Titel I: Inleidende bepalingen

Artikel 2. Bepalingen

Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt verstaan onder :

2.24. "Aanhangwagen" : elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen.

2.34. "Weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs" : een openbare weg of een deel van de openbare weg waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F99a of F99b en het einde met het verkeersbord F101a of F101b.

F99a F99a F101a F101a

F99b F99b F101b F101b

Titel II: Regels voor het gebruik van de openbare weg

Artikel 8. De bestuurders

8.1. Elk voertuig of elke sleep in beweging moet een bestuurder hebben.

Dit geldt ook voor de trek-, last- of rijdieren en het vee, afzonderlijk of in kudde.

8.5. De bestuurder mag het voertuig dat hij bestuurt of de dieren die hij geleidt of bewaakt niet verlaten zonder de nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval of enig misbruik door derden te voorkomen.

Artikel 9. Plaats van de bestuurders op de openbare weg

9.1.3. De bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee mogen, buiten de bebouwde kommen, de gelijkgrondse bermen volgen die rechts in hun richting liggen, op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers niet in gevaar brengen.

Artikel 21. Verkeer op autosnelwegen

21.1. De toegang tot de autosnelwegen is verboden :

  • aan de voetgangers, aan de bestuurders van rijwielen, van bromfietsen en van dieren;
  • aan de bestuurders van voertuigen of slepen die op een horizontale weg de snelheid van 70 km per uur niet kunnen bereiken;
  • aan de bestuurders van voertuigen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 49.5 met een noodkoppeling of met een hulpkoppeling een andere voertuig slepen;
  • aan de bestuurders van vierwielers met motor zonder passagiersruimte;
  • aan de bestuurders van landbouwvoertuigen.
Artikel 22quinquies. Verkeer op wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs

22quinquies.1. Op deze wegen is alleen het verkeer toegestaan van de categorieën van weggebruikers waarvan het symbool afgebeeld is op de verkeersborden die bij de toegang geplaatst zijn.

Deze wegen mogen evenwel ook gevolgd worden door :

  • (opgeheven);
  • de prioritaire voertuigen als bedoeld in artikel 37, wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt;
  • (opgeheven);
  • op basis van een vergunning afgegeven door de beheerder van deze wegen of zijn gemachtigde, onder de door hem vastgestelde voorwaarden :
    • de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud van deze wegen;
    • de voertuigen van de aanwonenden en van hun leveranciers;
    • de voertuigen voor het wegruimen van vuilnis.

F99a F101A F101a

22quinquies.2. De gebruikers van deze wegen mogen elkaar niet in gevaar brengen en niet hinderen. Zij moeten dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen en ze mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren.

Het spelen is toegestaan.

22quinquies.4. De snelheid is beperkt tot 30 km per uur.

Artikel 22octies. Verkeer op wegen voorbehouden voor landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs

22octies.1. Buiten de categorieën van weggebruikers waarvan het symbool is weergegeven op de verkeersborden die bij de toegang geplaatst zijn, mogen deze wegen slechts gevolgd worden door volgende categorieën van weggebruikers :

a) voertuigen van en naar de aanliggende percelen;

b) niet-gemotoriseerde drie- en vierwielers;

c) gespannen op voorwaarde dat het symbool van een landbouwvoertuig is afgebeeld op de verkeersborden;

d) voertuigen voor onderhoud, afvalophaling, toezicht, hulpverlening en prioritaire voertuigen.

Het begin van de wegen voorbehouden voor landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs, wordt aangeduid met het verkeersbord F99c en het einde met het verkeersbord F101c.

F99c F101c

22octies.2. Voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs mogen de ganse breedte van de genoemde wegen gebruiken. Zij mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren.

De gebruikers van deze wegen mogen elkaar niet in gevaar brengen en niet hinderen. Het gemotoriseerd verkeer, en in het bijzonder de landbouwvoertuigen, moeten dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van voetgangers, fietsers, bestuurders van niet gemotoriseerde drie- en vierwielers, ruiters en gespannen.

22octies.3. De snelheid is beperkt tot 30 km per uur.

