Titel I. Algemeenheden

Artikel 1

Dit besluit zet de richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad gewijzigd bij de richtlijnen 2004/66/EG van 26 april 2004 en 2006/103/EG van 20 november 2006, bij de Verordening (EG) nr. 1137/2008 van 22 oktober 2008 en bij de richtlijnen 2013/22/EU van 13 mei 2013 en 2018/645 van 18 april 2018 om in Belgisch recht.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° « wet » : de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;

2° « koninklijk besluit betreffende het rijbewijs » : het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;

3° « Minister » : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort” vervangen door de zinsnede “de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid” en wordt een punt 3°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“3°/1 Departement: het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt een punt 3o/1 ingevoegd, luidend als volgt: ″3o/1 ″DGO2″: het Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen van de Waalse Overheidsdienst.

4° « motorvoertuig » : elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een aandrijfmotor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen. Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen uitgerust met een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u. bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen;

5° « auto » : elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

6° « motorvoertuigen categorie C » : andere auto's dan die van de categorieën D1 of D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

7° « motorvoertuigen categorie C+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

8° « motorvoertuigen categorie C1 » : andere auto's dan die van de categorieën D1 of D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg en ten hoogste 7.500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

9° « motorvoertuigen categorie C1+E » :

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C1 en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt;
  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen of oplegger met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg, mits de maximale toegelaten massa van het samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt;

10° « motorvoertuigen categorie D » : auto's ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

11° « motorvoertuigen categorie D+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

12° « motorvoertuigen categorie D1 » : auto's ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend, en ten hoogste zestien passagiers, de bestuurder niet meegerekend, en met een maximumlengte van acht meter; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg worden gekoppeld;

13° « motorvoertuigen categorie D1+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

14° « voertuigen van groep C » : de motorvoertuigen van de categorieën C1, C1+E, C en C+E;

15° « voertuigen van groep D » : de motorvoertuigen van de categorieën D1, D1+E, D en D+E;

16° « voertuigen van groep 2 » : de motorvoertuigen van groep C en groep D;

17° « geregeld vervoer » :

a) het geregeld vervoer : vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet. Geregeld vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht, in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken. Een aanpassing van de exploitatievoorwaarden voor het vervoer doet niet af aan het geregelde karakter van het vervoer;

b) de bijzondere vorm van geregeld vervoer : vervoer, ongeacht door wie het wordt georganiseerd, van bepaalde categorieën reizigers met uitsluiting van andere reizigers, voor zover dat vervoer op de in punt a) bepaalde wijze geschiedt. De aanpassing van de organisatie van het vervoer aan de wisselende behoeften van de gebruikers doet aan het geregelde karakter van de bijzondere vorm van het vervoer geen afbreuk;

18° « gewone verblijfplaats » : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;

19° « voorlopig rijbewijs » : het voorlopig rijbewijs model 3, zoals bedoeld in de artikelen 6 tot 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, geldig gemaakt voor een voertuig van groep 2;

20° « aanvraag om een rijbewijs » : het document bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;

21° « Europees rijbewijs » : elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;

22° Opgeheven bij art. 1.1°, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

23° Opgeheven bij art. 1.1°, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

24° Opgeheven bij art. 1.1°, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

25° « bewijs van vakbekwaamheid C » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het besturen van voertuigen van groep C;

26° « bewijs van vakbekwaamheid D » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het besturen van voertuigen van groep D;

27° « getuigschrift van basiskwalificatie C » : bewijs van slagen voor het examen basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep C;

28° « getuigschrift van basiskwalificatie D » : bewijs van slagen voor het examen basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep D;

29° « getuigschrift van nascholing » : bewijs dat nascholing werd gevolgd in een opleidingscentrum;

30° Opgeheven bij art. 1.2°, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

31° « examencentrum » : het centrum dat het examen rijbewijs, het examen basiskwalificatie, het gecombineerd examen of het aanvullend examen voor het besturen van voertuigen van groep 2, conform de bepalingen van Titel III, Hoofdstuk 2 organiseert.

32° « opleidingscentrum » : centrum dat nascholingscursussen aanbiedt en erkend is overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van Titel IV van dit besluit;

33° « onderwijsinstellingen » : de overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en geldende kwaliteitsnormen van de gemeenschappen georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen;

34° « code 95 » : de Uniecode opgenomen in bijlage 7 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs die overeenstemt met het bewijs van vakbekwaamheid;

35° « bestuurdersattest » : het attest in de zin van Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten.

Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het artikel aangevuld met een punt 36o, luidend als volgt:
″36o ″tolk″: een beëdigd vertaler of vertaalsysteem, in geïnformatiseerde vorm, al dan niet digitaal, die op verzoek van de kandidaat die de Franse of de Duitse taal niet machtig is, een mondelinge vertaling in de Engelse of Nederlandse taal voorstelt, met of zonder hulp van een geluidsondersteuning voor de vragen van de testen of examens geprojecteerd op het scherm of overgemaakt door de examinatoren.″.

Titel II. De vakbekwaamheid

Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied

Artikel 3

§ 1. Deze titel is van toepassing op het vervoer binnen het Rijk over de openbare weg, met voertuigen waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, vereist is, door:

De onderdanen van de Europese Unie;

De onderdanen van een derde land die in dienst zijn van of werken voor een onderneming die gevestigd is in één van de Lidstaten van de Europese Unie.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “binnen het Rijk” opgeheven.

§ 2. De personen bedoeld in § 1 moeten, behoudens de vrijstellingen vermeld in artikel 4, beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid C voor het besturen van een voertuig van groep C en over een geldig bewijs van vakbekwaamheid D voor het besturen van een voertuig van groep D, afgeleverd door een van de lidstaten van de Europese Unie.

§ 3. Moeten, behoudens de vrijstellingen bepaald in artikel 5, in België een getuigschrift van basiskwalificatie C voor het besturen van een voertuig van groep C dan wel een getuigschrift van basiskwalificatie D voor het besturen van een voertuig van groep D verwerven :

Bestuurders die onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die hun gewone verblijfplaats hebben in België;

Bestuurders die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die in dienst zijn van of werken voor een onderneming die in België gevestigd is, of die beschikken over een Belgische werkvergunning.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “in België” opgeheven.

§ 4. De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België en die in België werken, moeten in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België of die in België werken, kunnen in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere Lidstaat van de Europese Unie of die werken in een andere Lidstaat van de Europese Unie, kunnen in die lidstaat nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

§ 5. Is in orde met betrekking tot de vakbekwaamheid, de bestuurder die een van de volgende, nog geldige, documenten voorlegt, waarop de Uniecode 95 vermeld wordt:

1° een rijbewijs;

2° een kwalificatiekaart bestuurder;

3° een bestuurdersattest.

Het document bedoeld in het eerste lid moet afgegeven worden door een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of door Zwitserland.

De vermelding van Uniecode 95 op het bestuurdersattest bedoeld in het eerste lid, 3°, is evenwel niet verplicht indien het document voor 23 mei 2020 afgeleverd is.

Artikel 4

§ 1. De vereiste van vakbekwaamheid is niet van toepassing op bestuurders :

van voertuigen met een toegelaten maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur;

van voertuigen in gebruik bij of onder controle van de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer, diensten verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en medische noodvervoersdiensten, voor zover het vervoer voortvloeit uit de opdrachten waarmee die diensten zijn belast;

van voertuigen die op de weg worden getest in verband met technische verbeteringen, reparatie, onderhoud, en nieuwe of omgebouwde voertuigen die nog niet in het verkeer zijn gebracht;

3°/1 van voertuigen waarvoor een rijbewijs van categorie D of D1 vereist is en die worden bestuurd zonder passagiers door onderhoudspersoneel naar of van een onderhoudscentrum dat zich bevindt in de omgeving van de dichtstbijzijnde onderhoudsbasis die wordt gebruikt door de vervoerder, mits het rijden met het voertuig niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is;

van voertuigen die worden gebruikt bij noodtoestanden of worden ingezet voor reddingsoperaties, met inbegrip van voertuigen die worden gebruik voor niet-commercieel vervoer van humanitaire hulp;

van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel vervoer van personen of goederen;

van voertuigen of combinaties van voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft en op voorwaarde dat dit vervoer niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is;

van voertuigen die door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veeteelt- of visserijbedrijven worden gebruikt voor het vervoer van goederen in het kader van hun eigen bedrijvigheid, behalve als het besturen van het voertuig deel uitmaakt van de voornaamste activiteit van de bestuurder of het rijden over een grotere afstand geschiedt dan 100 km vanaf de basis van de onderneming die het voertuig bezit, huurt of leaset.

§ 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid C.

Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid D voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid D.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “binnen het Rijk” opgeheven.

