HOOFDSTUK 1. - Definities

Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° Verordening 167/2013/EU: Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen;

2° Verordening 168/2013/EU: Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers;

3° Verordening 2018/858/EU: Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG;

4° Richtlijn 2003/37/EG: Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG;

5° Richtlijn 2002/24/EG: Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad;

6° Richtlijn 2007/46/EG: Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn);

7° Koninklijk besluit van 15 maart 1968: Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;

8° Koninklijk besluit van 10 oktober 1974: Koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;

9° Voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden: voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, reserveonderdelen en uitrusting voor deze voertuigen die zijn vastgelegd in en onderworpen aan het toepassingsgebied van de onderstaande wetgevingen: - Verordening 167/2013/EU;
- Richtlijn 2003/37/EG; - Verordening 168/2013/EU; - Richtlijn 2002/24/EG; - Verordening 2018/858/EU; - Richtlijn 2007/46/EG; - Koninklijk besluit van 15 maart 1968; - Koninklijk besluit van 10 oktober 1974.

10° producten: de motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, de twee- of driewielige voertuigen, de vierwielers, de systemen, onderdelen, technische eenheden, alsmede de reserveonderdelen en uitrusting bestemd voor deze voertuigen;

11° marktdeelnemer: de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de invoerder of de distributeur;
als de marktdeelnemer niet bekend of gevestigd is in de Europese Unie, gaat het om de invoerder in de Europese Unie, of bij gebrek daaraan, om de wederverkoper die het product in de handel bracht;

12° de Minister: de minister die bevoegd is voor het Wegverkeer en de Verkeersveiligheid;

13° de gemachtigde van de Minister: Directeur-generaal bevoegd voor het Wegverkeer bij de FOD Mobiliteit en Vervoer of, in voorkomend geval, de persoon die is aangesteld om deze functie tijdelijk uit te oefenen;

14° het directoraat-generaal: de directie van de diensten van de FOD Mobiliteit en Vervoer belast met het Wegverkeer en het Wegvervoer.

15° de markttoezichtautoriteit: de autoriteit belast met het markttoezicht.

HOOFDSTUK 2. - Markttoezichtautoriteit en personen die bevoegd zijn om het markttoezicht uit te oefenen

Art. 2. De markttoezichtautoriteit is het directoraat-generaal dat is gedefinieerd in artikel 1, punt 14°, van dit besluit.

Art. 3. De beambten van bovengenoemd directoraat-generaal zijn bevoegd om de niet-conformiteiten te onderzoeken, vast te stellen en controles uit te voeren in het kader van het markttoezicht.

Art. 4. De in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde en aangewezen door de markttoezichtautoriteit laboratoria voeren de in artikel 11 van de in dit besluit bedoelde tests uit.

Natuurlijke personen die tot de geaccrediteerde laboratoria behoren, mogen monsters nemen voor de uitvoering van de in artikel 11 van de in dit besluit bedoelde tests.

Art. 5. De door de Europese Commissie of door de markttoezichtautoriteit van een andere lidstaat aangewezen personen kunnen worden verplicht op het nationale grondgebied controles uit te voeren overeenkomstig het beginsel van samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten in het kader van het markttoezicht.

HOOFDSTUK 3. - Controles in het kader van het markttoezicht

Afdeling 1. - Controles en onderzoeksbevoegdheden

Art. 6. De controles uitgevoerd in het kader van het markttoezicht kunnen worden uitgevoerd door middel van documentcontroles en door middel van laboratoriumtests of tests langs de weg.

Art. 7. De in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten zullen, overeenkomstig artikel 3, § 2, van de wet van 15 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, evenals de in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria bij de uitoefening van hun opdracht vrije toegang hebben tot de bedrijfsruimten van de marktdeelnemers waar de in artikel 1, punt 10° bedoelde producten worden vervaardigd, gemonteerd, gerepareerd, uitgestald, te koop aangeboden, uitgeleend of verhuurd, alsmede vrije toegang tot deze producten. Ze zullen ook toegang hebben tot boeken, bedrijfsdocumenten, software en algoritmen die rechtstreeks verband houden met, en nodig zijn voor de uitvoering van hun controleopdracht.

Zij kunnen er op kosten van de marktdeelnemer kopieën van maken, uittreksels uit nemen en alle mogelijke uitleg eromtrent krijgen.

Art. 8. De in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria voeren op verzoek van de markttoezichtautoriteit de tests uit die beschreven staan in de regelgevingen bepaald in bijlage II bij Verordening 2018/858/EU, in bijlage I bij Verordening 167/2013/EU en in bijlage II bij Verordening 168/2013/EU.