Artikel 30. Gebruik van de lichten : voertuigen en weggebruikers die de openbare weg volgen

Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter, worden de hierna vermelde lichten gebruikt :

30.3. Andere voertuigen, weggebruikers en dieren hierna vermeld :

bereden rijwielen :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

aanhangwagens, voor zover zij met die lichten moeten uitgerust zijn :

  • vooraan, twee witte lichten;
  • achteraan, de rode lichten.

Bovendien, wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.

gespannen, handkarren, niet-ingespannen trekdieren, last- of rijdieren en vee :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn, dat links geplaatst of gedragen wordt, behalve in de volgende gevallen:

a) indien het gespan een ander voertuig trekt;
b) indien het vee een kudde van zes stuks of meer vormt;

alle andere voertuigen wanneer zij de rijbaan volgen : het onder 3° hierboven voorziene wit of geel licht en rood licht.

Deze bepaling geldt evenwel niet wanneer die voertuigen slechts op de rijbaan rijden om over te steken.

afdelingen van militaire kolonnes bestaande uit een op mars zijnde troep, stoeten, groepen in rijen vergezeld van een leider, wanneer zij de rijbaan volgen :

  • vooraan links, een wit of geel licht;
  • achteraan links, een rood licht.

Een licht van dezelfde kleur mag rechts gedragen worden. De flanken van die formaties moeten, indien zulks wegens hun lengte vereist is, door één of meer witte of gele lichten worden gesignaleerd, die in alle richtingen moeten zichtbaar zijn.

De gebruikers van voortbewegingstoestellen die rijden op de andere delen van de openbare weg dan degene die voorbehouden zijn voor het verkeer van voetgangers :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan, een rood licht.

Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn, dat links geplaatst of gedragen wordt.

Indien de gebruikers van voortbewegingstoestellen links op de rijbaan rijden moeten de positie en de plaats van de lichten omgekeerd worden.

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor folkloristische manifestaties en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ofwel ter gelegenheid van een door de gemeente toegelaten folkloristische manifestatie, of op de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestatie, en voor zover zij niet meer dan 25 km per uur rijden :

  • vooraan, een wit of geel licht;
  • achteraan een rood licht;
  • de omtreklichten bedoeld in artikel 30.4 indien het voertuig meer dan 2,5 meter breed is.

Deze bepaling geldt evenwel niet binnen het door de gemeente afgebakende traject van de manifestatie.

30.4. Voertuigen die meer dan 2,50 meter breed zijn :

buiten de lichten voorgeschreven in artikel 30.1. of 30.3. omtreklichten.

Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst.

De lichten die vooraan zichtbaar zijn moeten wit zijn, die welke achteraan zichtbaar zijn, rood.

Artikel 31. Gebruik van de lichten bij het stilstaan en parkeren

31.1. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter, moet de aanwezigheid op de openbare weg van de hierna vermelde voertuigen, weggebruikers en dieren, op de volgende wijze gesignaleerd worden:

31.1.2. Voertuigen, weggebruikers en dieren, vermeld in artikel 30.3., met uitzondering van de rijwielen:

door dezelfde lichten als voorgeschreven wanneer zij de openbare weg volgen;

wanneer die lichten, om technische redenen niet kunnen gebruikt worden ;

  • vooraan, door een wit of geel licht;
  • achteraan, door een rood licht.

Die lichten worden aan de kant van de aslijn van de rijbaan aangebracht.

Onder de in 31.1.1.3° bepaalde voorwaarden mogen de niet-aangekoppelde aanhangwagens eveneens gesignaleerd worden door een parkeerlicht.

Artikel 41. Gedrag tegenover militaire kolonnes, stoeten, groepen voetgangers, processies, culturele, sportieve en toeristische evenementen, wielerwedstrijden, niet-gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, groepen fietsers, groepen motorfietsers, groepen ruiters en werfopzichters op de openbare weg

41.1. Het is de weggebruikers verboden te breken :

door een afdeling van een militaire kolonne bestaande uit een op mars zijnde troep of een voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt door bevoegde personen of door daartoe gemachtigde militairen;

door een stoet, een groep voetgangers, een samenkomst naar aanleiding van een cultureel, sportief of toeristisch evenement of een processie;

door een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd of aan een niet-gemotoriseerde sportwedstrijd of -competitie;