§ 3. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid zijn :

de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktisch examen afleggen of met het oog daarop scholing volgen;

de bestuurders van een voertuig dat bestemd is voor het onderricht met bijstand van een instructeur;

de bestuurders bedoeld in artikel 4, 4° en 8° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;

de kandidaten bedoeld in artikel 4, 5°, 6°, 7°, 9° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 5

§ 1. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C zijn bestuurders die :

houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie C dat werd behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie;

houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep C, mits dat uiterlijk op 9 september 2009 is afgegeven.

§ 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie D zijn bestuurders die :

houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie D dat werd behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie;

houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep D, mits dat uiterlijk op 9 september 2008 is afgegeven.

  • Hoofdstuk 2. Het bewijs van vakbekwaamheid

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 6

§ 1. Vakbekwaam voor de groep C is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep C of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing.

Vakbekwaam voor de groep D is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep D of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 2, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing.

§ 2. Ten bewijze van het bezit van de vakbekwaamheid wordt op het document bedoeld in artikel 8, § 1 of op de kwalificatiekaart bestuurder bedoeld in bijlage 3, een Uniecode 95 aangebracht.

Artikel 7

§ 1. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid C is vastgesteld op 18 jaar. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid D is vastgesteld op 21 jaar.

§ 2. Evenwel kan elke kandidaat van tenminste 18 jaar een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt.

Elke kandidaat van tenminste 20 jaar kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor personenvervoer binnen het Rijk.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “binnen het Rijk” opgeheven.

§ 3. Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 20 jaar doet de voorwaarde vermeld in § 2, eerste lid vervallen.

Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 21 jaar doet de voorwaarde vermeld in § 2, tweede lid vervallen.

§ 4. (Opgeheven)

Afdeling 2. Afgifte van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 8

§ 1. De Uniecode 95, gevolgd door de vervaldatum van het bewijs van vakbekwaamheid, wordt op vertoon van een getuigschrift van basiskwalificatie C, van een getuigschrift van basiskwalificatie D, of van een document waaruit blijkt dat één van deze getuigschriften werd bekomen in een andere Lidstaat van de Europese Unie, opgenomen op :

het rijbewijs, achter de rijbewijscategorie waarvoor de vakbekwaamheid geldig is;

het bestuurdersattest voor personen die goederenvervoer verrichten en die geen houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs;

het daartoe bestemde certificaat voor de personen die personenvervoer verrichten en die geen Belgisch of Europees rijbewijs bezitten.

Om geldig te zijn, vermeldt het bestuurdersattest bedoeld in het eerst lid, 2°, de Uniecode 95 zoals bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

§ 2. De Uniecode 95 wordt opgenomen :

door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs op het in § 1, 1° bepaalde document;

door de Minister of door zijn gemachtigde op het in § 1, 2° en 3° bepaalde document.

§ 3. De overheid bedoeld in § 2 gaat, alvorens een bewijs van vakbekwaamheid te verlenen, de geldigheid na van de getuigschriften van basiskwalificatie die werden behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie of van één van de documenten waaruit blijkt dat een dergelijk getuigschrift werd bekomen in een andere Lidstaat van de Europese Unie.

De bestuurder levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 3 niet in België een getuigschrift van basiskwalificatie diende te bekomen.

§ 4. In de gevallen bepaald in artikel 5, § 1, 2° en in artikel 5, § 2, 2° wordt de Uniecode 95 opgenomen op het in § 1 bepaalde document overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.

§ 5. Na de verwerving van het bewijs van vakbekwaamheid worden per gevolgde nascholingsmodule van tenminste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 45. Kredietpunten die werden toegekend naar aanleiding van cursussen die meer dan vijf jaar geleden werden gevolgd, worden uit het kredietsaldo verwijderd.

Afdeling 3. Geldigheid van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 9

§ 1. De overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs brengt op het rijbewijs aan voor welke categorie het bewijs van vakbekwaamheid geldig is. De geldigheid wordt als volgt bepaald :

het bewijs van vakbekwaamheid C is geldig voor het besturen van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C en C+E indien de bestuurder over een rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën;

het bewijs van vakbekwaamheid D is geldig voor het besturen van voertuigen van de categorieën D1, D1+E, D en D+E indien de bestuurder over een rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën.

§ 2. Indien de houder van een bewijs van vakbekwaamheid een rijbewijs behaalt voor één van de categorieën waarvoor het bewijs van vakbekwaamheid geldig is, wordt dit door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs aangebracht op het rijbewijs op het moment dat dit rijbewijs wordt afgeleverd.

Artikel 10

Het bewijs van vakbekwaamheid heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en kan verlengd worden overeenkomstig de bepalingen van artikelen 13 en 13/1.

In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid van de in artikel 5, § 1, 2° en artikel 5, § 2, 2° bedoelde bestuurders bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.

Artikel 11

Bestuurders die overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° en artikel 5, § 2, 2° zijn vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie, maar die binnen de termijn bepaald in artikel 73 geen bewijs van vakbekwaamheid verkregen, kunnen het bewijs van vakbekwaamheid alsnog verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van artikelen 13 en 13/1.

Afdeling 4. Verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 12

De overheid bedoeld in artikel 8, § 2 verleent of verlengt het bewijs van vakbekwaamheid op basis van de getuigschriften van nascholing, afgeleverd door een opleidingscentrum in één van de Lidstaten van de Europese Unie of door de bevoegde autoriteiten van één van de Lidstaten van de Europese Unie. De betrokkene levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 4, derde lid dit getuigschrift van nascholing in een andere lidstaat van de Europese Unie kon bekomen.

Artikel 13

§ 1. De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt, ook wanneer de geldigheidsduur ervan verstreken is, verlengd voor een periode van vijf jaar door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2 indien de bestuurder aantoont dat hij ten minste 35 kredietpunten heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging. Op het ogenblik van de verlenging worden 35 kredietpunten in mindering gebracht op het kredietpuntensaldo.

§ 2. De geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid van de bestuurder die slaagt voor het examen bedoeld in artikel 43 van dit besluit, wordt verlengd zodanig dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid wordt afgestemd op de geldigheidsduur van het aanvullende bewijs van vakbekwaamheid.

§ 3. De verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt toegekend voor elke categorie waarvoor de bestuurder over een getuigschrift van basiskwalificatie beschikt of daarvan overeenkomstig artikel 5 is vrijgesteld.

Artikel 13/1

§ 1. De personen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, § 4, tweede lid, in België nascholing hebben gevolgd voor het besturen van een voertuig van groep 2 en die niet beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, kunnen een kwalificatiekaart bestuurder verkrijgen waarvan het model bepaald is in bijlage 3, als het land waarin zij hun verblijfplaats hebben de getuigschriften van nascholing bedoeld in artikel 45 niet erkent.

§ 2. De personen bedoeld in paragraaf 1 vragen de verlenging van het bewijs van vakbekwaamheid aan bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

De bestuurder levert het bewijs dat hij de nascholing in België kon volgen.

Het model van het formulier voor verlengingsaanvraag wordt bepaald door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” telkens vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde reikt de kwalificatiekaart bestuurder bedoeld in paragraaf 1 uit aan de aanvrager.

§ 4. Er is een vergoeding verschuldigd van 20 euro voor de uitreiking van de kwalificatiekaart bestuurder bedoeld in paragraaf 1.

De minister kan het in de eerste lid bepaald bedrag aanpassen aan de schommelingen van de index van de consumptieprijzen. In dit geval vermenigvuldigt hij het bedrag met het indexcijfer van de voorbijgaande maand en deelt het product door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand juni 2014. In voorkomend geval verhoogt hij het resultaat met maximum 0,5 euro of verlaagt hij het met maximum 0,49 euro om een eenheid te bekomen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand gedurende dewelke ze in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd.

§ 5. Op het moment van de uitreiking van de kwalificatiekaart bedoeld in paragraaf 1, worden 35 kredietpunten afgetrokken van het kredietpuntensaldo.

Artikel 13, § 3, wordt van toepassing.

  • Hoofdstuk 3. Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 14

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 15

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Afdeling 2. Afgifte van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Artikel 16

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 17

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 18

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Afdeling 3. Geldigheid van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid

Artikel 19

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 20

Opgeheven bij art. 2, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Titel III. Examens

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 21

§ 1. Voor het verkrijgen van een rijbewijs voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen voor een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een examencentrum zoals bedoeld in artikel 22.

Voor het verkrijgen van een getuigschrift van basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen in een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een erkende exameninstelling overeenkomstig de bepalingen van deze titel.

De hiervoor bedoelde examens met het oog op het behalen van een rijbewijs kunnen worden gecombineerd met de examens met het oog op het bewijs van het behalen van een bewijs van basiskwalificatie.