Art. 9. Wanneer er een niet-conformiteit wordt vastgesteld ten aanzien van de bepalingen van de toepasselijke wetgeving, komen de kosten van het markttoezicht voor rekening van de marktdeelnemer. Deze kosten van het markttoezicht omvatten met name het vervoer van het monster naar het laboratorium dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests, de eventuele schades die door de tests worden veroorzaakt, en de kosten van de tests Indien de marktdeelnemer niet in de Europese Unie is gevestigd, komen deze kosten voor rekening van de invoerder in de Europese Unie of, bij gebrek daaraan, van de wederverkoper.

Deze kosten komen bovenop de strafrechtelijke boete.

Afdeling 2. - Laboratoriumtests

Onderafdeling 1. - Testaanvraag bij een geaccrediteerd laboratorium

Art. 10. Het directoraat-generaal dient de aanvraag voor de test per aangetekende brief bij het in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratorium in. Deze aanvraag bevat ten minste de volgende elementen:

1° een beschrijving van de motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, van de twee- of driewielige voertuigen, vierwielers, systemen, onderdelen, technische eenheden, alsmede reserveonderdelen en uitrusting bestemd voor deze voertuigen die aan deze tests worden onderworpen;
2° de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de marktdeelnemer bij wie het monster moet worden genomen of is genomen of geïdentificeerd;
indien de marktdeelnemer niet in de Europese Unie bekend of gevestigd is, de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de invoerder in de Europese Unie of, bij gebrek daaraan, van de wederverkoper bij wie het monster moet worden genomen;
3° de termijn waarbinnen het geaccrediteerde laboratorium zijn verslag aan het directoraat-generaal moet bezorgen.

Onderafdeling 2. - Bemonstering ten behoeve van tests

Art. 11. De in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria nemen op verzoek van de markttoezichtautoriteit monsters voor de uitvoering van de tests die beschreven staan in de regelgevingen bepaald in bijlage II bij Verordening 2018/858/EU, in bijlage I bij Verordening 167/2013/EU en in bijlage II bij Verordening 168/2013/EU beschreven tests.

De geaccrediteerde laboratoria brengen de genomen stalen over naar de plaats waar de tests moeten worden uitgevoerd.

Art. 12. De in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten of de in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria bepalen welk soort monster moet worden genomen, afhankelijk van het doel van de bemonstering.

De in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria of de in artikel 3 bedoelde beambten stellen een proces-verbaal van bemonstering op met de volgende punten:

1° het feit dat de bemonstering wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van dit besluit;

2° indien de marktdeelnemer is geïdentificeerd, de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de marktdeelnemer van het product dat is gecontroleerd; indien de marktdeelnemer niet in de Europese Unie bekend of gevestigd is, de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de invoerder in de Europese Unie of, bij gebrek daaraan, van de wederverkoper bij wie het monster is genomen;

3° de naam, voornaam en hoedanigheid van de persoon die het monster neemt en het adres van zijn laboratorium;

4° het identificatienummer van de monsters;

5° de datum en de plaats van de bemonstering;

6° het aantal en de beschrijving van de monsters.

Het proces-verbaal van bemonstering wordt ondertekend door enerzijds, het in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratorium of de in artikel 3 bedoelde beambten en anderzijds, door de marktdeelnemer of de natuurlijke of rechtspersoon of diens vertegenwoordiger bij wie het monster is genomen. Als hij of zij weigert te tekenen, wordt dit in het proces-verbaal van bemonstering vermeld.

Onderafdeling 3. - Tests

Art. 13. De in artikel 11 bedoelde tests worden uitgevoerd door laboratoria die zijn geaccrediteerd op basis van de ISO/IEC 17025-norm.

Het laboratorium voert de tests, vermeld in artikel 11, uit. In dit opzicht moet het laboratorium in zijn eigen bedrijfsruimten over de geschikte infrastructuur beschikken, met name over adequate lokalen en geschikte apparatuur.

Het laboratorium moet over voldoende technisch personeel beschikken om de gevraagde tests uit te voeren.

Het laboratorium moet beschikken over personeel met de juiste bekwaamheden en specifieke technische kennis voor de gevraagde tests.

Het laboratorium moet de opleiding, de bekwaamheden en de kennis alsmede voldoende beroepservaring hebben met de betrokken technische activiteiten.

Het laboratorium moet zijn maatschappelijke zetel hebben en gevestigd zijn in een van de lidstaten van de Europese Unie.

Het laboratorium moet aantonen dat het een bewezen expertise bezit op dit gebied.

