,...);
7. waarneming van andere voertuigen en weggebruikers: zien van en gezien worden door de andere weggebruikers. Beheersing en zelfbe-oordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie;
8. bewustzijn van de eigen "kwetsbaarheid" als bestuurder van een tweewieler (en aanpassing van het eigen gedrag in voorkomend geval);
9. omgaan met de verschillende soorten wegen: recht, bochtig, onoverzichtelijk (palen, bomen, andere voertuigen,...), smal, glad,...

e. Tijdens alle stappen van het leerproces:

1. belang van het gedrag op de weg rekening houdend met de gevaren eigen aan de bromfiets;
2. waarneming van/door de andere weggebruikers;
3. inlevingsvermogen ten aanzien van de andere weggebruikers. Anticiperen op het gedrag (proactiviteit) van de andere weggebruikers;
4. evaluatie van/anticiperen op de toestand, de risico's. Gepast reageren in verhouding tot de situatie;
5. bewustwording van het belang van de verworvenheden voor de eigen veiligheid;
6. permanente zelfbeoordeling van de eigen vaardigheden en het eigen gedrag, zich volop bewust zijn van het belang van het eigen gedrag voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Zich volop bewust zijn van de impact van de eigen handelingen.

Bijlage 6. — Minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig

I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen

1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :

1° «kandidaat» : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;

2° «kandidaat van groep 1» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E of G;

3° «kandidaat van groep 2» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.

3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.

De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.

4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.

II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid

| Neurologische aandoeningen | Geestelijke aandoeningen | Epilepsie | Pathologische somnolentie | Locomotorische aandoeningen | Aandoeningen van hart en bloedvaten | Diabetes mellitus | Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem |

1. Neurologische aandoeningen

1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

1.1.1. Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen, wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.

1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur.

1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze leeftijd.

1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.

1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen, een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maand vrij is van genoemde stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.

2. Geestelijke aandoeningen

2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.

2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan rijgeschikt worden verklaard.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.

2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het gemengd type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen nadelig beïnvloedt.

2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig erslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.

3. Epilepsie

3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.

Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria vermeld in deze bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

3.2.1. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.

3.2.2. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden, rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram geen epileptiforme tekens vertoont en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie.

3.2.3. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram verricht na de periode van provocatie geen epileptiforme tekens vertoont en een uitgebreid specialistisch onderzoek niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria voorzien in punt IV. « Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen ».

3.2.4. De kandidaat met epilepsie kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens één jaar.

3.2.5. De kandidaat, met een tevoren stabiele situatie, die een epileptische aanval heeft vertoond ten gevolge van het afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti-epileptica, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval indien de vorige behandeling wordt hervat. Indien er een andere behandeling wordt gestart, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden 6 maand na de laatste aanval. De geneesheer licht de kandidaat in over de mogelijke risico's bij het afbouwen of veranderen van de medicatie.

3.2.6. De kandidaat die uitsluitend aanvallen van epilepsie vertoont die geen invloed hebben op het bewustzijn en die geen aanleiding geven tot enig andere beperking met betrekking tot een veilige verkeersdeelname, en die in de anamnese vrij is van andere epilepsie-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard wanneer deze toestand tenminste één jaar bestaat.

3.2.7. De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend aanvallen van epilepsie heeft gehad tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden verklaard.

3.2.8. De kandidaat met epilepsie die hiervoor curatieve cerebrale chirurgie heeft ondergaan, kan na een periode zonder aanvallen van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien de aandoening of de ingreep een invloed heeft of heeft gehad op de motorische controle, het gedrag, het oordeels-, aanpassing-, waarneming- en perceptievermogen, zijn de bepalingen voorzien in punt II. 1. « Neurologische aandoeningen » van toepassing.

3.2.9. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest of voor de verlenging van de geldigheidsduur zijn dat de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, blijk geeft van een strikte therapietrouw en de voorgeschreven medicamenteuze anti-epileptische behandeling nauwgezet volgt. Een uitgebreid neurologisch onderzoek laat tot een stabilisatie van de toestand besluiten. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist.