In de gevallen bedoeld in artikel 26, § 3 kan een getuigschrift van basiskwalificatie worden behaald door het afleggen van een aanvullend examen in de zin van artikel 43.

§ 2. Elk examencentrum maakt de gegevens met betrekking tot de resultaten van de in § 1 vermelde examens op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister.

De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 3. De Minister bepaalt de organisatie van de examens, na advies van een commissie van deskundigen.

Hoofdstuk 2. Examencentra

Artikel 22

De examens bedoeld in artikel 21 worden afgelegd in de examencentra bedoeld in artikel 25, § 1, eerste zin, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Voor de toepassing van dit besluit, worden eveneens als examencentra beschouwd :

de instellingen bedoeld in artikel 4, 4° en 8°, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs als het gaat om kandidaten die er de opleiding hebben gevolgd;

de instellingen bedoeld in artikel 4, 5°, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs indien het gaat om kandidaten die er een opleiding hebben gevolgd of om kandidaten die een opleiding hebben gevolgd bij de instellingen bedoeld in artikel 4, 7° en 15° van hetzelfde esluit.

Het woord “esluit” dient gelezen te worden als “besluit”.
Artikel 23

§ 1. De examencentra bedoeld in artikel 22 beantwoorden aan de volgende voorwaarden :

elk examencentrum beschikt over een gepaste infrastructuur, inzonderheid lokalen en terreinen buiten het verkeer, alsook het materiaal dat nodig is om de theoretische en de praktische examens bedoeld in deze titel af te nemen;

elk examencentrum beschikt vanaf 1 januari 2015 over een ISO 9000-, een CEDEO-, of een EFQM-erkenning of over andere certificaten of erkenningen die door de minister of door zijn gemachtigde zijn toegelaten;

elk examencentrum bedoeld in artikel 22, eerste lid organiseert alle indeze titel bedoelde examens;

elk examencentrum stelt jaarlijks een activiteitenverslag op en bezorgt dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgende jaar aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De minister of zijn gemachtigde bepaalt de inhoud van dit verslag;

Voor wat betreft het Waals Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” vervangen door de woorden “aan het ″DGO2″″.

elk examencentrum gebruikt uitsluitend de examenvragen en de informaticatoepassing die de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ter beschikking stelt en gebruikt deze op de door de administratie bepaalde wijze;

elk examencentrum neemt deel aan de vergaderingen die de Minister of zijn gemachtigde organiseert. Deze deelname kan gebeuren door de aanwezigheid van een afgevaardigde van de groepering waarbij de examencentra zijn aangesloten;

elk examencentrum schikt zich naar de instructies van de minister of zijn gemachtigde in uitvoering van de bepalingen van dit besluit, met inbegrip van de examenvademecums;

elk examencentrum bezorgt de minister of zijn gemachtigde alle informatie met betrekking tot de uitoefening van zijn opdracht;

elk examencentrum zorgt ervoor dat de examens, uitgezonderd de computergestuurde examens, door erkende examinatoren worden afgenomen.

§ 2. De door de minister of door zijn gemachtigde aangestelde personen of organismen die met de inspectie en het toezicht bedoeld in artikel 53, zijn belast, mogen de examens bijwonen en zijn gemachtigd om controle uit te voeren op de gebruikte middelen en op het goede verloop van de examens.

Op eenvoudige vraag van de instantie bedoeld in het eerste lid is het examencentrum daarom verplicht de plaats, de datum en het uur van de geplande examens meer te delen.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” telkens vervangen door de woorden “het Departement”.
Voor wat betreft het Waals Gewest, wordt het woord “Minister” telkens vervangen door de woorden “Waalse Minister”.
Artikel 24

Opgeheven bij art. 7 K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 25

§ 1. De examinatoren belast met de in deze titel bepaalde examens worden aangeworven en bezoldigd door de in dit hoofdstuk bedoelde examencentra. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend en voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 26, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. De Minister kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van het examencentrum te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

Artikel 25 Waals Gewest

§ 1. De examinatoren belast met de in deze titel bepaalde examens worden aangeworven en bezoldigd door de in dit hoofdstuk bedoelde examencentra. Ze zijn door de Waalse Minister of zijn gemachtigde erkend en voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 26, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. De Waalse Minister of zijn gemachtigde kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van het examencentrum te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit.

  • Hoofdstuk 3. Examens

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 26

§ 1. Elke kandidaat-bestuurder legt de hierna bepaalde examens af in het voor hem toegankelijke examencentrum van zijn keuze.

§ 2. De kandidaat voor het theoretisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het praktisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het theoretisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 30.

De kandidaat voor het praktisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 32, 33 en 34.

De kandidaat voor het gecombineerd theoretisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 37.

De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 39, 40 en 41 van dit besluit.

§ 3. De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid C, kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel 43.

De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid D, kan een bewijs van vakbekwaamheid C verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel 43.

§ 4. Elke kandidaat voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen basiskwalificatie, zoals bepaald in dit hoofdstuk, moet voldoen aan de volgende voorwaarden :

de kandidaat moet een rijbewijs voorleggen dat geldig is voor :

  • de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C1, C, D1 of D; deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;
  • het besturen van het overeenstemmend trekkend voertuig wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E; deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;

de kandidaat mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig van groep 2 te besturen en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;

de kandidaat moet voldoen aan de bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 27

§ 1. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, mag de theoretische examens afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door de kandidaat wordt vergoed.

Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden.

Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De Minister of zijn gemachtigde kan van deze bepaling afwijken voor de examencentra die hem een onderling afgesproken beurtregeling of werkverdeling per taalrol voorleggen waaraan hij zijn goedkeuring verleent.

§ 2. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, kan zich voor de praktische examens op eigen kosten laten bijstaan door een tolk gekozen uit de beëdigde vertalers.

§ 3. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de theoretische examens afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister of zijn gemachtigde. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in één van deze gevallen bevindt door het overleggen van een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.

§ 4. De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor één van de hierna vermelde theoretische examens kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

§ 5. Dit artikel is alleen van toepassing op de examens afgelegd in een examencentrum zoals bedoeld in artikel 22, eerste lid.

Artikel 27 Vlaams Gewest

§ 1. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het theoretisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich voor het theoretisch examen laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden.

Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De Minister of zijn gemachtigde kan van deze bepaling afwijken voor de examencentra die hem een onderling afgesproken beurtregeling of werkverdeling per taalrol voorleggen waaraan hij zijn goedkeuring verleent.

§ 2. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het praktische examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die door hem onder de beëdigde vertalers wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich voor het praktisch examen laten bijstaan door een door hem aangewezen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

§ 3. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de theoretische examens afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister of zijn gemachtigde. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in één van deze gevallen bevindt door het overleggen van een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.

§ 4. De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor één van de hierna vermelde theoretische examens kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

§ 5. Dit artikel is alleen van toepassing op de examens afgelegd in een examencentrum zoals bedoeld in artikel 22, eerste lid.

Artikel 27 Waals Gewest

§ 1. De kandidaat die noch het Frans, noch het Duits machtig is, kan het theoretisch examen afleggen in het Nederlands of in het Engels, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door de kandidaat wordt vergoed.

Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden.

Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De Waalse Minister of zijn gemachtigde kan van deze bepaling afwijken voor de examencentra die hem een onderling afgesproken beurtregeling of werkverdeling per taalrol voorleggen waaraan hij zijn goedkeuring verleent.

De kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. De tolk wordt door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.

§ 2. De kandidaat, die noch de Franse, noch de Duitse taal machtig is, kan zich voor de praktische examens op eigen kosten laten bijstaan door een tolk in de Nederlandse taal of de Engelse taal gekozen uit de beëdigde vertalers.

§ 3. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de theoretische examens afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Waalse Minister of zijn gemachtigde. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.

De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in één van deze gevallen bevindt door het overleggen van een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering waarvan het model door de Waalse Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald.

§ 4. (Opgeheven)

§ 5. Dit artikel is alleen van toepassing op de examens afgelegd in een examencentrum zoals bedoeld in artikel 22, eerste lid.

Afdeling 2. Examen rijbewijs

Artikel 28

Het theoretisch en praktisch examen met het oog op het behalen van het rijbewijs verlopen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 27 tot 47 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, met uitzondering van de bepalingen van artikel 32, paragrafen 3 en 5.

Afdeling 3. Examen basiskwalificatie

Onderafdeling 1. Theoretisch examen basiskwalificatie
Artikel 29

Het theoretisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage 1 wordt opgesomd. Het theorie-examen basiskwalificatie bestaat uit drie delen :

100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen. Deze proef duurt 100 minuten;

casestudy's. Deze proef duurt 80 minuten;

een mondelinge proef. Deze proef duurt 60 minuten.