(opgeheven)

41.3.1. De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die gegeven worden :

ter vergemakkelijking van de beweging der legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;

om de veiligheid te verzekeren :

a) van culturele, sportieve en toeristische evenementen, van wielerwedstrijden en van niet-gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, door daartoe gemachtigde signaalgevers;

b) van de groepen fietsers en groepen motorfietsers, door wegkapiteins;

c) van de groepen voetgangers en groepen ruiters, door groepsleiders;

d) van het personeel van de werken op de openbare weg door de werfopzichters;

e) van uitzonderlijke voertuigen, door de begeleiders en de verkeerscoördinators.

41.3.2. Om het verkeer stil te leggen, moeten die militairen, signaalgevers, wegkapiteins, groepsleiders, werfopzichters, begeleiders en verkeerscoördinators gebruik maken van een schijf waarop het verkeersbord C3 afgebeeld is en waarvan de karakteristieken bepaald worden door de Minister van Verkeerswezen.

C3

Zie M.B. van 1 december 1975 tot vaststelling van de kenmerken van bepaalde schijven, bebakeningen, en platen die voorgeschreven zijn door het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
Artikel 46. Lading van de voertuigen : afmetingen

46.1. De breedte van een beladen voertuig, gemeten met al de uitstekende delen inbegrepen, mag de volgende maxima niet te boven gaan :

1° auto, bespannen voertuig of hun aanhangwagen : 2,55 meter of 2,6 meter indien het voertuig een breedte heeft van 2,6 meter overeenkomstig het technisch reglement van de auto's.

Evenwel :

a) wanneer de lading bestaat uit graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk, met uitsluiting van de geperste balen, mag de breedte van het geladen voertuig 2,75 m bedragen;

b) wanneer de lading is samengesteld zoals hierboven gezegd en vervoerd wordt hetzij binnen straal van 25 km van de plaats van lading, hetzij binnen een zone van 25 km van de Belgische grens, mag de breedte van het geladen voertuig 3 meter bedragen.

In de onder a) en b) hierboven bepaalde gevallen mag geen enkele vaste steun zodanig geplaatst worden dat enig deel van die steun zich op meer dan 1,25 m van het overlangs vlak van symmetrie van het voertuig bevindt;

46.2.1. In geen geval mag de lading van voren buiten het vooreinde van het voertuig, of indien het een bespannen voertuig is, buiten de kop van het gespan uitsteken;

Evenwel mag de lading van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's van voren ten hoogste 0,50 m uitsteken.

46.2.3 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest). De lading van de andere voertuigen mag niet verder dan 1 meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken.

De uitstek mag evenwel bedragen :

a) 3 meter, wanneer één van deze voertuigen met lange ondeelbare stukken beladen is;
b) 1,50 meter, voor de ladingen van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's.

46.2.3 (Vlaams Gewest). Bij de andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 46.2.2, mag de horizontale afstand tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer bedragen dan 1 meter.

In afwijking van het eerste lid mag de horizontale afstand:

tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de inrichting, vermeld in artikel 55, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, of, bij het ontbreken daarvan, de achterkant van het voertuig evenwel niet meer bedragen dan 0,40 meter als de lading bij voertuigen van categorie N en O bestaat uit een container, afzetcontainer of wissellaadbak.

De horizontale afstand wordt gemeten zonder rekening te houden met het gedeelte van de uitstekende lading dat zich op minder dan 0,55 meter en meer dan 2 meter van de grond bevindt.

tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 3 meter bedragen als het voertuig geladen is met lange ondeelbare stukken;

tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 1,50 meter bedragen bij slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto’s;

tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 1,50 meter bedragen als de lading bestaat uit een meeneemheftruck die bevestigd is aan de achterkant van een voertuig van categorie N of O, op voorwaarde dat de afstand tussen de onderkant van de achterste rand van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer dan 65 cm bedraagt en die achterste rand voldoende stevigheid biedt om te fungeren als stootbalk.

De afwijkingen vermeld in het vorige lid doen geen afbreuk aan de verplichtingen uit andere regelgeving, inzonderheid op het vlak van het respecteren van de aslasten, de verdeling van de massa over het voertuig en de draaicirkel.