3.2.10. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot één jaar. Indien de kandidaat in deze periode vrij van aanvallen is gebleven kan de geldigheidsduur worden verlengd tot maximaal vijf jaar na de laatste aanval. Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan een rijgeschiktheidsattest zonder beperking in de geldigheidsduur worden afgeleverd.

Voor de kandidaten vermeld onder 3.2.6 en 3.2.7 wordt een rijgeschiktheidsattest met een geldigheidsduur van één jaar, jaarlijks verlengbaar, afgeleverd. Voor deze kandidaten kan een rijgeschiktheidsattest met een onbeperkte geldigheidsduur afgeleverd worden na vier opeenvolgende verlengingen.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.

3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.

3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook. Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.

3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.

3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.

Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.

4. Pathologische somnolentie

4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.

4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes maanden na het uitblijven van deze bewustzijns-stoornissen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.

4.1.4. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën, en is er adequate medische opvolging en therapietrouw, dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur worden afgeleverd.

4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.

4.2.2. De kandidaat met een matig of ernstigslaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag, adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen en is er adequate medische opvolging en therapietrouw, dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.

5. Locomotorische aandoeningen

5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.

5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen, die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie.

De geneesheer houdt rekening met de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.

5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën waarvoor hij een rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.

5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld op het attest van rijgeschiktheid.

“Aanpassingen” zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig veilig kan worden bestuurd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.

De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.

Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de rijbewijscategorie, het type van voertuig, de gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.

5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.

6. Aandoeningen van hart en bloedvaten

6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.

6.1.3. De kandidaat, die ernstige klachten vertoont (NYHA klasse 4) ten gevolge van chronisch hartfalen, kransvatlijden, cardiomyopathie, een aangeboren of verworven klepafwijking al dan niet met een prothese, een aangeboren (of verworven) gebrek van het hart of de grote vaten, is niet rijgeschikt.

6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.2.1. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.

6.2.2. De kandidaat met klachten bij enkel zware fysieke inspanningen ten gevolge van chronisch hartfalen (NYHA klasse 1 en 2), cardiomyopathie, aangeboren of verworven gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

6.2.3. De kandidaat met inspanningsklachten bij gewone fysieke inspanning of rust (NYHA klasse 3 en 4) is niet rijgeschikt.

6.3. Ritme en geleiding

6.3.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet-gecorrigeerde en niet gecontroleerde stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.

6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.

Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal drie jaar bedragen.

6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

6.3.1.4.1. De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.2. De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.3. Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat, levert het rijgeschiktheidsattest af.

6.3.1.4.4. De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.

6.3.1.4.5. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn :

a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;

b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;

c) blijk geven van een strikte therapietrouw;

d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.

6.3.1.4.6. Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.

6.3.1.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt. Ingeval van een ingeplante automatische defibrillator, zijn de bepalingen onder punt 6.3.1.4. van toepassing.

6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.

6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.

Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.

6.3.2.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt.

6.3.2.6. De kandidaat die lijdt aan bradyaritmie ten gevolge van sinus-knooppuntziekte, met risico op plotse bewustzijnsstoornissen, is niet rijgeschikt.

6.3.2.7. De kandidaat die lijdt aan verstoring van de geleiding met tweedegraads Atrioventriculair blok (Mobitz II), derdegraads Atrioventriculair blok of wisselende bundeltakblok is niet rijgeschikt.

6.3.2.8. De kandidaat die lijdt aan tachyaritmie met nietaanhoudende polymorfe ventriculaire tachycardie, aanhoudende ventriculaire tachycardie of met een indicatie voor een defibrillator is niet rijgeschikt.

6.3.2.9. De kandidaten bedoeld in de punten 6.3.2.6. tot 6.3.2.8. kunnen, na adequate behandeling, rijgeschikt verklaard worden door een cardioloog. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

6.4. Bloeddruk

De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de invloed ervan op de rijgeschiktheid.Er moet eveneens rekening gehouden worden met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op het bewustzijn van de kandidaat. De kandidaat met ongecontroleerde maligne hypertensie of symptomatische ernstige hypertensie is niet rijgeschikt.

6.5. Coronair stelsel, vaatstelsel en myocard

6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

6.5.1.2. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris, bvb. na coronaire bypasschirurgie of CPI. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.1.3. De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.

6.5.1.4. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.