Het theoretisch examen basiskwalificatie wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze bepaald door de Minister. De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen.

De inschrijving voor het theoretisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Elk geslaagd deel van het theoretisch examen blijft geldig gedurende drie jaar.

Artikel 30

§ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretisch examen basiskwalificatie is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. Om toegelaten te worden tot het theoretisch examen basiskwalificatie voor het behalen van het getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor voertuigen van groep 2, moet de kandidaat - naast de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4 - tevens voldoen aan de volgende voorwaarden :

het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorleggen indien hij een onderdaan is van de Europese Unie;

een document voorleggen waaruit blijkt dat hij in dienst is van of werkt voor een onderneming die gevestigd is in het Rijk indien hij een onderdaan is van een derde land.

§ 3. De aangestelde van het examencentrum bevestigt het slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie.

Het model van het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd.

Onderafdeling 2: Praktisch examen basiskwalificatie
Artikel 31

Het praktisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage 1 wordt opgesomd.

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep C indien een bewijs van vakbekwaamheid C wordt aangevraagd.

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep D indien een bewijs van vakbekwaamheid D wordt aangevraagd.

Het examen wordt beoordeeld op de door de Minister bepaalde wijze.

De inschrijving voor het praktisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Artikel 32

Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie moet de kandidaat geslaagd zijn voor het theoretisch examen basiskwalificatie. De geldigheidsduur van het theoretisch examen is beperkt tot drie jaar.

Artikel 33

Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie met het oog op het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E legt de kandidaat voor :

het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs indien het onderdanen van de Europese Unie betreft;

een document waaruit blijkt dat de kandidaat in dienst is van of werkt voor een onderneming die gevestigd is in het Rijk indien het onderdanen van een derde land betreft;

de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;

een attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie;

het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is.

Artikel 34

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C+E biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 6 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De praktische test voorzien in artikel 35, § 1, 2°, kan afgelegd worden met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 10, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De praktische test voorzien in artikel 35, § 1, 2°, kan afgelegd worden met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 9, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1 biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1+E biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 10 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D+E biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 8 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1 biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 11 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1+E biedt zich in het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 12 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 35

§ 1. Het praktisch examen basiskwalificatie bestaat uit twee delen :

een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten. Evenwel kan een test op een speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste duur van 90 minuten;

een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van de bijlage 1 bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten.

Elk geslaagd deel van het praktisch examen blijft geldig gedurende drie jaar.

§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg neemt de examinator plaats in het voertuig. Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§ 3. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.

§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vastgesteld door de Minister.

§ 5. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het praktisch examen door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan.

Het model van het getuigschrift van basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd.

De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 10 begint te lopen vanaf het moment van afgifte van het getuigschrift van basiskwalificatie.

Afdeling 4. Gecombineerd examen

Onderafdeling 1. Gecombineerd theoretisch examen
Artikel 36

Het gecombineerd theoretisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage 1 bij dit besluit en in bijlage 4 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd.

Het gecombineerd theoretisch examen bestaat uit drie delen :

100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen. Deze proef duurt 100 minuten;

casestudy's. Deze proef duurt 80 minuten;

een mondelinge proef. Deze proef duurt 60 minuten.

Het gecombineerd theoretisch examen wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze door de Minister bepaald.

De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen.

De inschrijving voor het gecombineerd theoretisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Elk geslaagd deel van het theoretisch examen blijft geldig gedurende drie jaar.

Artikel 37

§ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het gecombineerd theoretisch examen is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. Om toegelaten te worden tot het gecombineerd theoretisch examen, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :

het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorleggen;

voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4.

§ 3. De examinator of de aangestelde van het examencentrum bevestigt het slagen voor het gecombineerde theoretisch examen op de aanvraag om een rijbewijs of op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie zoals bedoeld in artikel 30, § 3.

Onderafdeling 2. Gecombineerd praktisch examen
Artikel 38

Het gecombineerd praktisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage 1 bij dit besluit en bijlage 5 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd.

Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid worden aangevraagd.

De inschrijving voor het gecombineerd praktisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.

Het gecombineerd praktisch examen wordt beoordeeld op de wijze door de Minister bepaald.

Artikel 39

Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen moet de kandidaat geslaagd zijn voor het gecombineerd theoretisch examen vermeld in artikel 36. De geldigheidsduur van het gecombineerd theoretisch examen is beperkt tot drie jaar.

Artikel 40

Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen legt de kandidaat voor :

het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;

het hierna opgesomde document dat op de kandidaat van toepassing is :

a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor het theoretisch examen is aangebracht.

In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor;

b) het nog geldig voorlopig rijbewijs.

Het voorlopig rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van praktisch onderricht dat bewijst dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs gevolgd zijn;

c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° of 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs bedoelde opleiding gevolgd heeft;

de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;

het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;

het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;

het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;

in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is.

Artikel 41

De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen legt dat examen af met een voertuig, overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Artikel 41/1

§ 1. De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie C1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 9, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie C1 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 40, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie C1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie D1 met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 11, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie D1 nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 40, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie D1.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C+E mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie C1+E met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 10, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie C1+E nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 40, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie C+E waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie C1+E.

De kandidaat die houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D+E mag, indien hij het wenst, deelnemen aan het praktisch examen voor categorie D1+E met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 12, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In dit geval ontvangt hij een aanvraag om een rijbewijs geldig voor categorie D1+E nadat hij geslaagd is voor het praktisch examen. In afwijking van artikel 40, 2°, legt hij het voorlopig rijbewijs geldig voor categorie D+E waarvan hij houder is voor om toegelaten te worden tot het praktisch examen van categorie D1+E.

§ 2. Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, van categorie C geldt eveneens voor categorie C1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, van categorie D geldt eveneens voor categorie D1.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, van categorie C+E geldt eveneens voor categorie C1+E.

Het slagen in de proef op het terrein buiten het verkeer bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, van categorie D+E geldt eveneens voor categorie D1+E.

§ 3. Het slagen in de praktische proef bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van categorie C geldt eveneens voor categorie C1.

Het slagen in de praktische proef bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van categorie D geldt eveneens voor categorie D1.

Het slagen in de praktische proef bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van categorie C+E geldt eveneens voor categorie C1+E.

Het slagen in de praktische proef bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van categorie D+E geldt eveneens voor categorie D1+E.

Artikel 42

§ 1. Het gecombineerd praktisch examen bestaat uit drie delen :

een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten. Evenwel kan een test op een speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste duur van 90 minuten;

een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van de bijlage 1 bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten;

een proef op een terrein buiten het verkeer zoals bedoeld in artikel 39, § 1, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Deze proef duurt minstens 15 minuten voor de categorieën C1, C, D1 en D.

Deze proef duurt minstens 30 minuten voor de categorie C1+E en C+E.

Deze proef duurt minstens 25 minuten voor de categorie D1+E en D+E.

Elk geslaagd deel van het praktisch examen blijft geldig gedurende drie jaar.

§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg moet de examinator plaatsnemen in het voertuig.

Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen.

Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats.

Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.

§ 3. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.

§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria bepaald door de Minister.

§ 5. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen enerzijds, door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie en anderzijds, op de aanvraag om een rijbewijs, beide met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In het geval bedoeld in artikel 44 wordt het slagen voor het praktisch examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 10 begint te lopen vanaf het moment van afgifte van het getuigschrift van basiskwalificatie.

Afdeling 5. Aanvullend examen basiskwalificatie

Artikel 43

De in artikel 26, § 3 bedoelde bestuurders kunnen een aanvullend examen afleggen. Het aanvullend theoretisch examen is beperkt tot de in de bijlage 1 bij dit besluit genoemde onderwerpen betreffende de voertuigen waarop de nieuwe basiskwalificatie betrekking heeft. Dit examen verloopt overeenkomstig artikel 29, lid 2 en 3 en artikel 30.

Het aanvullend praktisch examen dient te worden afgelegd overeenkomstig de artikelen 31 tot en met 35.

Hoofdstuk 4. Beroep in geval van niet slagen voor het praktisch examen

Artikel 44

§ 1. Na twee mislukkingen voor hetzelfde type praktisch examen vermeld in dit besluit, kan tegen die tweede beslissing beroep worden ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Dit beroep moet ingediend worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken.

Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 61 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.

Voor wat betreft het Waals Gewest, worden de woorden ″artikel 61 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs″ vervangen door de woorden ″artikel 63 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs″.

Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd.

§ 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht.

Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de mislukking.

Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke voorwaarden het examen plaats heeft.

§ 3. In afwijking van artikelen 35, § 5, en 42, § 5, wordt het getuigschrift van basiskwalificatie afgeleverd door de Minister of zijn gemachtigde op basis van de beslissing van welslagen van de beroepscommissie over het praktisch examen.