In dit artikel wordt verstaan onder lange ondeelbare stukken: een lading die teneinde te vervoeren over de weg, niet kan opgedeeld worden in meerdere ladingen zonder belangrijke kosten of schaderisico’s en die ten gevolge haar lengte niet vervoerd kan worden met een voertuig dat op het vlak van lengte voldoet aan het technisch reglement.

46.3 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.

Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.

46.3 (Vlaams Gewest). De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.

Als de lading uit geperste balen vlas bestaat, mag de hoogte van het geladen voertuig echter 4,30 m bedragen.

Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.

46.3 (Waals Gewest). De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.

Indien de lading echter uit geperste vlasbalen bestaat, mag de hoogte van het beladen voertuig tot 4,30 m bedragen.

Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.

46.4. De lading van een voortbewegingstoestel mag niet meer dan 0,50 meter vooraan en achteraan en 0,30 meter aan elke kant overschrijden.

De hoogte van een beladen voortbewegingstoestel mag niet meer dan 2,50 meter overschrijden.

Artikel 47. Lading van de voertuigen : signalisatie

47.1. Als de voertuigen niet moeten verlicht zijn worden de ladingen die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken, gesignaleerd door een vierkantig bord dat zo aan de grootste uitstek van de lading bevestigd wordt dat het zich bestendig in een vertikaal vlak loodrecht op het langsvlak door het midden van het voertuig bevindt. Dit bord heeft een zijde van 0,50 meter en is in afwisselende rode en witte strepen van ongeveer 75 mm breed geschilderd. Een diagonaallijn van het vierkant is rood. De rode strepen moeten voorzien zijn van retro-reflecterende produkten.

Lading

47.2. Als de voertuigen moeten verlicht zijn worden de ladingen die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken, gesignaleerd door het hierboven beschreven bord, aangevuld met een naar achteren gericht rood licht, en een oranje reflector aan elke zijkant.

Het hoogste punt van het lichtdoorlatende of -weerkaatsend gedeelte van de voor het signaleren van het achtereinde van een lading gebezigde middelen mag zich op niet meer dan 1,60 meter boven de grond bevinden.

Het laagste punt ervan mag zich op niet minder dan 0,40 meter boven de grond bevinden.

Bovendien :

bij een voertuig dat krachtens het technisch reglement van de auto's zijreflectoren moet voeren, moeten één of meerdere supplementaire oranje zijreflectoren op de lading aangebracht worden wanneer de afstand tussen de buitenrand van de reflector die de grootste uitstek van de lading signaleert, en de buitenrand van de achterste reflector van het voertuig, groter is dan 3 meter.

In geen geval mag de afstand tussen de buitenranden van twee opeenvolgende reflectoren groter zijn dan 3 meter.

bij een voertuig dat krachtens het technisch reglement van de auto's geen zijreflectoren moet voeren, mogen één of meer oranje zijreflectoren op de lading aangebracht worden.

47.3. Wanneer het voertuig moet verlicht zijn, moeten de ladingen die zodanig buiten de zijkant van het voertuig komen dat hun uiterste zijkant zich op meer dan 0,40 m van de buitenrand van het lichtdoorlatend gedeelte van het standlicht bevindt, door omtreklichten en reflectoren gesignaleerd worden.

De lichten en reflectoren die aan de voorzijde zichtbaar zijn moeten wit zijn, deze die aan de achterzijde zichtbaar zijn, moeten rood zijn.

Het lichtdoorlatend of het lichtweerkaatsend gedeelte van deze lichten of reflectoren moet zich op minder dan 0,40 meter van de grootste uitstek bevinden.

Artikel 49. Slepen

49.1. Een motorvoertuig en een gespan mogen slechts één voertuig trekken.

Evenwel :

  • (opgeheven)
  • een motorfiets met zijspanwagen mag alleen een aanhangwagen trekken indien het zijspanwiel uitgerust is met een rem;
  • een takelwagen mag een geleed voertuig trekken, uitsluitend om het naar de plaats van herstelling te brengen, wanneer hij beantwoordt aan de bijzondere voorwaarden daartoe bepaald in het technisch reglement van de auto's;
  • het trekkend voertuig van een langere en zwaardere sleep, die onder de voorwaarden bepaald door de overheden bevoegd voor infrastructuur aan het verkeer deelneemt, mag twee aanhangwagens trekken.