6.5.1.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta een aanzienlijk risico inhoudt op plotselinge breuk en plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.

6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct en hartfalen is niet rijgeschikt.

6.5.2.3. Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.2.4. De kandidaat met kritische stenose van de carotis is niet rijgeschikt.

6.5.2.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta groter is dan 5,5 cm, is niet rijgeschikt.

6.5.2.6. De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.

6.6. Hartfalen

6.6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1

6.6.1.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie kan rijgeschikt bevonden worden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van het hulpmiddel en de behandeling van de kandidaat.

6.6.1.2. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn:

a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;
b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;
c) blijk geven van een strikte therapietrouw;
d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.

Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.

6.6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.6.2.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie is niet rijgeschikt.

7. Diabetes mellitus

7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.

Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.

7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.

7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.

De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.

7.4. Normen voor de kandidaten van groep 1

7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet en/of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie, wendt zich tot een arts, die zijn rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaalt.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.

7.4.2. De rijgeschiktheid van een kandidaat die 3 of meer insuline-inspuitingen per dag of een behandeling met een insulinepomp toegediend krijgt, wordt bepaald door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.

7.4.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status « recurrentie », met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

7.4.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.

7.4.5. Bij elke verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid legt de arts de kandidaat uit welke tekens op hypoglykemie wijzen en hoe hij deze toestand kan voorkomen.

Wanneer de resultaten van de bloedsuikerspiegelmetingen beschikbaar zijn, evalueert de arts ze en bespreekt hij ze met de kandidaat.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.

7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2

7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van de arts is vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status « recurrentie », met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.

7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.

De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.

8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem

8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.

8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1,verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.

8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoaccusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.

III. Normen betreffende de visuele functies

| Algemene bepalingen | Gezichtsscherpte | Het gezichtsveld | Zicht bij schemerlicht |

1. Algemene bepalingen

1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.

1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.

1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.

1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.

2. Gezichtsscherpte

2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de oogarts.

2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.

2.3. Normen voor de kandidaten van groep 1

2.3.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.

2.3.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte, in uitzonderlijke gevallen rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer, van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij, indien nodig met optische correctie, een gezichtsscherpte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat. Dit verslag moet onder meer aantonen dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.

2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.

3. Het gezichtsveld

3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.

3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1

3.2.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.

3.2.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld, in uitzonderlijke gevallen, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat, met vermelding van de oorzaak, prognose, stabiliteit en adaptatie. Uit het verslag moet ook blijken dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.

3.2.3. Als de kandidaat slechts één oog functioneel gebruikt, gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren. De kandidaat kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.

3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.

4. Zicht bij schemerlicht

Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.

De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.

Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.

IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen

1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen

1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.

1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.

Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.

1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.

1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

2. Alcohol

2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.

2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen

1. Normen voor de kandidaten van groep 1

1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal twee jaar.

2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.

VI. Implantaten

De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.

VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1
VIII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts
IX. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
X. Oogonderzoek – kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
XI. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2
XII (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1
XII (Vlaams Gewest). Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum, vermeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1
XII (Waals Gewest). Rijgeschiktheidsattest voor het rijbewijs van groep 1 afgeleverd door de geneesheer van het centrum verantwoordelijk voor de beoordeling van de rijgeschiktheid

Bijlage 7. — Codes

I. GEHARMONISEERDE CODES VAN DE EUROPESE UNIE

BESTUURDER (medische redenen)