Het getuigschrift van basiskwalificatie, bedoeld in het eerst lid, vermeldt de categorie van het voertuig waarmee de kandidaat het examen heeft afgelegd en de datum van het praktisch examen ten gevolge van het beroep bedoeld in dit artikel.

Titel IV. De nascholing

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 45

§ 1. De nascholing waarvan sprake in artikel 3, § 4 houdt het volgen in van lessen in een opleidingscentrum. Aan de bestuurder die een nascholingsmodule van ten minste zeven uur heeft gevolgd, wordt door het opleidingscentrum een getuigschrift van nascholing afgeleverd.

Het model van het in lid 1 bedoelde getuigschrift van nascholing wordt door de Minister bepaald.

De nascholing kan ten dele worden gegeven met behulp van hoogwaardige simulatoren.

§ 2. Elk opleidingscentrum maakt de gegevens met betrekking tot de georganiseerde nascholing en de deelnemers aan deze cursussen op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, volgens de modaliteiten bepaald door de Minister.

De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 3. Voor elke nascholingscursus worden per gevolgde module van ten minste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend.

§ 4. De nascholing omvat ten minste een module over elk van de drie onderwerpen bedoeld in de punten 1 tot 3 van bijlage 1.

Minstens één van de door de bestuurder gekozen modules moet een module over defensief of zuinig rijden zijn die ten minste drie uur praktisch rijonderricht omvat.

Hoofdstuk 2. Opleidingscentra

Artikel 46

De minister of zijn gemachtigde erkent de opleidingscentra die de nascholing organiseren.

Een erkenning kan worden verleend voor alle aspecten van de nascholing. Evenwel kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer. Eveneens kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer.

De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend.

Artikel 47

§ 1. Om te worden erkend dient het kandidaat-opleidingscentrum te voldoen aan de volgende voorwaarden :

elk opleidingscentrum moet beschikken over een gepaste infrastructuur alsook het pedagogisch materiaal voorzien in bijlage 2;

elk kandidaat-opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, verbindt zich er toe om binnen een termijn van drie jaar na de erkenning een Q*for-, ISO- of CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of andere certificaten of erkenningen die door de minister of zijn gemachtigde aanvaard worden, te bekomen;

elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

De minister of zijn gemachtigde bepaalt de onderwerpen die daarin aan bod moeten komen;

elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe een modulair opgebouwd opleidingsprogramma aan te bieden waarin de voor de gevraagde erkenning of deelerkenning van toepassing zijnde onderwerpen uit de bijlage 1 behandeld worden. Elke module omvat minstens zeven uren nascholing. Dit programma moet initieel de goedkeuring ontvangen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage 1 die betrekking hebben op het goederenvervoer, onderwezen worden.

Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage 1 die betrekking hebben op het personenvervoer onderwezen worden;

Een opleidingsmodule over de onderwerpen bedoeld in de punten 1.1, 1.2, 1.3 of 3.1 van bijlage 1 moet ten minste 3 uur sturen per deelnemende bestuurder bevatten;

elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe op de door de minister of zijn gemachtigde bepaalde wijze elke wijziging aan het programma voor goedkeuring mee te delen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die binnen een termijn van zestig dagen de wijzigingen goed- of afkeurt;

elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de nascholing wordt gegeven conform het goedgekeurde opleidingsprogramma;

elk kandidaat-opleidingcentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs beschikken over een afdoende professionele ervaring in de onderwezen materie en op de hoogte zijn en rekening houden met de meest recente ontwikkelingen in de beroepsopleidingsvoorschriften en -eisen en dat ze didactisch en pedagogisch onderlegd zijn;

elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs van het praktijkgedeelte van de opleiding minstens zeven jaar beschikken over het rijbewijs voor de betrokken categorie;

elk kandidaat-opleidingscentrum, met uitzondering van deze die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer alsook van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt er zich toe bij de inschrijving voor de nascholing binnen de twee maanden de opleiding te organiseren, ongeacht het aantal inschrijvingen.

10° elk opleidingscentrum moet beschikken over een directeur, die het opleidingscentrum vertegenwoordigt bij de openbare instellingen en die verantwoordelijk is voor de organisatie van de opleiding en voor de administratieve taken;

11° elk opleidingscentrum moet beschikken over minstens één computer met internetverbinding met het oog op de elektronische communicatie van de gegevens betreffende de georganiseerde nascholing en de deelnemers aan de cursussen alsook de behaalde kredietpunten via een webservice van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” telkens vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 2. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden :

het opleidingscentrum levert het bewijs dat het blijvend voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, 4 en 5;

het opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, levert het bewijs te beschikken over een Q*for-, ISO- of CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of andere certificaten of erkenningen die door de minister of zijn gemachtigde aanvaard worden;

het opleidingscentrum heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 3. Bij gebrek aan beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het opleidingsprogramma binnen zestig dagen na ontvangst ervan, wordt de goedkeuring ervan geacht te zijn verleend.

§ 4. De door de minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53, kunnen de nascholing bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop van de opleidingen.

Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt het opleidingscentrum hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande nascholing mee.

Artikel 48

§ 1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de minister of zijn gemachtigde.

Bij de aanvraag moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld :

de maatregelen die het opleidingscentrum reeds heeft genomen op het moment van de aanvraag en nog zal nemen om binnen drie jaar het bewijs te leveren dat een Q*for-, een ISO-, een CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of een ander certificaat of erkenning die door de minister of zijn gemachtigde is aanvaard, is verkregen. Deze verplichting geldt niet voor de onderwijsinstellingen;

de lijst van de instructeurs belast met de nascholing alsook de identiteit van de directeur;

informatie over de cursusruimten en het lesmateriaal. Deze informatie omvat voor de opleidingen « rationeel rijden » eveneens de informatie met betrekking tot de voor de praktijklessen beschikbare middelen en het gebruikte wagenpark;

de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, onder meer het vereiste aantal deelnemers;

de informatie waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 1 vermelde voorwaarden is voldaan.

De minister of zijn gemachtigde levert de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, worden de woorden “de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer” vervangen door de woorden “het Departement”.

§ 2. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

De aanvraag tot vernieuwing van de erkenning moet worden ingediend ten laatste zes maanden voor de vervaldatum van de geldigheid van de erkenning.

De minister of zijn gemachtigde levert de vernieuwing van de erkenning af binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van de volledigheid van zijn aanvraag.

§ 3. De minister of zijn gemachtigde kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen.

§ 4. De minister of zijn gemachtigde verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum.

De toekenning van de erkenning alsook van de vernieuwing van de erkenning worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Titel V. Alternerende beroepsopleiding

Hoofdstuk 1. Centra voor alternerende beroepsopleiding

Artikel 49

Opgeheven bij art. 19, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 50

Opgeheven bij art. 19, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Artikel 51

Opgeheven bij art. 19, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Hoofdstuk 2. Alternerende beroepsopleiding wegvervoer

Artikel 52

Opgeheven bij art. 19, K.B. 10 januari 2013 (B.S. 18 januari 2013)

Titel VI. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1. Inspectie en controle

Artikel 53

De personen of organismen die door de Minister of door zijn gemachtigde worden belast met de inspectie en de controle op de naleving van dit besluit hebben toegang tot de lokalen van de examencentra en de opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig dit besluit. Zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde zijn de examencentra en de opleidingscentra die zijn erkend overeenkomstig dit besluit, ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

Artikel 53 Waals Gewest

De personen of organismen die door de Minister of door zijn gemachtigde of door de Waalse Minister of zijn gemachtigde, ieder wat hem betreft, worden belast met de inspectie en de controle op de naleving van dit besluit hebben toegang tot de lokalen van de examencentra en de opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig dit besluit. Zij mogen inzage nemen van alle documenten in verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.

Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde of door de Waalse Minister of zijn gemachtigde, ieder wat hem betreft, zijn de examencentra en de opleidingscentra die zijn erkend overeenkomstig dit besluit, ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de toepassing van dit besluit.

Artikel 54

De Minister kan overgaan tot tijdelijke, gehele of gedeeltelijke opschorting of tot intrekking van de erkenning van het opleidingscentrum dat is erkend overeenkomstig dit besluit, na de betrokkenen te hebben gehoord, indien, al dan niet in het kader van de controles overeenkomstig artikel 53, wordt vastgesteld dat het erkende centrum niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

Hoofdstuk 2. Retributies

Artikel 55

§ 1. De erkenningsaanvraag of de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning als opleidingscentrum, bedoeld in artikel 46, geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 1.000 euro.

§ 2. Elk opleidingscentrum is een jaarlijkse retributie van 250 euro verschuldigd om de kosten van administratie en controle te dekken.