49.4.2. Zodra de afstand tussen het voorvlak van een aanhangwagen en het achtervlak van het trekkend voertuig groter is dan 3 meter, moet de koppeling gesignaleerd worden:

  • als het voertuig niet moet verlicht zijn : door een rode lap;
  • als het voertuig moet verlicht zijn : door een van ter zijde zichtbaar oranje licht, tenzij de koppeling verlicht is.

Deze bepaling geldt eveneens voor gesleepte voertuigen.

49.5. Noodkoppelingen of de hulpkoppelingen alleen die voorzien zijn in het technisch reglement van de auto's mogen slechts gebruikt worden door de bestuurders van auto's, alleen in geval van overmacht en uitsluitend om, met een snelheid van maximum 25 km per uur, tot op de plaats van herstelling te brengen :

  • een aanhangwagen waarvan de hoofdkoppeling of de bevestiging ervan niet meer de vereiste veiligheid biedt;
  • een auto of een vierwieler met motor die zich niet meer op eigen kracht kunnen verplaatsen of die niet alle veiligheidswaarborgen bieden.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de speciale uitrustingen waarmede sommige voertuigen met het oog op het wegslepen zijn voorzien, niet als noodkoppelingen beschouwd.

Artikel 53. Gespannen

53.1. In een gespan mogen niet meer dan vier dieren achter elkander en niet meer dan drie nevens elkander lopen.

53.2. Het leidsel of het tuig moet zodanig ingericht zijn dat de bestuurder het gespan steeds goed in de hand kan hebben en zijn voertuig veilig kan mennen.

53.3. Gespannen moeten vergezeld zijn van zoveel begeleiders als voor de veiligheid van het verkeer vereist is. Aan de bestuurder van het voertuig dient in ieder geval een begeleider te worden toegevoegd, zodra er meer dan vijf dieren ingespannen zijn.

53.4. Wanneer een gespan een ander voertuig voortbeweegt en de sleep, zonder inbegrip van de dissel van het eerste voertuig, langer dan 16 meter is, moet een begeleider het tweede voertuig vergezellen.

53.5. Wanneer de lading van een mallejan langer dan 12 meter is, moet een begeleider te voet achter de lading volgen.

Artikel 55. Dieren

55.1. De bestuurder van trek-, last- of rijdieren en van vee moet, in voorkomend geval, door een voldoend aantal begeleiders bijgestaan worden.

55.2. De bestuurders en de begeleiders moeten voortdurend in de nabijheid van de dieren blijven, ze kunnen in bedwang houden en kunnen beletten dat zij het verkeer belemmeren en ongevallen veroorzaken.

55.3. Binnen de bebouwde kommen is het verboden de ingespannen of de bereden dieren te laten galopperen.

55.4. De ruiters die de rijbaan volgen, mogen met tweeën naast elkaar rijden.

Artikel 55bis. Ruiters in groep

55bis1. Dit artikel is slechts van toepassing op groepen van ten minste 10 ruiters.

55bis2. De ruiters die in een groep van ten minste 10 rijden, mogen begeleid worden door een groepsleider die waakt over het goede verloop van de tocht.

Deze groepsleider moet ten minste 21 jaar oud zijn en hij moet om de linkerarm een band dragen met, horizontaal, de nationale kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord "groepsleider".

55bis3. Op de kruispunten waar het verkeer niet geregeld wordt door verkeerslichten, mag de groepsleider het verkeer op de dwarswegen stilleggen op de wijze bepaald in artikel 41.3.2., terwijl de groep oversteekt.

Artikel 56. Voertuigen en dieren die vaartuigen jagen

56.1. De bepalingen van de artikelen 9, 12, 15, 16 en 17 van dit reglement gelden niet voor de voertuigen en dieren die, om vaartuigen te jagen, zich op de linkerkant van de gevolgde weg voortbewegen.

56.2. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 15 en 16 van dit reglement, geschieden het kruisen en het inhalen van de voertuigen en dieren die, om vaartuigen te jagen, zich op de linkerkant van de gevolgde weg voortbewegen, respectievelijk links en rechts.