01. Correctie en/of bescherming van het gezichtsvermogen

01.01. Bril

01.02. Contactlenzen

01.05. Ooglap

01.06. Bril of contactlenzen

01.07. Specifiek gezichtshulpmiddel

02. Gehoorprothese/hulp communicatie

03. Prothese/orthese van de ledematen

03.01. Prothese/orthese arm

03.02. Prothese/orthese been

AANPASSINGEN VOERTUIG

10. Aangepaste versnellingsbak

10.02. Automatische keuze van de versnelling

10.04. Aangepaste bediening van de versnellingsbak

15. Aangepaste koppeling

15.01. Aangepast koppelingspedaal

15.02. Handmatig bediende koppeling

15.03. Automatische koppeling

15.04. Maatregel om blokkering of activering van het koppelingspedaal te voorkomen

20. Aangepaste remsystemen

20.01. Aangepast rempedaal

20.03. Rempedaal geschikt voor bediening met linkervoet

20.04. Schuifrempedaal

20.05. Kantelbaar rempedaal

20.06. Handbediende rem

20.07. Remmen met een maximale bedieningskracht van ... N(*) [bijvoorbeeld : “20.07(300N)”]

20.09. Aangepaste parkeerrem

20.12. Maatregel om blokkering of activering van het rempedaal te voorkomen

20.13. Knierem

20.14. Rembediening ondersteund door externe kracht

25. Aangepast acceleratiesysteem

25.01. Aangepast gaspedaal

25.03. Kantelbaar gaspedaal

25.04. Handmatig gas geven

25.05. Gas geven met knie

25.06. Gas geven ondersteund door externe kracht

25.08. Gaspedaal aan linkerkant

25.09. Maatregel om blokkering of activering van gaspedaal te voorkomen

31. Aangepaste pedalen en pedaalbescherming

31.01. Extra parallelpedalen

31.02. Pedalen op (nagenoeg) gelijke hoogte

31.03. Maatregel om blokkering of bediening van gas- en rempedalen te voorkomen als de pedalen niet met de voet worden bediend

31.04. Vloerverhoging

32. Gecombineerde bedrijfsrem- en acceleratiesystemen

32.01. Gecombineerd, met één hand bediend bedrijfsrem- en acceleratiesysteem

32.02. Gecombineerd, met externe kracht bediend bedrijfsrem- en acceleratiesysteem

33. Gecombineerde bedrijfsrem-, acceleratie- en besturingssystemen

33.01. Gecombineerd acceleratie-, bedrijfsrem- en besturingssysteem bediend door externe kracht met één hand

33.02. Gecombineerd acceleratie-, bedrijfsrem- en besturingssysteem bediend door externe kracht met twee handen

35. Aangepaste bedieningsorganen (verlichting, ruitenwisser, ruitensproeier, claxon, richtingaanwijzers enz.)

35.02. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur los te laten

35.03. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur met de linkerhand los te laten

35.04. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur met de rechterhand los te laten

35.05. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en de acceleratie- en remmechanismen los te laten

40. Aangepaste stuurinrichting

40.01. Stuurinrichting met een maximale bedieningskracht van ... N(*) [bijvoorbeeld „40.01(140N)”]

40.05. Aangepast stuurwiel (groter en/of dikker stuurwiel, kleinere diameter stuurwiel enz.)

40.06. Aangepaste stand van het stuurwiel

40.09. Voetbediend stuur

40.11. Hulpmiddel op stuurwiel

40.14. Aangepaste alternatieve stuurinrichting voor bediening met één hand/arm

40.15. Aangepaste alternatieve stuurinrichting voor bediening met twee handen/armen

42. Aangepaste hulpmiddelen voor zicht naar achteren/opzij

42.01. Aangepast hulpmiddel voor zicht naar achteren

42.03. Extra hulpmiddel in het voertuig voor zijdelings zicht

42.05. Hulpmiddel tegen dode hoek

43. Bestuurdersstoel

43.01. Bestuurdersstoel op normale kijkhoogte en op normale afstand van het stuurwiel en de pedalen

43.02. Bestuurdersstoel aangepast aan lichaamsvorm

43.03. Bestuurdersstoel met zijsteun voor goede stabiliteit

43.04. Bestuurdersstoel met armleuning

43.06. Aangepaste veiligheidsgordel

43.07. Veiligheidsgordel met steun voor goede stabiliteit

44. Aanpassingen van het motorrijwiel (vermelding subcode verplicht)

44.01. Eén remelement voor alle remhandelingen

44.02. Aangepaste voorrem

44.03. Aangepaste achterrrem

44.04. Aangepaste gashendel

44.08. Zithoogte waarbij de bestuurder in zittende positie beide voeten tegelijk op de grond kan plaatsen en het motorrijwiel in evenwicht kan houden tijdens stoppen en stilstaan