Deze retributies worden ten laatste op 31 maart van het betreffende jaar betaald.

§ 3. De retributies voorzien in § 1 en 2 worden overgemaakt op rekening BE86 6792 0060 1050 van het Directoraat-Generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid, City Atrium, Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt: “§ 3. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden betaald op de in het betalingsverzoek vastgestelde wijze.”.

§ 4. Vanaf het kalenderjaar 2011, worden elk jaar de bedragen bedoeld in § 1 en 2 automatisch geïndexeerd op 1 januari op basis van de consumptieprijsindex van de maand november van het vorige jaar.

Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,5 decimalen of naar beneden indien het berekend bedrag lager is dan 0,5 decimalen.

Artikel 55/1

§ 1. De afgifte van het certificaat bedoeld in artikel 8, §1, eerste lid, 3°, of van een duplicaat van dit certificaat geeft aanleiding tot de betaling van een retributie van 11 euro.

De retributie bedoeld in het eerste lid wordt betaald via overschrijving op een rekening van de Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, overeenkomstig de voorschriften van de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Voor wat betreft het Vlaams Gewest, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt: “De retributies, vermeld in het eerste lid, moeten worden betaald op de in het betalingsverzoek vastgestelde wijze.”.

§ 2. (Opgeheven)

§ 3. De Minister kan het in de § 1 bepaalde bedrag aanpassen aan de schommelingen van de index van de consumptieprijzen. In dit geval vermenigvuldigt hij het bedrag met het indexcijfer van de voorbijgaande maand en deelt het produkt door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende dewelke dit besluit in werking is getreden. In voorkomend geval verhoogt hij het resultaat met maximum 0,5 euro of verlaagt hij het met maximum 0,49 euro om een eenheid te bekomen. De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand gedurende dewelke ze in het Belgisch staatsblad werden gepubliceerd.

De retributies voorzien in §1 worden in geen geval terugbetaald.

Titel VII. Slotbepalingen

Hoofdstuk 1. Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Artikel 56

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 september 2002, 22 maart 2004, 10 juli 2006 en 1 september 2006, wordt aangevuld als volgt :

« 17° de bestuurders die het praktisch examen bedoeld in de artikelen 38 tot en met 42 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E afleggen of met het oog daarop scholing volgen;

18° de bestuurders die houder zijn van een geldig voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid in de zin van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 57

Opgeheven (art. 6, KB 28-11-2008, BS 09-12-2008, inwerking 10-09-2008)

Artikel 58

Artikel 18, tweede lid van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :

« Evenwel kan elke kandidaat van tenminste 18 jaar een rijbewijs geldig voor de categorieën C, C+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E verkrijgen op voorwaarde dat hij eveneens beschikt over een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 59

Artikel 19, § 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :

« § 3. De kandidaat van minder dan 21 jaar oud die het praktisch examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie C of C+E of met een voertuig van de categorie D of D+E ontvangt een rijbewijs enkel geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, behalve als hij houder is van een getuigschrift van basiskwalificatie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.

Als deze kandidaat de leeftijd van 21 jaar bereikt, kan een rijbewijs geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C, C+E, D of D+E worden afgegeven, zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De procedure voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing. ».

Artikel 60

Artikel 21, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :

« Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E of van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of voor de duur van de geldigheid van het bewijs van vakbekwaamheid. Indien deze termijnen verschillen is de geldigheidsduur beperkt tot de kortste termijn. ».

Artikel 61

In artikel 21, § 1, derde lid van hetzelfde besluit vervallen de woorden « Deze periode wordt teruggebracht tot drie jaar als de houder 50 jaar of meer is; bovendien verstrijkt de geldigheid van het rijbewijs afgegeven voordat de leeftijd van 50 jaar wordt bereikt, ten laatste op het ogenblik dat de houder de leeftijd van 53 jaar bereikt. ».

Artikel 62

In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 september 2002 en 1 september 2006, wordt een § 3 ingevoegd, luidende:

« § 3. De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de examens voor het behalen van het rijbewijs voor het besturen van de voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E. ».

Artikel 63

In hetzelfde besluit worden opgeheven :

artikel 27, 3°;

artikel 29, 1°;

artikel 29, 3°.

Artikel 64

Artikel 44, § 5, derde lid van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :

« Het attest is vijf jaar geldig. Het kan evenwel afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6. ».

Artikel 65

Artikel 58, § 1, 6° van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :

« 6° per categorie of subcategorie, de datum van afgifte van het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid en de uiterste geldigheidsdatum van deze bewijzen; ».

Artikel 66

In artikel 63, § 1 van hetzelfde besluit vervallen de woorden :

« categorieën C, C+E, D en D+E en subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E : volledig praktisch examen ... 45,00 EUR
praktische proef alleen op de openbare weg ... 37,50 EUR ».

Artikel 67

In artikel 74 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

de woorden « 2° tot 7° » worden vervangen door de woorden « 2° tot 9° »;

in hetzelfde artikel wordt 2° vervangen door de volgende bepaling :

« 2° de gegevens betreffende het rijbewijs, de als zodanig geldende bewijzen en de ervoor afgelegde examens; »;

in hetzelfde artikel wordt 6°, eerste lid, vervangen als volgt :

« 6° de gegevens betreffende de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook in artikel 25 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E »;

hetzelfde artikel wordt aangevuld met een 9° als volgt :

« 9° de gegevens betreffende de vakbekwaamheid, de ervoor geldende bewijzen en de ervoor afgelegde examens, bepaald in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 68

In artikel 75 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

de bepaling onder 1°, a) wordt aangevuld als volgt :

« a) de afgifte van de rijbewijzen en de als zodanig geldende bewijzen alsook van de bewijzen van vakbekwaamheid bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. »;

in hetzelfde artikel wordt onderdeel b) vervangen als volgt :

« b) de examencentra en de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook in artikel 25 van koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; »;

in hetzelfde artikel wordt de bepaling onder 1° aangevuld als volgt :

« d) de exameninstellingen en de opleidingscentra, overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; »;

de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt :

« 10° de afgifte, door de overheid, van de rijbewijzen en de als zodanig geldende bewijzen alsook van de bewijzen van vakbekwaamheid bedoeld in het koninklijk besluit 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; ».

Artikel 69

In artikel 76 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :

in het tweede lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7°, 8° en 9° » ;

in het derde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en 7° mogen worden meegedeeld aan de examinatoren bedoeld in artikel 26 » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 9° mogen worden meegedeeld aan de examinatoren bedoeld in artikel 26 van dit besluit alsook in artikel 25 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. »;

in het vierde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3° en 4° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en 9° »;

in het vijfde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en 7° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 9° »;

in het zesde lid worden de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° » vervangen door de woorden « De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7°, 8° en 9° ».

Artikel 70

In artikel 77 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen als volgt :

« De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 5°, 6°, 7° en 9° worden bewaard zonder tijdsbeperking. ».

Artikel 71

§ 1. In Bijlage 7, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 5 september 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 april 2006 en 1 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

de woorden « 95 : bestuurder, houder van het getuigschrift, die voldoet aan de vakbekwaamheidsvereisten tot ... » worden ingevoegd tussen de woorden « 90.07 : bedienbaar » en de woorden « II. Nationale codes »;

de II betreffende de Nationale codes wordt aangevuld als volgt :

« 121 : beperkt tot vervoer binnen het Rijk en desgevallend geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 km bedraagt, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

Artikel 72

§ 1. In artikel 8.2, 1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 23 maart 1998 worden volgende wijzigingen aangebracht :

onderdeel b) wordt vervangen als volgt :

« b) 18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E en de subcategorieën D1 en D1+E voor geregeld personenvervoer waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E »;

onderdeel d) wordt toegevoegd als volgt :

« d) 20 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E en de subcategorieën D1 en D1+E voor personenvervoer, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E. ».

§ 2. In artikel 8.2, 2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 23 maart 1998, wordt punt 2°, tweede lid, b) vervangen als volgt :

« b) 18 jaar voor bestuurders van voertuigen van de categorieën C en C+E en de subcategorieën C1 en C1+E die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid C zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E; ».

§ 3. Artikel 59.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991, 29 mei 1996, 23 maart 1998, 14 mei 2002 en 22 maart 2004, wordt opgeheven.

Hoofdstuk 2. Overgangsbepalingen

Artikel 73

§ 1. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid, in afwijking van artikel 3, § 2 :

tot 10 september 2016, de bestuurders vermeld in artikel 5, § 1, 2°, die houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs;

tot 10 september 2015, de bestuurders vermeld in artikel 5, § 2, 2°, die houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs.

Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C en, tot 10 september 2016, van de verplichting om houder te zijn van een bewijs van vakbekwaamheid C, de bestuurders die houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs van groep C, afgeleverd vóór 31 januari 2010 en van een « certificat de qualification » afgegeven bij het einde van het zesde jaar van het secundaire Franstalige beroepsonderwijs aan de leerlingen die de opleiding « conducteurs poids lourds » gevolgd hebben of van een studiegetuigschrift van het tweede jaar van de derde graad van het Nederlandstalige beroepsonderwijs afgegeven aan de leerlingen die de opleiding « bestuurders van vrachtwagens » gevolgd hebben; het « certificat de qualification » en het studiegetuigschrift dienen afgeleverd te zijn vóór 10 september 2009.

§ 2. Bij de vervanging van het document bedoeld in artikel 8, § 1, van dit besluit van de bestuurders bedoeld in §1, 1°, in de periode tussen 10 september 2009 en 9 september 2016 wordt op verzoek van de bestuurder op dat document de code 95 opgenomen door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2.

In dat geval is het bewijs van vakbekwaamheid geldig tot ten laatste 9 september 2016.

Indien de bestuurder bij deze vervanging evenwel aantoont dat hij 35 kredietpunten heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van zeven jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging, bedraagt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid vijf jaar.

§ 3. Bij de vervanging van het document bedoeld in artikel 8, § 1, van dit besluit van de bestuurders bedoeld in § 1, 2°, in de periode tussen 10 september 2008 en 9 september 2015 wordt op verzoek van de bestuurder op dat document de code 95 opgenomen door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2.

In dat geval is het bewijs van vakbekwaamheid geldig tot ten laatste 9 september 2015.

Indien de bestuurder bij deze vervanging evenwel aantoont dat hij 35 kredieturen heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van zeven jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging, bedraagt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid vijf jaar.

Artikel 74

In afwijking van artikel 3, § 3 zijn de bestuurders van voertuigen van groep C tot 10 september 2009 vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C.

Artikel 74bis

§ 1. In afwijking van de bepalingen van Titel III worden de theorie- en praktijkexamens met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van groep 2 tot en met 18 januari 2013 afgelegd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel 21, § 1, tweede lid, worden de examens met het oog op het behalen van het getuigschrift van basiskwalificatie tot en met 18 januari 2013 georganiseerd door de examencentra bedoeld in artikel 25, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en door de organismen bedoeld in artikel 4, 4°, 5° en 8° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voor de kandidaten die daar een opleiding hebben gevolgd en door de organismen bedoeld in artikel 4, 5° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voor de kandidaten die een opleiding hebben gevolgd in een organisme bedoeld in artikel 4, 5°, 7° of 15° van dit besluit.

Artikel 74bis/1

Artikel 41/1 is van toepassing op voorlopige rijbewijzen afgegeven na 1 mei 2012 en op examens geslaagd na 1 mei 2012.

Artikel 74ter

§ 1. Voor de examens afgelegd in de examencentra bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, worden de volgende retributies betaald :

Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 1° en artikel 36, tweede lid, 1° : 51 euro;

Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 2° en artikel 36, tweede lid, 2° : 43 euro;

Theoretisch examen bedoeld in artikel 29, eerste lid, 3° en artikel 36, tweede lid, 3° : 89 euro;

Voor het theoretisch examen bedoeld in artikel 27, § 1, § 3 en § 4 geldt een toeslag van 75 euro.

Praktisch examen bedoeld in artikel 35, § 1, 1° en artikel 42, § 1, 1° : 124 euro;

Praktisch examen bedoeld in artikel 35, § 1, 2° en artikel 42, § 1, 2° : 53 euro;

Praktisch examen bedoeld in artikel 42, § 1, 3° : 36 euro;

Theoretisch examen bedoeld in artikel 28 : 15,00 EUR;

Praktisch examen bedoeld in artikel 28 :

volledig praktisch examen : 45,00 EUR
praktisch examen uitsluitend op de openbare weg : 37,50 EUR.

Indien het examen bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, wordt afgelegd met een voertuig van de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E : 47 euro.

Indien de praktische proeven bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en 3° worden afgelegd op hetzelfde moment, wordt de volgende retributie betaald : 71 euro.

Indien de praktische proeven bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en 3° worden afgelegd op hetzelfde moment met een voertuig van de categorie C1+E, C+E, D1+E of D+E, wordt de volgende retributie betaald : 83 euro.

§ 2. De in § 1 voorziene retributies moeten ten laatste de tiende dag voorafgaand aan de datum van het examen waarvoor ze verschuldigd zijn, betaald worden. Bij ontstentenis wordt de afspraak vastgelegd door het examencentrum geannuleerd.

De retributies worden terugbetaald indien de kandidaat het examencentrum minstens acht werkdagen, zaterdag niet inbegrepen, voorafgaand aan de datum van het examen heeft verwittigd van zijn afwezigheid.

De retributies worden uitzonderlijk terugbetaald in geval van overmacht waarover de Minister of zijn gemachtigde oordeelt.

§ 3. In de in § 1 bedoelde bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

Deze bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex dat op 31 december 2007 werd bereikt.

De bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 31 december van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en worden tot op de dichtstbijzijnde euro naar beneden afgerond.

Artikel 75

In afwijking van de bepalingen van artikel 47, § 3 en artikel 50, § 3 wordt - bij gebrek aan een beslissing van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - de goedkeuring van het opleidingsprogramma geacht te zijn verleend na verloop van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring van het opleidingsprogramma die wordt ingediend tijdens de periode tussen 1 januari 2008 en 10 september 2009.

Artikel 76

Artikel 45, § 4, dus niet van toepassing van de eerste nascholing die de houders van een rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van groep 2, afgeleverd vóór 1 februari 2013, moeten volgen.

Hoofdstuk 3. Inwerkingtreding

Artikel 77

Dit besluit treedt in werking op 10 september 2008, met uitzondering van de bepalingen van artikel 76 die in werking treden op 1 januari 2008.

In afwijking van het eerste lid :

a) de artikelen 56, 57, 58, 59, 60, 65, 67, 68, 69, 70 en 72 treden op 10 september 2009 in werking voor de bestuurders van voertuigen van groep C.

b) de artikelen 62, 63 en 66 treden in werking op 19 januari 2013.

Hoofdstuk 4. Uitvoering

Artikel 78

Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister bevoegd voor het wegverkeer, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

1. Nascholing in rationeel rijden op basis van de veiligheidsvoorschriften Rijbewijs

C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

1.1. Doelstelling : kennis van de kenmerken van de krachtoverbrenging met het oog op een optimaal gebruik.

Koppelkrommen, van het vermogen en van het specifiek brandstofverbruik van een motor, optimaal gebruiksbereik toerenteller, dekkingsdiagrammen overbrengingsverhoudingen;

1.2. Doelstelling : kennis van de technische kenmerken en de werking van de veiligheidsvoorzieningen teneinde het voertuig onder controle te houden, de slijtage te beperken en disfuncties te voorkomen.

Specifieke eigenschappen van het hydropneumatisch remcircuit, grenzen aan het gebruik van remmen en retarders, gecombineerd gebruik van remmen en retarder, het vinden van de beste bij een snelheid passende versnelling, benutting van de traagheid van het voertuig, benutting van de mogelijkheden tot vertraging en remmen bij afdalingen, wat te doen in geval van defecte remmen;

1.3. Doelstelling : het brandstofverbruik kunnen optimaliseren.

Optimalisering van het brandstofverbruik dankzij kennis betreffende de punten 1.1 en 1.2.;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

1.4. Doelstelling : een lading kunnen vervoeren met inachtneming van de voorschriften inzake veiligheid en goed gebruik van het voertuig.

Op rijdende voertuigen werkende krachten, afstemming van de keuze van de versnelling op de belasting van het voertuig en het profiel van de weg, berekening van het laadvermogen van een voertuig of voertuigcombinatie, berekening van het nuttige volume, verdeling van de belasting, gevolgen van overbelasting van de as, stabiliteit van het voertuig en zwaartepunt, soorten verpakking en pallets.

Voornaamste categorieën goederen die moeten worden vastgezet, klem- en vastzettechnieken, gebruik van sjorringen, controleren van vastzetinrichtingen, gebruik van laad- en losmachines, aanbrenging en verwijdering van dekzeilen;

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

1.5. Doelstelling : de veiligheid en het comfort van de passagiers kunnen waarborgen.

IJking van de bewegingen in de lengte- en de zijrichting, wegverdeling, plaats op de rijweg, soepel remmen, rijden met een overbouw, gebruik van specifieke infrastructuur (openbare plaatsen, voorbehouden rijvakken), beheersen van conflicten tussen veilig rijden en de andere taken als bestuurder, interactie met de passagiers, specifieke kenmerken van het vervoer van bepaalde groepen personen (gehandicapten, kinderen);

1.6. Doelstelling : een lading kunnen vervoeren met inachtneming van de voorschriften inzake veiligheid en goed gebruik van het voertuig.