56.3. In afwijking van het bepaalde in artikel 30 van dit reglement mogen de voertuigen en dieren, die zich op de linkerkant voortbewegen om vaartuigen te jagen, van voren geen witte lichten en van achteren geen rode lichten voeren.

Die lichten moeten, in de bij artikel 30 bepaalde omstandigheden, vervangen worden door een in alle richtingen uitstralend oranjegeel licht van een zodanige lichtsterkte dat het op ten minste 100 meter afstand duidelijk zichtbaar is.

Titel III. Verkeerstekens

Hoofdstuk II: Verkeersborden

Artikel 66. Gevaarsborden

66.4. De gevaarsborden worden hierna afgebeeld.

A27. Doortocht van groot wild.
A29. Doortocht van vee.
Artikel 68. Verbodsborden

68.3. De verbodsborden en de eindverbodsborden worden hierna afgebeeld:

C13. Verboden toegang voor bestuurders van gespannen.
C15. Verboden toegang voor ruiters.
Artikel 69. Gebodsborden

69.3. De gebodsborden worden hierna afgebeeld.

D13. Verplichte weg voor ruiters.
Artikel 71. Aanwijzingsborden
F99a. Weg of deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorie(ën) van weggebruiker(s) die tot deze weg is (zijn) toegelaten.
F99b. Weg of deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs met aanduiding van het deel van de weg dat bestemd is voor de verschillende categorieën van weggebruikers.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorie(ën) van weggebruiker(s) die tot deze weg is (zijn) toegelaten.
F99c. Weg voorbehouden voor landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorieën van weggebruikers.
F101a. Einde van de weg of van het deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorie(ën) van weggebruiker(s) die tot deze weg is (zijn) toegelaten.
F101b. Einde van de weg of deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs met aanduiding van het deel van de weg dat bestemd is voor de verschillende categorieën van weggebruikers.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorie(ën) van weggebruiker(s), die tot deze weg is (zijn) toegelaten.
F101c. Einde van de weg voorbehouden voor landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs.
Het verkeersbord mag aangepast worden volgens de categorieën van weggebruikers.

Titel IV. Technische voorschriften

Artikel 83. Gespannen

83.1. Reflectoren.

83.1.1. Bespannen voertuigen moeten altijd achteraan twee rode reflectoren voeren.

Deze reflectoren moeten een driehoekige vorm hebben; zij moeten vast aangebracht zijn en goedgekeurd zijn. Een der toppen van de driehoek moet naar boven gericht zijn, terwijl de tegenoverliggende zijde horizontaal ligt.

83.1.2. Een of meer oranje reflectoren mogen op de zijkanten van het voertuig aangebracht worden.

83.1.3.

De reflectoren moeten zodanig geplaatst zijn dat geen enkel deel van het voertuig de doelmatigheid ervan vermindert. Zij moeten altijd duidelijk zichtbaar zijn en goed uitkomen.

Het hoogste punt van het lichtweerkaatsend gedeelte van de reflectoren mag zich op niet meer dan 1,20 meter boven de grond en het laagste punt op niet minder dan 0,40 meter boven de grond bevinden als het voertuig ledig is.

De twee rode reflectoren achteraan moeten symmetrisch ten opzichte van de lengteas van het voertuig en in eenzelfde vlak, loodrecht op die lengteas aangebracht zijn.

De buitenrand van het lichtweerkaatsend gedeelte van de reflectoren achteraan moet zich zo dicht mogelijk bij de buitenomtrek van het voertuig en, in ieder geval, op ten hoogste 0,40 meter hiervan bevinden.

83.2. Remmen.

Bespannen voertuigen moeten voorzien zijn van een voldoend doelmatige reminrichting.

Deze bepaling geldt niet voor tweewielige bespannen voertuigen waarvan het gewicht in beladen toestand niet meer dan 1.000 kg bedraagt en waarvan de bespanning zodanig is dat het voertuig terzelfdertijd als het trekdier stilhoudt.

83.3. Afmetingen.

De afmetingen van bespannen voertuigen mogen niet groter zijn dan deze bepaald door het technisch reglement van de auto's.