44.09. Maximale bedieningskracht van de voorrem ... N(*) [bijvoorbeeld “44.09(140N)”]

44.10. Maximale bedieningskracht van de achterrem ... N(*) [bijvoorbeeld “44.10(240N)”]

44.11. Aangepaste voetsteun

44.12. Aangepaste handgreep

45. Motorrijwiel uitsluitend met zijspan

46. Alleen driewielers

47. Alleen voertuigen met meer dan twee wielen die tijdens het starten, stoppen en stilstaan niet door de bestuurder in evenwicht moeten worden gehouden

50. Alleen het voertuig met chassisnummer (voertuigidentificatienummer, VIN)

Letters gebruikt in combinatie met codes 01 tot en met 44 voor nadere specificatie :

  1. links
  2. rechts
  3. hand
  4. voet
  5. midden
  6. arm
  7. duim

(*) In de codes 20.07, 40.01, 44.09 en 44.10, betekent « kracht » de kracht waarmee de bestuurder het systeem kan bedienen

CODES VOOR BEPERKT GEBRUIK

61. Alleen rijden bij daglicht (bijvoorbeeld : één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang)

62. Alleen rijden binnen een straal van ... km vanaf de woonplaats van de rijbewijshouder of alleen binnen de stad/regio

63. Alleen rijden zonder passagiers

64. Rijden met maximale snelheid van ... km per uur

65. Rijden alleen toegestaan in gezelschap van een andere houder van een rijbewijs van op zijn minst dezelfde categorie

66. Rijden zonder aanhangwagen

67. Rijden op snelweg niet toegestaan

68. Alcohol niet toegestaan

69. Alleen rijden met voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot overeenkomstig EN 50436. De opgave van een einddatum is facultatief [bijvoorbeeld “69” of “69 (01.01.2016)”]

ADMINISTRATIEVE VERMELDINGEN

70. Ingewisseld voor rijbewijs nr. ... afgegeven door ... (voor een derde land : EU/VN-symbool, bijvoorbeeld “70.0123456789.NL”)

71. Duplicaat van rijbewijs nr. ... (voor een derde land : EU/VNsymbool, bijvoorbeeld “71.987654321.HR”)

73. Alleen vierwielige motorvoertuigen van categorie B (B1)

78. Alleen voertuigen met automatische schakeling

79. [...] Alleen voertuigen conform de specificaties tussen haken, in het kader van de toepassing van artikel 13 van de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs.

79.01. Alleen tweewielige voertuigen met of zonder zijspan

79.02. Alleen driewielige of lichte vierwielige voertuigen van de categorie AM

79.03. Alleen driewielers

79.04. Alleen driewielers met een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg

79.05. Motorrijwielen van categorie A1 met een verhouding vermogen/gewicht van meer dan 0,1 kW/kg

79.06. Voertuigen van categorie BE met een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa groter is dan 3 500 kg

80. Alleen voor houders van een rijbewijs voor driewielige motorrijwielen van categorie A die jonger zijn dan 24 jaar

81. Alleen voor houders van een rijbewijs voor tweewielige motorrijwielen van categorie A die jonger zijn dan 21 jaar

95. Bestuurder, houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid, die voldoet aan de vakbekwaamheidsvereisten van richtlijn 2003/59/EG tot ... [bijvoorbeeld “95(01.01.12)”]

96. Voertuigen van categorie B met een aanhangwagen met een toegestane maximale massa van meer dan 750 kg, waarbij de toegestane maximale massa van het samenstel hoger ligt dan 3 500 kg, maar ten hoogste 4 250 kg bedraagt

97. Geen toestemming voor het besturen van een voertuig van categorie C1 dat onder verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer valt

II. NATIONALE CODES

110. met stimulator in werking

111. met uitgeschakelde stimulator

113. met uitsluiting van besturen van prioritaire voertuigen

121. beperkt tot vervoer binnen het Rijk en desgevallend geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 km bedraagt, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C1, C+E, C1+E, D, D1, D+E, D1+E

200. niet geldig van vrijdag om 20 uur tot zondag 20 uur en van 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur op die feestdag

205. alleen voertuigen van categorie G met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 20 000 kg tot 18 jaar

372. mag voertuigen van categorie A1 besturen

373. mag driewielers van categorie A besturen

Bijlage 8. — Machtiging tot sturen

Formaat : A 5 (150 x 210)

Bijlage 9. — Rijbewijs

Rijbewijs
Formaat (ontvouwd document) : 105/222 mm - Roze - Zwarte druk
Buitenzijde.