Op rijdende voertuigen inwerkende krachten, afstemming van de keuze van de versnelling op de belasting van het voertuig en het profiel van de weg, berekening van het laadvermogen van een voertuig of voertuigcombinatie, verdeling van de belasting, gevolgen van overbelasting van de as, stabiliteit van het voertuig en zwaartepunt;

2. Toepassing van de voorschriften

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

2.1. Doelstelling : kennis van het sociale klimaat en de reglementering van het wegvervoer.

Specifiek voor de vervoersector geldende maximumwerktijden; principes, toepassing en gevolgen van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en nr. 3821/85; sancties op het niet gebruiken, verkeerd gebruiken of knoeien met de tachograaf; kennis van het sociale klimaat van het wegvervoer : rechten en plichten van de bestuurders inzake basiskwalificatie en nascholing;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

2.2. Doelstelling : de regelgeving betreffende het goederenvervoer kennen.

Documenten met betrekking tot vervoersexploitatie, uit standaardcontracten voor goederenvervoer voortvloeiende verplichtingen, opstelling van de documenten die het vervoerscontract uitmaken, internationale transportvergunningen, verplichtingen van het Verdrag betreffende de Overeenkomst tot Internationaal Vervoer van Goederen over de Weg, opstelling van de internationale vrachtbrief, grensoverschrijdingen, expediteurs, de goederen begeleidende speciale documenten;

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

2.3. Doelstelling : de regelgeving betreffende het personenvervoer kennen.

Vervoer van specifieke groepen, veiligheidsuitrusting van de bus, veiligheidsgordels, belasting van het voertuig;

3. Gezondheid, verkeers- en milieuveiligheid, dienstverlening, logistiek

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E en D, D+E, D1, D1+E

3.1. Doelstelling : bedacht zijn op de gevaren van het verkeer en op arbeidsongevallen.

Soorten arbeidsongevallen in de vervoersector, statistieken van verkeersongevallen, betrokkenheid daarbij van vrachtwagens/touringcars, gevolgen op menselijk, materieel en financieel vlak;

3.2. Doelstelling : het kunnen voorkomen van criminaliteit en vervoer van illegale immigranten.

Algemene informatie, gevolgen voor de bestuurders, preventieve maatregelen, checklist, wetgeving inzake de verantwoordelijkheid van de vervoerder;

3.3. Doelstelling : fysieke risico's kunnen voorkomen.

Ergonomische principes : risicohandelingen en -houdingen, lichamelijke conditie, oefeningen in goederenbehandeling, persoonlijke beschermingsmiddelen;

3.4. Doelstelling : zich bewust zijn van het belang van een goede fysieke en mentale gezondheid.

Beginselen van een gezonde en evenwichtige voeding, effecten van alcohol, medicijnen of andere stoffen die het gedrag kunnen beïnvloeden, symptomen, oorzaken, effecten van vermoeidheid en stress, fundamenteel belang van de basiscyclus werk/rust;

3.5. Doelstelling : noodsituaties kunnen beoordelen.

Gedrag bij noodsituaties : inschatting van de situatie, erger voorkomen, hulpdiensten waarschuwen, hulp verlenen aan gewonden en eerstehulpverlening, optreden bij brand, inzittenden van de vrachtwagen of passagiers van de bus redden, de veiligheid van alle passagiers waarborgen, reactie in geval van agressie; basisbeginselen invulling schadeformulier;

3.6. Doelstelling : door zijn gedrag kunnen bijdragen aan het imago van een onderneming.

Gedrag van de bestuurder en imago : belang voor de onderneming van de kwaliteit van de dienstverlening door de bestuurder, de taken van de bestuurder, personen waarmee een bestuurder te maken krijgt, onderhoud van het voertuig, organisatie van het werk, commerciële en financiële gevolgen van een geschil;

Rijbewijs C, C+E, C1, C1+E

3.7. Doelstelling : kennis van het economisch klimaat van het goederenvervoer over de weg en van de marktordening.

Verhouding tussen het wegvervoer en de overige vervoerstakken (concurrentie, verladers), verschillende activiteiten in het wegvervoer (vervoer voor rekening van derden, voor eigen rekening, aanvullende activiteiten), organisatie van de voornaamste soorten vervoersondernemingen of aanverwante transportactiviteiten, gespecialiseerd vervoer (tankwagens, koelwagens, enz.), ontwikkelingen in de sector (diversificatie van het dienstenaanbod, railvervoer/wegvervoer, uitbesteding, enz.);

Rijbewijs D, D+E, D1, D1+E

3.8. Doelstelling : kennis van het economisch klimaat van het personenvervoer over de weg en van de marktordening.

Verhouding tussen het personenvervoer over de weg en de overige vervoerstakken (spoor, personenauto's), verschillende activiteiten in het personenvervoer over de weg, grensoverschrijdingen (internationaal vervoer), organisatie van de voornaamste soorten ondernemingen voor personenvervoer over de weg.

I. Voorwaarden waaraan de lokalen van de opleidingscentra moeten voldoen

De opleidingscentra moeten beschikken over de hiernavolgende lokalen :

  • een lokaal voor de administratie en voor het onthaal van de kandidaten;
  • een lokaal voor de theoretische lessen;
  • sanitaire voorzieningen.

Het leslokaal moet beantwoorden aan volgende vereisten :

  • voorzien zijn van tafels en stoelen;
  • beschikken over didactisch materieel.

De lokalen mogen niet worden ingericht in een private woning, noch in een drankgelegenheid.

II. Voorwaarden waaraan de terreinen - gebruikt in het kader van de naschoolse praktijkopleiding - moeten voldoen

Indien het opleidingscentrum - in het kader van een naschoolse praktijkopleiding - gebruik maakt van een terrein buiten het verkeer, moet dit terrein ontoegankelijk zijn voor elke persoon extern aan de praktijkopleiding alsook beantwoorden aan de volgende normen :

  • minimale afmetingen voor de realisatie van praktijkopleidingen in het opleidingscentrum;
  • sterk en stabiel wegdek, aangepast aan de massa van de voertuigen;
  • hulpverleningsmateriaal : brandblusser van 5 kg - hulptas - absorberend produkt voor olievlekken.
III. Voorwaarden waaraan de voertuigen - gebruikt in het kader van de naschoolse praktijkopleiding - moeten voldoen

Indien het opleidingscentrum - in het kader van een naschoolse praktijkopleiding - gebruik maakt van een voertuig van de onderwezen categorie, moet dit voertuig beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 38 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.

1. De fysieke kenmerken van de kwalificatiekaart zijn in overeenstemming met de ISO-normen 7810 en 7816-1.

De methodes voor toetsing van de fysieke kenmerken van de kwalificatiekaart aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.

2. De kaart heeft twee zijden:

Bladzijde 1 bevat:

  1. de vermelding “carte de qualification de conducteur — kwalificatiekaart bestuurder — Fahrerqualifizierungsnachweis”, in hoofdletters;
  2. het onderscheidingsteken “B”, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek;
  3. de gegevens die specifiek zijn voor de afgegeven kaart, met de volgende nummers:
    1. de naam van de houder;
    2. de voornaam van de houder;
    3. geboortedatum en -plaats van de houder;
    4. a) de datum van afgifte van de kaart;
      b) de datum waarop de kaart afloopt;
      c) de naam van de bevoegde instantie die de kaart afgeeft: FOD Mobiliteit en Vervoer;
    5. a) nummer van het rijbewijs;
      b) serienummer van de kaart;
    6. de foto van de houder;
    7. de handtekening van de houder;
    8.  
    9. de categorieën voertuigen waarvoor de bestuurder aan de verplichtingen in verband met basiskwalificatie en nascholing voldoet;
  4. de vermelding “modèle des Communautés européennes - Model van de Europese Gemeenschappen - Modell der Europäischen Gemeinschaften” en de vermelding “kwalificatiekaart bestuurder” in de overige talen van de Gemeenschap, gedrukt in blauwe letters en op zodanige wijze dat deze de achtergrond van de kaart vormen:
    Talen1
    Talen2
  5. de referentiekleuren:
    • blauw: Reflex blauw Pantone;
    • geel: Pantone geel.

Bladzijde 2 bevat:

  1. 9. de categorieën voertuigen waarvoor de bestuurder aan de verplichtingen in verband met basiskwalificatie en nascholing voldoet;
    10. de Uniecode 95 gevolgd door de vervaldatum van het bewijs van vakbekwaamheid;
  2. een toelichting bij de genummerde rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5a, 5b en 10 op de bladzijden 1 en 2 van de kaart.

Kaart