Art. 14. Het geaccrediteerde laboratorium, de persoon of personen onder wiens/wier verantwoordelijkheid de tests worden uitgevoerd en de personen vermeld in de statuten van het laboratorium zijn geen belanghebbenden in de productie, verwerking, invoer of verkoop van motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan, van twee- of driewielige voertuigen, vierwielers, systemen, onderdelen, technische eenheden en reserveonderdelen en uitrusting die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd en die aan de tests worden onderworpen.

Het geaccrediteerde laboratorium, de persoon of personen onder wiens/wier verantwoordelijkheid de tests worden uitgevoerd en de personen vermeld in de statuten van het laboratorium stonden niet in voor, noch namen deel aan de typegoedkeuring van motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan, van twee- of driewielige voertuigen, vierwielers, systemen, onderdelen, technische eenheden en reserveonderdelen en uitrusting die voor deze voertuigen zijn bestemd en die aan de tests worden onderworpen.

Art. 15. Voor elke test die in het kader van het markttoezicht wordt uitgevoerd, stelt het geaccrediteerde laboratorium een testverslag op.

Dit verslag omvat met name de identificatie van het of de geteste monster(s).

Het geaccrediteerde laboratorium moet zijn verslag indienen binnen de termijn die is vastgesteld in de in artikel 10 bedoelde aanvraag van het directoraat-generaal.

Art. 16. Wanneer het resultaat van de tests een niet-conformiteit aan het licht brengt, wordt het resultaat per aangetekende brief naar de marktdeelnemer gestuurd, die over een termijn van vijftien dagen beschikt te rekenen vanaf de verzendingsdatum van het resultaat om het directoraat-generaal per aangetekende brief in kennis te stellen dat hij een tegenexpertise uitvoert.

In de door het directoraat-generaal verstuurde aangetekende brief wordt de termijn vermeld waarbinnen een eventuele tegenexpertise moet worden uitgevoerd. Deze termijn begint te lopen vanaf de ontvangstdatum van de kennisgeving die de marktdeelnemer binnen vijftien dagen aan het directoraat-generaal toezendt.

Indien het verslag van de tegenexpertise niet binnen de vereiste termijn wordt toegezonden, betekent het directoraat-generaal een proces-verbaal over de administratieve maatregel.

De tegenexpertise moet op kosten van de marktdeelnemer worden uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium dat voldoet aan de voorwaarden opgesomd in de artikelen 13 en 14 van dit besluit.

HOOFDSTUK 4. - Vaststelling van de niet-conformiteiten

Art. 17. De in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten stellen de niet-conformiteiten en vast aan de hand van processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.

Art. 18. Een copie van deze processen-verbaal wordt per aangetekende brief aan en de marktdeelnemer bij wie het monster is genomen toegezonden. Deze kopie wordt binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de niet-conformiteit is vastgesteld, toegezonden. Een kopie wordt ook per aangetekende brief verstuurd naar de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de distributeur of de invoerder in de Europese Unie indien de markttoezichtautoriteit het kan identificeren.

Art. 19. Het proces-verbaal bevat ten minste de volgende vermeldingen:

1° de naam, voornaam en hoedanigheid van de beambte bedoeld in artikel 3 van dit besluit alsook het adres van zijn bestuur;

2° het identificatienummer van de tijdens de controle ontvangen monsters en/of documenten;

3° de datum waarop en de plaats waar de controle is uitgevoerd;

4° de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de marktdeelnemer bij wie het monster is genomen of geïdentificeerd;
indien de marktdeelnemer niet in de Europese Unie bekend of gevestigd is, de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de invoerder in de Europese Unie of, bij gebrek daaraan, van de wederverkoper bij wie het monster werd genomen;

5° het aantal en de beschrijving van de monsters;

6° de niet-conformiteiten die na het onderzoek van deze documenten en monsters zijn vastgesteld;

7° het verslag van de in artikel 13 bedoelde geaccrediteerde laboratoria;

8° in geval van een niet-conformiteit, de administratieve maatregel die door het directoraat-generaal wordt bevolen.

Het proces-verbaal wordt ondertekend door de in artikel 3 bedoelde bevoegde beambte van het directoraat-generaal.

Art. 20. Binnen dertig dagen na de betekening van het proces-verbaal kan de belanghebbende per aangetekende zending bezwaar aantekenen bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Het genoemde directoraat-generaal hoort de belanghebbende als deze hier in zijn bezwaarbrief om verzoekt. Als daarom is verzocht, wordt de betrokkene binnen dertig dagen na ontvangst van dit verzoek gehoord.