Rijbewijs
Formaat (ontvouwd document) : 105/222 mm - Roze - Zwarte druk
Binnenzijde.

Bijlage 10. — Rijbewijs

Rijbewijs
Formaat ontvouwd document 106/222 mm - Roze - Zwarte druk
Buitenzijde.

Rijbewijs
Formaat ontvouwd document 106/222 mm - Roze - Zwarte druk
Binnenzijde.

Bijlage 11. — Bewijs van geneeskundige schifting (opgeheven)

Bijlage 12. — Rijgetuigschrift voor landbouwtractor

Formaat ontvouwd document : 195/230 mm - groen - zwarte druk

Bijlage 13. — Technische uitrusting

Elke vestiging waar onderzoeken plaatsvinden is gelegen op hoogstens 15 minuten wandelafstand van een halte van geregeld openbaar vervoer.

De vestiging omvat minstens een onthaalruimte, een gedeelte voor het administratief beheer, een lokaal waar de onderzoeken plaats- vinden en een sanitaire inrichting.

De vestiging kan niet in een woonruimte worden ingericht.

De lokalen zijn proper en hygiënisch.

De onthaalruimte, de sanitaire inrichting en de lokalen waar de medische en psychologische onderzoeken plaatsvinden zijn zodanig van elkaar gescheiden en het administratief beheer wordt zodanig georganiseerd dat de privacy van de vervallenverklaarde gewaarborgd wordt. Het lokaal voor de medische enerzijds en de psychologische onderzoeken anderzijds hoeven zich niet noodzakelijk in hetzelfde gebouw te bevinden.

In geval de instelling psychologische proeven met de computer organiseert, mogen deze proeven plaatsvinden in een computerlokaal dat plaats biedt aan meerdere personen. Het invullen van de vragenlijsten mag eveneens gebeuren in een lokaal dat plaats biedt aan meerdere personen.

Voor kandidaten die niet in staat zijn de proeven op computer af te leggen moeten er « pen & papier »-versies voorzien zijn.

Bijlage 14. — Inhoud en methode

A. Inhoud en methode van de psychologische onderzoeken

In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :

  1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs ?
  2. Zijn er aanwijzingen van misbruik of afhankelijkheid van deze middelen ?
  3. Wat is de aard en ernst van de problematiek (o.a. hoeveelheid en frequentie van het gebruik; weerslag op de verschillende levensdomeinen) ?
  4. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op politoxicomanie ?
  5. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van misbruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, hierna middelenmisbruik genoemd ?
  6. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische co-morbiditeit, persoonlijkheidsstoornissen, of aanpassingsproblemen gerelateerd aan het middelenmisbruik, die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig ?
  7. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag ?
  8. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen ?
  9. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive ?

In geval van een overtreding inzake onaangepast rijgedrag moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :

  1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs ?
  2. Is er een indicatie van psychiatrische aandoeningen, persoonlijkheidsstoornissen, of gedragsproblemen die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig ?
  3. Wat is de aard en ernst van de problematiek ?
  4. Zijn er aanwijzingen van een middelenmisbruik ?
  5. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive ?
  6. In geval van een middelenproblematiek, worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op polytoxicomanie ?
  7. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van middelenmisbruik ?
  8. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag ?
  9. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen ?

In geval van een verval op medische gronden :

  1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs ?
  2. Is er sprake van belangrijke afwijkingen in gedragingen, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen, coördinatiestoornis ten gevolge van een aangeboren of verworven stoornis of ten gevolge van een verouderingsproces ?

De informatie wordt verzameld door middel van de volgende instrumenten :

  1. Vragenlijst of zelfbeoordelingsschaal naar middelenmisbruik en gebruik legale medicatie;
  2. Persoonlijkheidsvragenlijsten;
  3. Psychologische testbatterij voor onderzoek van volgende functies :
    i. aandacht & concentratie;
    ii. geheugen;
    iii. snelheid van verwerking van informatie;
    iv. executieve functies zoals plannen en organiseren van gedrag, probleemoplossend vermogen en werkgeheugen;
  4. Semi-gestructureerd interview dat peilt naar de volgende mogelijke probleemgebieden :
    i. Medisch;
    ii. Professioneel;
    iii. Middelenmisbruik;
    iv. Juridisch;
    v. Familiaal;
    vi. Sociaal;
    vii. Psychologisch.