De minister of zijn gemachtigde doet uitspraak binnen dertig dagen te rekenen vanaf de verzending van de bezwaarbrief, of in voorkomend geval, binnen dertig dagen na het horen van de belanghebbende.

Het bezwaar heeft geen schorsende kracht.

HOOFDSTUK 5. - Administratieve maatregelen

Afdeling 1. - Bevoegde beambten die administratieve maatregelen kunnen gelasten

Art. 21. Overeenkomstig artikel 2, paragraaf 1, van de wet van 21 juni 1985 kunnen de in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten de in de afdelingen 2 tot 4 van onderhavig hoofdstuk 5 bepaalde administratieve maatregelen gelasten.

Afdeling 2. - Waarschuwing

Art. 22. Wanneer de vastgestelde niet conformiteit geen impact heeft op de veiligheid, de volksgezondheid en het milieu, betekent de markttoezichtautoriteit een waarschuwing. In het proces-verbaal van waarschuwing, dat overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van dit besluit wordt betekend, wordt de marktdeelnemer gewezen op de punten die in overeenstemming moeten worden gebracht en de termijn waarbinnen deze overeenstemming moet worden bereikt.

De marktdeelnemer moet de toezichthoudende autoriteit binnen de vereiste termijn per aangetekende brief in kennis stellen van het bewijs van het in overeenstemming brengen.

Indien de markttoezichtautoriteit vaststelt dat dit in overeenstemming brengen niet binnen de vereiste termijn is bereikt, wordt een tweede administratieve maatregel met betrekking tot het in overeenstemming brengen zoals bedoeld in artikel 23 gelast.

Afdeling 3. - Het in overeenstemming brengen

Art. 23. Het proces-verbaal van het in overeenstemming brengen, dat overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van dit besluit is opgesteld en betekend, wijst de marktdeelnemer op de volgende punten:

1° de identificatie van de producten waarop het in overeenstemming brengen slaat;

2° het feit dat het in overeenstemming brengen wordt bevolen in toepassing van dit artikel;

3° de verplichtingen die het in overeenstemming brengen voor de marktdeelnemer met zich mee-brengt; deze verplichtingen omvatten met name de opschorting van het in de handel brengen in afwachting van het in overeenstemming brengen van het product;

4° de termijn waarbinnen dit in overeenstemming brengen moet worden bereikt.

De marktdeelnemer moet de toezichthoudende autoriteit binnen de vereiste termijn en per aangetekende brief in kennis stellen van het bewijs van het in overeenstemming brengen.

Indien de marktdeelnemer het bewijs van het in overeenstemming brengen niet binnen de vereiste termijn heeft betekend, kan overeenkomstig artikel 2, paragraaf 3, van de wet van 21 juni 1985 worden bevolen om het product uit de handel te nemen.

Afdeling 4. - Tijdelijke verzegeling

Art. 24. De in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten kunnen de producten tijdelijk verzegelen voor een duur van maximaal drie kalendermaanden om na te gaan of ze in overeenstemming met de geldende wetgeving zijn gebracht.

De beambten kunnen deze termijn eenmalig met eenzelfde duur verlengen.

Deze verlenging wordt per aangetekende brief aan de marktdeelnemer betekend. In de betekening wordt de reden voor de verlenging vermeld.

Art. 25. De in artikel 3 bedoelde bevoegde beambten voeren de tijdelijke verzegeling uit. Het proces-verbaal van tijdelijke verzegeling, dat overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van dit besluit is opgesteld en betekend, bevat ten minste de onderstaande gegevens:

1° het feit dat de producten tijdelijk worden verzegeld op grond van artikel 24;

2° het identificatienummer van de tijdelijke verzegeling;

3° de datum en de plaats van de verzegeling;

4° in voorkomend geval, het identificatienummer van de tijdelijk verzegelde producten;

5° een inventaris van tijdelijk verzegelde producten;

6° de maximale termijn van drie kalendermaanden, eenmalig verlengbaar, gedurende welke deze producten tijdelijk worden verzegeld;

7° de naam of de identificatie van de bevoegde beambte, zoals bedoeld in artikel 3, die de verzegeling uitvoert, en diens handtekening.

Art. 26. Op het moment van de tijdelijke verzegeling of binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de dag van de verzegeling bezorgt de voor de controle bevoegde beambte die de tijdelijke verzegeling uitvoert, een kopie van het proces-verbaal van de tijdelijke verzegeling aan de marktdeelnemer.

Deze bezorging geschiedt persoonlijk tegen ontvangstbewijs of per aangetekende brief.

HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 27. De minister bevoegd voor Wegverkeer en de minister bevoegd voor Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.