Minstens de volgende risicofactoren worden onderzocht met gevalideerde psychometrische instrumenten :

  • Impulsiviteit;
  • Lage frustratietolerantie;
  • Gebrekkige woedebeheersing;
  • Gebrekkige copingstrategieën;
  • Sensation-seeking gedrag;
  • Antisociale kenmerken;
  • Negatieve omgevingsfactoren zoals slechte huisvesting, weinig scholing, slecht betaalde job, negatieve familiegeschiedenis...;
  • Beperkt en weinig ondersteunend sociaal netwerk;
  • Voorgeschiedenis van inbreuken of geweld;
  • Beperkte sociale en intellectuele vaardigheden;
  • Indicatie van psychiatrische aandoeningen (inclusief middelenmisbruik) of persoonlijkheidsstoornissen.

De aangewende onderzoeksinstrumenten beschikken over aangetoonde psychometrische kwaliteiten zoals validiteit, betrouwbaarheid, sensitiviteit en specificiteit.

De psycholoog neemt de beslissing met betrekking tot de psychologische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden of ongeschikt. Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan wordt de eindbeslissing door de arts genomen overeenkomstig punt C van deze bijlage.

B. Inhoud en methode van de medische onderzoeken

Het medisch onderzoek bestaat uit minstens de volgende elementen :

  1. Grondige medische anamnese met aandacht voor gebruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, comorbiditeit en polydruggebruik;
  2. Kennisname van relevante medische informatie van de kandidaat betreffende aandoeningen zoals beschreven in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
  3. Uitvoeren van een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden;
  4. Verwijzing naar gespecialiseerde artsen of medische diensten, zo vereist, conform bijlage 6 voor het ontvangen van het bewuste medische advies per type van aandoening;
  5. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol of psychotrope stoffen :

a. Nagaan van de indicatoren voor misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen;

b. Screening naar misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol.

De arts neemt de eindbeslissing met betrekking tot de medische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden, ongeschikt.

Indien de arts dit noodzakelijk acht wordt de medische geschiktheid afhankelijk gesteld van het ondergaan van een bloedanalyse in geval van alcoholovertreding en een haaranalyse in geval van een overtreding inzake psychotrope middelen.

C. Medische en psychologische onderzoeken

Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan nemen de arts en de psycholoog pas een beslissing nadat ze kennis hebben genomen van elkaars bevindingen.

De arts is verantwoordelijk voor de eindbeslissing. Hij baseert zich hiervoor zowel op zijn beslissing als op die van de psycholoog.

Bijlage 15. — Rijbewijs

Rijbewijs
Formaat ontvouwd document : 106/222 mm - roze - zwarte druk
Buitenzijde.

Rijbewijs
Formaat ontvouwd document : 106/222 mm - roze - zwarte druk
Binnenzijde.

Bijlage 16. — Rijbewijs

Rijbewijs - buitenzijde. Formaat ontvouwd document : 106/222 mm - roze - zwarte druk

Rijbewijs - binnenzijde. Formaat ontvouwd document: 106/222 mm - roze - zwarte druk

Bijlage 17. — Rijbewijs

Rijbewijs - buitenzijde. Formaat ontvouwd document : 106/222 mm - roze - zwarte druk

Rijbewijs - binnenzijde. Formaat ontvouwd document: 106/222 mm - roze - zwarte druk

Bijlage 18. — Voorschriften betreffende het kaartmodel van het rijbewijs

1. De fysieke kenmerken van de kaart van het rijbewijs van Europees model zijn in overeenstemming met de ISO-normen 7810 en 7816-1.

De kaart is gemaakt van polycarbonaat.

De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.

2. Fysieke beveiliging van rijbewijzen

Het voor rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd :

  • de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;
  • beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopieëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;
  • optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopieëren of vervalsen van de foto;
  • lasergravure;
  • in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);
  • inkt met kleuromslag;
  • aangepaste hologrammen;
  • variabele laserbeelden;
  • ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;
  • iriserende druk;
  • digitaal watermerk op de ondergrond;
  • infrarode of fosforescerende pigmenten;
  • voelbare karakters, symbolen of patronen.

3. Het rijbewijs heeft twee zijden :

Bladzijde 1 bevat :

a) de vermelding « rijbewijs », in hoofdletters, in de drie landstalen;
b) de vermelding « België » in de drie landstalen;
c) het onderscheidingsteken « B » van België, negatief afgedrukt in een blauwe rechthoek en omringd door twaalf gele sterren;
d) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven rijbewijs, met de volgende nummers :

1. de naam van de houder;
2. de voornaam van de houder;
3. geboortedatum en -plaats van de houder;
4. a. de datum van afgifte van het rijbewijs;
b. de datum waarop de administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs afloopt;
c. de naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft;
5. nummer van het rijbewijs;
6. de foto van de houder;
7. de handtekening van de houder;
9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën);

e) de vermelding « Model van de Europese Gemeenschappen » en de vermelding « rijbewijs » in de overige talen van de Gemeenschap, gedrukt in roze letters en op een zodanige wijze dat deze de achtergrond van het rijbewijs vormen :

f) referentiekleuren :

  • blauw : Reflex blauw Pantone;
  • geel : Pantone Geel.

Bladzijde 2 bevat :

a) 9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën);

10. de datum van eerste afgifte per categorie (deze datum moet bij iedere latere vervanging of inwisseling op het nieuwe rijbewijs worden vermeld);

11. de datum waarop de geldigheidsduur afloopt voor elke categorie;

12. de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7, naast elke desbetreffende categorie.

Wanneer een code geldt voor alle categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven, kan hij worden afgedrukt onder de rubrieken 9, 10 en 11;

b) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het rijbewijs (ten minste voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5, 10, 11 en 12).

bijl1-1-nl

Bijlage 19.

A Kennis en begrip van besturen en examineren:

Theorie van het rijgedrag van de bestuurder;
Risico-inschatting en ongevalvermijding;
Het handboek van rijexamennormen;
De eisen van het rijexamen;
Het toepasselijke wegen- en verkeersreglement, inclusief de toepasselijke Europese en nationale wetgeving en de richtsnoeren voor de uitlegging daarvan;
Examineringstheorie en -technieken;
Defensief rijden.

B Examineringsvaardigheden:

Accuraat kunnen observeren, monitoren en beoordelen van de algemene prestaties van de kandidaat, met name:

a) Correcte en volledige inschatting van gevaarlijke situaties;
b) Accurate vaststelling van de oorzaak en de waarschijnlijke gevolgen van dergelijke situaties;
c) Vorderingen en fouten opmerken;
d) Uniformiteit en consistentie bij het examineren;

Snel informatie verwerken en hoofdpunten bepalen;
Anticiperen, mogelijke problemen opmerken en strategieën uitwerken om deze aan te pakken;
Tijdig opbouwend commentaar geven.

C Persoonlijke rijvaardigheid:

Een persoon die bevoegd is tot het afnemen van een praktisch rijexamen voor een bepaalde rijbewijscategorie, moet zelf in staat zijn dat type motorvoertuig te besturen naar consistent strenge normen.

D Kwaliteit van de dienstverlening:

Er moet worden bepaald en meegedeeld wat de kandidaat kan verwachten tijdens het examen;

Er moet duidelijk worden gecommuniceerd en de inhoud, de vorm en de taal moeten zijn afgestemd op de toehoorders en de context, en de kandidaten moeten antwoord krijgen op hun vragen;

De uitslag van het examen moet duidelijk worden toegelicht;

Alle kandidaten worden met respect en gelijk behandeld.

E Kennis van voertuigtechniek en fysica:

Kennis van voertuigtechniek, zoals besturing, banden, remmen, lichten, met name voor motorrijwielen en zware voertuigen;
Veilig beladen;
Kennis van de fysische aspecten van het voertuig, zoals snelheid, wrijving, dynamica, energie.

F Een zuinige en milieuvriendelijke rijstijl.

Bijlage 20. — Voorlopig rijbewijs Model 3

Formaat (ontvouwd document) 105/150 mm – papier 140 g

Buitenzijde

bijl2-vrbw-nl1

Binnenzijde

bijl2-vrbw-nl2